Conclusie
Wyeth/Rined) [1] en hangt tevens samen met zaak 18/05551 (
Wyeth/ […] ). Ik concludeer vandaag in alle drie die zaken.
1.Feiten
[verweerster 1]), is een brijvoerbedrijf. Brijvoer is een mengsel van mengvoer, bijproducten en water. Verweerster in cassatie sub 1, [verweerster 2] B.V. (hierna:
[verweerster 2]), houdt zich bezig met de aankoop van veevoedergrondstoffen en het produceren en verkopen van veevoederproducten. [verweerster 2] levert het door haar geproduceerde voormengsel (o.a. Porkermix) zowel aan tot de [A-groep] horende bedrijven als aan andere varkenshouderijen. [C] B.V., appellante sub 4 in hoger beroep (hierna:
[C]), is net als [verweerster 1] een brijvoerbedrijf. [verweerster 1] Holding B.V., appellante sub 1 in hoger beroep, voert de administratie van de ondernemingen van de [A-groep] en is enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 2] en [verweerster 1] . [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), appellant sub 5 in hoger beroep, is ten tijde van de feiten enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 1] Holding en [C] .
[verweersters]
Wyeth), had in de voor dit geding relevante periode in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Daar werden onder meer orale anticonceptiepillen geproduceerd, waarbij het synthetische hormoon medroxy progesteron acetaat (hierna:
MPA) werd gebruikt. Onderdeel van het productieproces betrof het coaten van de geneesmiddelen met een suikerhoudend laagje. Dit productieproces leidde tot twee afvalstromen: suikerwaters zonder en suikerwater met MPA. MPA wordt beschouwd als een groeihormoon. Om die reden heeft de Europese Unie het gebruik ervan in de veehouderij verboden. [3]
Integrated Pollution Prevention and Control Licence(hierna:
IPC-vergunning) van de Ierse overheid. Ingevolge deze vergunning was zij bevoegd maar ook gehouden haar suikerwaterafval te verwerken conform de nationale en internationale regelgeving ter zake van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen (hierna:
EVOA). [4]
Cara) is een Ierse afvalmakelaar. Cara heeft vanaf 1997 in opdracht van Wyeth verwijdering van het als
non-hazardousgekwalificeerde suikerwater zonder MPA verzorgd. De in verband met de hormoonvervuiling als
hazardousgekwalificeerde stroom suikerwater werd indertijd naar het Verenigd Koninkrijk en naar Duitsland overgebracht voor verwijdering.
Bioland) in Arendonk (België), een fabrikant van onder meer limonade. Vanaf november 1999 heeft Cara suikerwater zonder MPA en vanaf september 2000 ook suikerwater met MPA aan Bioland geleverd. Beide producten werden gecombineerd verzonden. Bioland beschikte niet over een vergunning voor verwerking van farmaceutisch afval.
Welvaarts).
Good Manufacturing Practices. Het is op grond van die regeling niet toegestaan om suikerwater afkomstig uit de farmaceutische industrie (al dan niet met MPA) te verwerken in veevoer.
2.Procesverloop
de rechtbank) de vorderingen van [verweersters] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft in het midden gelaten of Wyeth en Cara onrechtmatig hebben gehandeld jegens [verweersters] omdat zij tot de slotsom kwam dat in de verhouding tussen partijen de door [verweersters] geleden schade wegens eigen schuld geheel voor hun rekening moest blijven.
het hof) heeft in zijn arrest van 27 november 2018 de beslissing van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat Wyeth en Cara (i) onrechtmatig jegens [verweerster 1] , [C] en [verweerster 2] hebben gehandeld, (ii) hoofdelijk jegens [verweerster 1] , resp. [C] aansprakelijk zijn voor 50% van de schade en (iii) hoofdelijk jegens [verweerster 2] aansprakelijk zijn voor 40% van de schade. Het hof nam dus een percentage eigen schuld aan van 50% respectievelijk 60%. Het hof heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen:
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
onder 1.1in de kern aan dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijk milieu in de zin van art. 3 lid 2 WCOD Pro noodzakelijk is dat deze daad
rechtstreeksschade veroorzaakt. Indien zich in de causale keten tussen de daad en de schade een of meer noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit (onrechtmatig) menselijk handelen, is geen sprake van schadelijke inwerking als bedoeld in art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Onder 1.2klaagt het middel dat indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat de schadelijke inwerking van het aan Wyeth verweten onrechtmatig handelen in Nederland is te lokaliseren.
