ECLI:NL:PHR:2020:498

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2020
Publicatiedatum
19 mei 2020
Zaaknummer
18/05065
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94a SvArt. 36f SrArt. 6 EVRMArt. 47 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens onjuiste toetsingsmaatstaf bij beslag op geldbedragen

De rechtbank Noord-Nederland heeft het klaagschrift van klager ongegrond verklaard waarbij conservatoir beslag op geldbedragen onder een ander dan klager werd gehandhaafd. Klager stelde eigenaar te zijn van deze bedragen en vorderde teruggave. De rechtbank oordeelde dat het beslag gehandhaafd moest blijven omdat niet onwaarschijnlijk was dat de strafrechter later een geldboete of ontnemingsmaatregel zou opleggen.

De advocaat-generaal (AG) stelde dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf had gehanteerd door niet te onderzoeken of buiten redelijke twijfel vaststond dat klager eigenaar was van de geldbedragen. Volgens de AG moet de rechter in een dergelijke situatie eerst vaststellen of klager als eigenaar kan worden aangemerkt en pas daarna beoordelen of uitzonderingen op teruggave van toepassing zijn.

De AG concludeerde dat de beschikking van de rechtbank vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen naar de rechtbank voor een juiste beoordeling. Het eerste middel, dat betrekking had op het summiere karakter van de beklagprocedure, behoeft geen bespreking omdat het tweede middel slaagt.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt de beschikking, waarbij de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, voor een nieuwe beoordeling volgens de juiste maatstaf.

Uitkomst: De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/05065 B
Zitting26 mei 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de klager.

1.Inleiding

1.1.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij beschikking van 6 augustus 2018 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van twee geldbedragen, die onder een ander in beslag zijn genomen, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. C.E. van Dijk, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel stelt in zijn algemeenheid aan de orde dat kortgezegd het summiere karakter van de beklagprocedure ex art. 552a Sv in strijd is met art. 6 EVRM Pro en/of art. 47 van Pro het EU-handvest en/of art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM, waardoor de klager is belemmerd in zijn toegang tot een rechter die zijn bezwaren in volle omvang kan toetsen.
Het tweede middel heeft betrekking op de toetsingsmaatstaf die de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift heeft aangelegd. Ik zal beginnen met de bespreking van het tweede middel.

2.Het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het conservatoir beslag gehandhaafd moet blijven omdat niet onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter die later over de zaak ten gronde oordeelt een geldboete, een betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr zal opleggen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
2.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Onder [betrokkene 1] is op 13 maart 2018, op verdenking van hennepteelt onder meer een aantal sieraden en geldbedragen inbeslaggenomen.
Klager stelt eigenaar te zijn van een aantal van deze sieraden en een inbeslaggenomen geldbedrag van euro 22.000,00 en een geldbedrag van euro 5.450,00. In het namens klager ingediende klaagschrift wordt onder meer gesteld dat er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is welke teruggave van de goederen in de weg staat.
(…) Voor wat betreft de inbeslaggenomen geldbedragen, waarop conservatoir beslag, is de officier van justitie van mening dat dit beslag gehandhaafd dient te blijven en het klaagschrift op dit punt ongegrond moet worden verklaard.
(…)
Voor wat betreft de inbeslaggenomen geldbedragen is de rechtbank van oordeel dat het hierop rustende conservatoire beslag gehandhaafd dient te blijven en dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave op dit moment. Niet onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter die later over de zaak ten gronde oordeelt een geldboete, een betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een schadevergoedingsmaatregel ex. art. 36 f Sr. zal opleggen.”
2.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd doordat zij niet heeft getoetst of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de geldbedragen moet worden aangemerkt, althans dat zij in haar beslissing hiervan geen blijk heeft gegeven.
2.4.
In haar beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat op de geldbedragen conservatoir beslag ligt, naar ik aanneem op grond van art. 94a Sv. [1]
2.5.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin de geldbedragen onder een ander dan de klager in beslag zijn genomen, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. [2] Indien buiten twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 lid, Sv, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde. [3]
2.6.
In dit geval heeft de rechtbank niet onderzocht of buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen geldbedragen moet worden aangemerkt, maar geoordeeld dat niet onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete, een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Daarmee heeft de rechtbank niet de juiste maatstaf toegepast.
2.7.
Het middel slaagt.

3.Conclusie

3.1.
Het tweede middel slaagt. Gelet daarop behoeft het eerste middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, dan ben ik, indien de Hoge Raad dat wenst, uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
3.2.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Aan het verweerschrift van het OM d.d. 1 augustus 2018 is een kennisgeving handhaving beslag ex art. 103 Sv Pro gehecht d.d. 4 mei 2018 en een bevel tot inbeslagneming (art. 94a Sv) gehecht. Tevens is de “vordering machtiging conservatoir beslag (art. 103 Sv Pro) handhaven” bijgevoegd die inhoudt: “Overwegende dat ten laste van verdachte / veroordeelde voorwerpen in klassiek beslag (ex art. 94 Sv Pro) zijn genomen, maar dat het wenselijk is dit beslag als conservatoir beslag (ex art. 94a Sv) te handhaven. Het betreft de voorwerpen die zijn vermeld op de aan deze vordering gehechte bijlage.” De bijlage vermeldt een contant geldbedrag van € 34.265,00.
2.Vgl. HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:613.
3.Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5407.