ECLI:NL:PHR:2020:504
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen na veroordeling voor feitelijke leiding oplichting
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon gepleegde oplichtingsdelict. De straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden de vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit arrest is door de verdachte tijdig cassatieberoep ingesteld. Hoewel de aanzegging conform artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering rechtsgeldig is betekend, zijn er geen middelen van cassatie ingediend binnen de gestelde termijn. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv leidt het ontbreken van een schriftuur met middelen tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal concludeert dan ook dat het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is tevens sprake van samenhang met een andere zaak (18/05453), waarover eveneens een conclusie is uitgebracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van middelen.