lex loci delicti). Het tweede lid geldt als uitzondering op de hoofdregel. Het bepaalt dat de toepassing van de
lex loci delictiachterwege blijft in het geval van een meervoudige locus, waarbij de onrechtmatige handeling in de ene staat wordt verricht (
Handlungsort) en de schade in een andere staat is opgetreden (
Erfolgsort). In dat geval is het recht van het
Erfolgsortvan toepassing (
lex loci damni). Aan de toepassing van het recht van het
Erfolgsortis echter, in een ‘tenzij-bepaling’ aan het slot van het tweede lid, een onvoorzienbaarheidsexceptie gekoppeld: indien de dader redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat zijn daad in het
Erfolgsortzou inwerken, blijft toepassing van het recht van de
lex loci damniachterwege. Het ligt op de weg van de dader daarvan bewijs te leveren.
place of injury’zoals gebruikt in art. 4 van Pro het Haagse Produktenaansprakelijkheidsverdrag van 1973. [9]
Erfolgsort) moet volgens het arrest
Dumez Franceworden uitgelegd als “
de plaats waar het veroorzakende feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd”. [11] Zoals het middel terecht betoogt, geldt dit ook voor de uitleg van art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Dumez Francevolgt dat het vereiste van een ‘rechtstreeks verband’ tussen het onrechtmatig handelen en de daardoor geleden schade ziet op het onderscheid tussen initiële schade en gevolgschade. [12] Anders dan het middel ingang wil doen vinden, is niet vereist dat zich tussen het verweten handelen en de schade geen noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit menselijk handelen. Onder de regels van Nederlands internationaal privaatrecht die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van de WOCD, was dat overigens niet anders. [13]
audit-rapport biedt daarvoor in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten.
hazard identification” is vermeld, was de kans dat als gevolg van de door hen gekozen wijze om zich van de afvalstroom te ontdoen schade zou ontstaan niet alleen aanwezig maar zodanig groot dat Wyeth en Cara naar maatstaven van zorgvuldigheid daartoe niet op de reeds besproken wijze hadden mogen overgaan.
environmentalen
waste managementin haar
annual environmental report 1999,productie 125 van [verweersters] in eerste aanleg). Een dergelijke verantwoordelijkheid vloeit ook voort uit haar IPC vergunning. Dat Wyeth zich daarvan ook bewust was, volgt uit haar betrokkenheid bij de in oktober 1999 verrichte
audit.Uit de door [verweersters] overgelegde internationale vrachtbrieven blijkt voorts dat Cara bij het vervoer als “
sender’s agent” optrad, terwijl ook uit de door [verweersters] in het geding gebrachte IPC
Application Formmet bijlagen, waaronder het van Wyeth afkomstige stuk “
Waste Disposal Arrangements”, het EPA rapport en persbericht (respectievelijk producties 115 en 3 van [verweersters] in eerste aanleg en 167 bij memorie van grieven) valt op te maken dat Cara bij de afvalverwijdering een bemiddelende rol (als
broker/agent) vervulde en de betrokkenheid van deze laatste derhalve de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Wyeth ter zake van de uiteindelijke wijze van verwijdering van de afvalstroom niet wegneemt.”
audit. Cara vervulde volgens het hof een bemiddelende rol en de betrokkenheid van Cara neemt de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Wyeth niet weg.
onder 2.2.2betoogt, vormt dat niet een onvoldoende begrijpelijke motivering, temeer daar het hof in rov. 3.5.11 in aanvulling daarop heeft overwogen dat die verantwoordelijkheid niet is weggenomen door het inschakelen van een afvalmakelaar. De overweging van het hof dat Cara een bemiddelende rol speelde (als
broker/agent) is, anders dan het middel
onder 2.2.3betoogt, niet onbegrijpelijk, daar het hof in zijn overweging betrekt dat Wyeth betrokken is gebleven bij de verwijdering van het afval gezien haar rol in de in oktober 1999 verrichte
auditen gelet op de door het hof in het laatste deel van rov. 3.5.11 genoemde stukken waaruit die bemiddelende rol van Cara blijkt.
Melchemie/Delbanco [16] had moeten aangeven hoe groot het gevaar hier was, gegeven de inschakeling van een derde.
Melchemie/Delbancouit 2011 gaat het, kort gezegd, over de opslag van gevaarlijke stoffen. Melchemie slaat bij CMI chemische stoffen op en is ervan op de hoogte dat CMI de chemische stoffen in strijd met veiligheidsvoorschriften opslaat. Door een overslaande brand ontstaan in de loods waar de chemische stoffen zijn opgeslagen, gaat een partij paardenhaar in de ernaast gelegen loods geheel verloren. De eigenaar van het paardenhaar spreekt Melchemie met succes aan. Uitgangspunt is dat op Melchemie niet op de enkele grond dat zij de opslag van haar chemische stoffen heeft uitbesteed aan CMI de verplichting kwam te rusten om te controleren of CMI zich hield aan de voorschriften die toentertijd golden voor opslag van die stoffen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in die zaak echter onvoldoende gemotiveerd geoordeeld had dat Melchemie onrechtmatig had gehandeld, nu het niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. [17]
broker/agent. In zoverre gaat de vergelijking met de zaak
Melchemie/Delbancomank.
Material Safety Data Sheet(MSDS), waarnaar het in rov. 3.5.4 heeft verwezen, omdat die MSDS dateert van tien jaar na dat handelen en afweek van de door Wyeth in het geding gebrachte MSDS.
‘safety data sheet’ betreffende MPA, zoals die op 7 april 2000 door Wyeth aan Cara is toegestuurd, die de ‘
possible risk of irreversible effects’ noemt; en (iii) de verklaring van Trebble van Wyeth in zijn verhoor door de Ierse nationale recherche dat hij het afval als gevaarlijk beschouwde. Op grond hiervan kon het hof tot het oordeel komen dat Wyeth zich bewust moet zijn geweest van de gevaren. Het hof heeft derhalve niet miskend dat bepalend is of de aangesprokene het gevaar kende of behoorde te kennen, en niet wat zich achteraf over gevaren laat vaststellen. In zoverre is, in tegenstelling tot hetgeen het middel onder 2.3.2 aanvoert, evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd dat de daad te wijten is aan de schuld van Wyeth.
‘proposed to’) de afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen en omdat het voor Wyeth onmogelijk was om kennisgevingen te doen omdat Cara hiervoor de benodigde gegevens had en Cara hiervoor dus zorg diende te dragen.
Pedersen, waarin is geoordeeld dat deze zinsnede ruim moet worden uitgelegd: ook een erkende inzamelaar of een geregistreerde of erkende handelaar of makelaar kan als kennisgever worden toegelaten. [18] Het is juist dat genoemd arrest bevestigt dat het onpraktisch of onredelijk zou zijn om alleen de producent van het afval als kennisgever toe te laten. Het arrest moet echter in zijn context worden gezien. De zinsnede ‘indien dat niet mogelijk is’ leverde voorheen vooral een probleem op als anderen dan de afvalproducent de kennisgeving
wildendoen en daarvoor niet werden toegelaten.
auditheeft vastgesteld over welke apparatuur Bioland beschikte en dat een door haar ingeschakelde deskundige heeft geconcludeerd dat met deze apparatuur het suikerwater met MPA kon worden verwerkt. Zij heeft een algemeen (tegen)bewijsaanbod gedaan en ook specifiek getuigenbewijs aangeboden voor het horen van deze deskundige. Het middel klaagt
onder 2.5 a)dat het hof in rov. 3.5.10 onjuiste want te hoge eisen heeft gesteld aan de stel- en motiveringsplicht van Wyeth, en
onder 2.5 b)dat niet valt in te zien waarom het standpunt niet voldoende is onderbouwd.
Onder 2.6voert het middel vervolgens aan dat het hof bovendien heeft miskend dat tegenbewijs vrij staat (art. 151 lid 2 BW Pro) en tevens dat het hof op grond van art. 166 Rv Pro gehouden was een getuigenverhoor te bevelen.
audit-rapport in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te kunnen nemen dat Bioland wél in staat was tot deugdelijke verwerking van met MPA verontreinigd suikerwater. In rov. 3.5.9 heeft het hof over het
audit-rapport het volgende overwogen:
business experience” is slechts specifiek vermeld dat deze is opgedaan in de appel- en perensap industrie; op de laatste pagina is vermeld dat de eigenaren omtrent de herkomst van het verder door hen verwerkte materiaal geen mededeling wilden doen doch dat het geen “
rinse water from tablet coating processes” betrof. Uit het rapport blijkt voorts dat geen sprake was van op schrift gestelde “
standard operating procedures” en dat het bedrijf geen openheid van zaken wilde geven over gebruikte technologieën.
local authority permit to operate exists” en dat een kopie daarvan zou worden afgegeven aan Cara. Uit de eerst op 22 maart 2001 door de Provincie Antwerpen afgegeven milieuvergunning (productie 18 van [verweersters] bij conclusie van repliek) blijkt dat deze is afgegeven met het oog op “de productie van mengstropen vertrekkende van schadesuikers”; dat daarmee tevens de verwerking van farmaceutisch afval als het onderhavige zou zijn bedoeld, vindt in de tekst van de vergunning geen enkele steun.”
audit-rapport geen enkele indicatie bevat dat Bioland verstand had van de verwerking van het afvalsuikerwater. Het hof kon daarom voorbijgaan aan de stelling van Wyeth dat Bioland over de juiste apparatuur beschikte en behoefde geen getuigenverhoor te bevelen.
Onder 3.2betoogt het middel dat voor zover het hof is ingegaan op dit verweer in rov. 3.7.8, alwaar het hof een oordeel heeft gegeven over de eigen schuld van [verweersters] , het heeft miskend dat het vraagstuk van eigen schuld dient te worden onderscheiden van de kwestie of een eiser zich door eigen gedrag aan de door de geschonden norm geboden bescherming heeft onttrokken.
onder 3.2neerkomt op het adagium
In pari delicto potior est condicio defendentis:bij gelijke onbetamelijkheid is de situatie van de gedaagde sterker. In feitelijke instanties heeft Wyeth daaromtrent het volgende gesteld.
in-pari-delicto-verweer kan worden herkend in een aantal arresten van de Hoge Raad. Ik noem kortheidshalve alleen het mij oudst bekende precedent en een relatief recent precedent. [21]
Blitz en Codat een bedrijf dat niet rechtmatig handelt ten aanzien van zijn handelsnaam niet met succes kan worden aangesproken door een partij die zich aan een gelijke overtreding van de wet schuldig maakt. [22]
[…] /Io Vivatuit 2007 gaat het om een lid van een studentenvereniging die als commissielid een zeilweekend organiseert. De student loopt verwondingen op tijdens het zeilweekend en verwijt de vereniging dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden. De Hoge Raad overweegt dat voor zover sprake is van onvoldoende toezicht, de aldus geschonden norm niet strekt tot bescherming van […] , nu deze zich als (mede)organisator van het zeilweekend zelf ook niet naar deze norm heeft gedragen. [23]
nemo auditur suam turpitudinem allegans(‘hij die zijn eigen onzedelijkheid aanvoert vindt in rechte geen gehoor’),
ex turpi causa non oritur actio(‘uit een onzedelijke oorzaak ontstaat geen rechtsvordering’) en
in pari delicto potior est condicio defendentis(‘bij gelijke onrechtmatigheid is de situatie van de gedaagde sterker’). Zij achten het echter ook mogelijk de beslissingen in verband te brengen met de leer van de ongeschreven rechtvaardigingsgronden of het leerstuk van de rechtsverwerking op grond van redelijkheid en billijkheid. [24] Daarnaast geldt dat ook in andere gevallen dan de situatie dat de eiser
in pari delictoverkeert, diens gedrag van belang kan zijn voor de toetsing aan het relativiteitsvereiste. [25]
in paridelicto-verweer is terug te voeren op de relativiteit van de onrechtmatige daad. Het relativiteitsvereiste is neergelegd in art. 6:162 lid 1 en Pro art. 6:163 BW Pro. Art. 6:162 lid 1 BW Pro vereist dat de daad ‘jegens een ander’ onrechtmatig is en art. 6:163 BW Pro houdt in dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. [26] Volgens vaste rechtspraak komt het bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste aan op doel en strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. [27] Het relativiteitsvereiste geldt voor alle drie onrechtmatigheidscategorieën van art. 6:162 lid 2 BW Pro (inbreuk op een recht, handelen in strijd met een wettelijke plicht en schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm). [28]
subonderdeel 3.1betoogt, ontoereikend gemotiveerd.
subonderdeel 3.2betoogt, niet miskend dat het vraagstuk van eigen schuld dient te worden onderscheiden van de relativiteit van de onrechtmatige daad. Voor het overige gaat het subonderdeel uit van de onjuiste lezing dat het hof in rov. 3.7.8 het verweer van Wyeth heeft verworpen, waardoor het in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
in beginsel(mede) aansprakelijk is.
audit. De klacht stuit daar op af.
Onder 4.3.1klaagt het middel dat, voor zover het hof meende dat de handelwijze van [verweersters] niet in het kader van art. 6:98 BW Pro aan de orde behoefde te komen, dit oordeel onjuist is.
Onder 4.3.2voert het middel aan dat, voor zover het hof niet van een onjuiste opvatting is uitgegaan, het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom de schade die mede door de laakbare/roekeloze handelwijze van [verweersters] is veroorzaakt, niettemin aan Wyeth kan worden toegerekend.
Onder 4.4.1klaagt het middel dat, voor zover het hof ervan uitgaat dat bij de toerekening van schade niet ter zake doet of de door [verweersters] geleden schade naar ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar was, dit oordeel onjuist is.
Onder 4.4.2klaagt het middel dat het toerekeningsoordeel van het hof in ieder geval ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof het essentiële verweer van Wyeth dat het strafbare en onrechtmatige handelen van [verweersters] niet redelijkerwijs voorzienbaar was niet in zijn beoordeling heeft betrokken.
Onder 4.4.3voert het middel aan dat het oordeel van het hof dat niet gesteld kan worden dat het niet in acht nemen van regelgeving zoals door Wyeth en Cara aan Bioland verweten, niet in lijn der verwachting heeft gelegen onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Aangezien Bioland daartoe eerst is overgegaan nadat zij technisch failliet was gegaan en omdat de curator opdroeg zich te ontdoen van het suikerwater met MPA, valt niet in te zien waarom dit in de lijn der verwachtingen heeft gelegen.
subonderdeel 4.4uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat het hof de handelwijze van [verweersters] als handelaren in (ingrediënten van) veevoeder niet heeft meegewogen in zijn beoordeling van de toerekenbaarheid van de schade, bouwt het voort op subonderdeel 4.3 en faalt het om dezelfde redenen.
Onder 5.1.1betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat in het kader van art. 6:101 BW Pro beslissend is of een omstandigheid waarvan de schade mede het gevolg is aan de benadeelde kan worden toegerekend en dat voor toerekening aan de benadeelde van een normschendende gedraging waarvan de schade mede een gevolg is, niet noodzakelijk is dat de benadeelde de norm bewust of ‘voldoende bewust’ heeft geschonden. Het hof heeft hiermee miskend dat voldoende is dat de benadeelde behoorde te weten dat met de gedraging een norm werd geschonden en dat ook op grond van de wet, de in het verkeer geldende opvattingen of een rechtshandeling voor rekening van de benadeelde kan komen. Het hof heeft niet onderzocht of [verweersters] zich ervan bewust hadden behoren te zijn dat sprake was van een afvalstof noch of de diverse normschendende gedragingen van [verweersters] op een andere grond dan schuld aan hen kunnen worden toegerekend.
Onder 5.3betoogt het middel voorts dat, mocht het hof van oordeel zijn geweest dat gedragingen van Cara in het kader van art. 6:101 BW Pro aan Wyeth zijn toe te rekenen, dat oordeel niet toereikend is gemotiveerd.
auditbekend moet zijn geweest - Bioland tot voor de ontvangst van het van Wyeth afkomstige met hormonen vervuilde suikerwater zich niet bezighield met de verwerking van farmaceutisch afval doch uit de humane industrie afkomstig suikerafval verwerkte in producten (siroop en residu) die in de levensmiddelenindustrie respectievelijk in de diervoeder sector (onder meer aan bedrijven als Profarm en Schuurman & Van Ginniken) werden afgezet, dat het suikerwater weliswaar een opvallend rode/roze kleur had maar dat dit op zichzelf niet behoefde te wijzen op een verdachte herkomst nu (onverwerkt) suikerafval afkomstig van de productie van snoepjes en limonade een dergelijke kleur kan hebben en dat ook de mededeling dat de kleur afkomstig was van cactussen in Peru (kennelijk werd daarmee gedoeld op karmijnzuur) niet in een andere richting wijst. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat [verweersters] er in de gegeven omstandigheden bedacht op hadden moeten zijn dat het suikerwater met hormonen vervuild zou kunnen zijn en als gevolg daarvan aan het gebruik als veevoeder gezondheidsrisico’s kleefden van een orde zoals die zich naderhand hebben gemanifesteerd.”
Onder 5.6voert het middel aan dat de overweging van het hof in rov. 3.7.8 dat [verweersters] niet bedacht behoefden te zijn op hormonen in het afvalsuikerwater in dit verband geen toereikende motivering is.
Onder 5.7.1voert het middel aan dat in dat geval namelijk niet valt in te zien waarom het hof tot een 50/50 en 60/40-verdeling is gekomen. Van Wyeth is immers niet vastgesteld dat zij bewust heeft gehandeld. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het al dan niet bewust zijn van de risico’s in het kader van de causale verdeling niet relevant is, is dat onjuist.
Onder 5.7.2betoogt het middel dat in ieder geval niet valt in te zien waarom het hof in deze bewustheid aan de zijde van [verweersters] , die in het kader van de causale verdeling niet is meegenomen, geen reden heeft gezien tot toepassing van de billijkheidscorrectie genoemd aan het slot van art. 6:101 lid 1 BW Pro. Aangezien [verweersters] wel en Wyeth niet met bewustheid hebben gehandeld, dient in beginsel de schade vanwege de veel grotere mate van verwijtbaarheid van de handelwijze van [verweersters] voor een groter deel voor hun rekening te worden gelaten.
geen aanleiding [ziet] voor een andere verdeling op grond van, kort gezegd, de billijkheidscorrectie van art. 6: 101 lid 1 BW.” Op dat punt onderscheidt het bestreden arrest zich van het arrest van het hof Den Haag waartegen het cassatieberoep in zaak 18/05551 (
Wyeth/
[…]) is gericht omdat in dat arrest niet wordt ingegaan op de billijkheidscorrectie.
onder 6.1dat het hof de verhouding tussen de hoofdzaak en de schadestaatprocedure heeft miskend door definitieve oordelen te geven over de toerekenbaarheid van alle schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en door een oordeel te geven over de mate waarin de schade vanwege eigen schuld voor rekening van [verweersters] blijft enerzijds en door Wyeth (en Cara) vergoed dient te worden anderzijds.
.
Wyeth/ […]) heb ik in 3.95 reeds gewezen.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
waaromhet hof bij zijn oordeel dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verweersters] een onjuist criterium heeft gehanteerd in het kader van het causaal verband en onjuiste aanknopingspunten tot uitgangspunt heeft genomen in zijn oordeel omtrent de toerekening van de eigen schuld. Dat in de schriftelijke toelichting die klacht wordt gemotiveerd is te laat. [36]
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de omstandigheden die aan [verweersters] kunnen worden toegerekend en de schade. Tevens heeft het hof in rov. 3.8.2 omtrent de wederzijdse causaliteit overwogen dat indien Wyeth en Cara de vereiste zorgvuldigheid hadden betracht, het met MPA vervuilde suikerwater niet beschikbaar zou zijn gekomen voor hergebruik in veevoeder en dat de door [verweerster 1] , [C] en [verweerster 2] geleden schade had kunnen worden voorkomen indien zij een onderzoek naar de herkomst en samenstelling van het product hadden gedaan waartoe zij krachtens de toepasselijke regelgeving en/of zorgvuldigheidsnormen waren gehouden. Het hof heeft hiermee voldoende begrijpelijk gemotiveerd dat er een
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de omstandigheden die aan [verweersters] kunnen worden toegerekend en de schade. De klacht faalt.
condicio sine qua non-verband bestaat tussen zowel de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade als tussen eigen gedragingen van de benadeelde of van gebeurtenissen (waaronder begrepen gedragingen van derden) die in zijn risicosfeer liggen en de schade. Hierbij is niet vereist dat de gedragingen van de benadeelde invloed hebben gehad op de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Reeds in zoverre faalt de klacht.
onder 1.2.2.1en
onder 1.2.2.2klachten die voortbouwen op subonderdeel 1.2.1.1 en daarom op dezelfde gronden falen.
de mate van eigen schuld.
Onder 4.1betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat de schade is voortgevloeid uit gedragingen van Wyeth die kunnen worden aangemerkt als zelfstandig schadeveroorzakende gebeurtenissen waarop de gedragingen van [verweersters] geen invloed hebben gehad en slechts zien op het niet detecteren van het in het leven geroepen gevaar. Hiermee heeft het hof de causale verdelingsmaatstaf volgens het middel onjuist toegepast.