“Verdachte heeft op 18 januari 2013 opzettelijk twee personen op gruwelijke en gewelddadige wijze in hun eigen woning van het leven beroofd. Eerst heeft hij, in de vroege ochtend van die dag, [slachtoffer 1] om het leven gebracht. De redenen waarom zij het leven moest laten zijn, ook in de fase van hoger beroep, niet duidelijk geworden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] gewurgd dan wel gestompt, geslagen of geschopt tegen de hals en haar met een scherp voorwerp in de hals gestoken, waardoor zij is komen te overlijden. Op dezelfde dag, in de avond, heeft verdachte [slachtoffer 2] om het leven gebracht. Verdachte heeft dit - zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen - gedaan met het oogmerk om diefstal van beltegoed, een laptop, een telefoon en etenswaren te kunnen plegen. Verdachte heeft daarmee ten koste van het leven van een ander, enkel aan zijn eigen belang gedacht. De wijze waarop [slachtoffer 2] om het leven is gebracht valt nauwelijks met een pen te beschrijven. Verdachte heeft afgrijzen oproepende vormen van geweld op [slachtoffer 2] toegepast, die uiteindelijk door verstikking om het leven is gekomen. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte het lichaam van [slachtoffer 2] in brand gestoken. Verdachte is in zijn handelen nietsontziend en meedogenloos geweest.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], ten tijde van hun overlijden 66 en 71 jaren oud, waren weerloze slachtoffers. Aannemelijk is dat zij in hun laatste momenten veel pijn hebben gehad en doodsangsten hebben moeten uitstaan. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten onderdak aan verdachte geboden. Dat verdachte juist de personen die hem probeerden te helpen om het leven heeft gebracht, rekent het hof hem aan. Aan de nabestaanden heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Het feit dat de precieze omstandigheden rondom de dood van hun familielid nooit duidelijk zullen worden, maakt dat hen extra pijn toegebracht wordt en dat het nog moeilijker zal zijn om hun dood te verwerken.
Daarnaast houdt het hof er rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Getoond besef van verantwoordelijkheid kan onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid omdat strafvervolging mede ten doel heeft verdachte tot inkeer te brengen. In het geval van verdachte is dat doel (nog) niet bereikt. Voor clementie bestaat vooralsnog dan ook geen reden.
Het opzettelijk doden van een ander mens is de meest ernstige onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Door zijn handelen heeft de verdachte aan zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] dat recht en daarmee hun meest wezenlijke bezit ontnomen. Een levensdelict brengt naast de grote gevolgen voor de nabestaanden, ook een schok teweeg in de maatschappij en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf is gelet op de aard en ernst van deze delicten niet aan de orde.
Verdachte heeft zich daarnaast, hoewel in het niet vallend bij voornoemde feiten, op 31 maart 2012 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.
Het hof heeft bij de straftoemeting in verdachtes nadeel in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 januari 2019, veelvuldig eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, onder meer meerdere malen ter zake van vermogensdelicten (al dan niet met een geweldscomponent), het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en brandstichting.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder met name de vastgestelde stoornissen van de verdachte en de omstandigheid dat het gerechtshof verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit verminderd toerekent.
Het hof komt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt dit tot een verhoging ten opzichte van de straf die de rechtbank heeft opgelegd. Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.
Op grond van het bovenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het gerechtshof zal die straf, een gevangenisstraf van 24 jaren, opleggen uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding.
Redelijke termijn
(…)
De maatregel van terbeschikkingstelling
Daarnaast dient de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te worden opgelegd. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.
Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kunnen worden opgelegd:
- bij de verdachte dient ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
het betreffende feit dient een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) vermeld;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dient het opleggen van de maatregel te eisen;
- een dergelijke maatregel kan enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Het hof is van oordeel dat aan de hierboven genoemde voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is voldaan. Het gerechtshof baseert dit oordeel mede op de beide hierboven genoemde rapporten van psychiater Kaiser en psycholoog Breuker.
Zoals hiervoor al is vastgesteld is bij verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en is er tevens sprake van psychopathie. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.
Ook is in deze zaak sprake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.
Met betrekking tot de kans op herhaling heeft Kaiser in 2016 gerapporteerd dat zij geen inschatting kan maken van de kans op recidive omdat verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent, maar gezien zijn psychopathie wordt de kans dat hij weer in omstandigheden komt met criminele mensen met geweldpleging als hoog ingeschat. Verdachte heeft goede voornemens maar er zijn geen beschermende factoren. Hij toont geen empathie met de slachtoffers van de delicten in het verleden. Verdachte heeft wel enig besef van de aard van zijn psychopathologie maar heeft geen inzicht in de reikwijdte en risico’s daarvan. Verdachtes psychopathie zal, naar inschatting van Kaiser, maken dat hij materiële belangen voor zal laten gaan boven de belangen van anderen. Kaiser geeft in haar rapport verder aan dat verdachte niet gemotiveerd is voor een intensieve inzichtgevende behandeling of schematherapie gericht op verandering van zijn persoonlijkheid. Het is de verwachting van de deskundige dat de kans klein is dat verdachte leert van een behandeling. Ter zitting van het hof op 6 februari 2019 heeft Kaiser op vragen van het hof geantwoord dat verdachte de afgelopen tijd enige verbetering heeft laten zien, waardoor je zou kunnen zeggen dat er nu wel een ingang is voor behandeling. Ook heeft zij ter zitting aangegeven dat agressie bij het tenlastegelegde een rol lijkt te hebben gespeeld, die zou kunnen samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte.
Breuker heeft in 2016 gerapporteerd dat bij verdachte meerdere klinische risicofactoren worden gevonden die samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis waaronder een beperkt inlevingsvermogen, vervaagd normbesef, egocentrisme en een beperkte lijdensdruk en probleembesef. Er zijn instabiele levensomstandigheden op het gebied van wonen, werk en relaties. Verdachte is verbonden met een drugsnetwerk waarvan hij geen afstand lijkt te willen nemen. Hij verdient zijn levensonderhoud met de drugshandel. Hij ervaart weinig lijdensdruk en heeft niet de intentie om iets aan zijn levensstijl te willen veranderen. Er is daardoor ook weinig behandelpotentieel. De risicofactoren kunnen elkaar versterken. Er zijn daarnaast te weinig beschermende factoren, waardoor de kans op recidive groot is, aldus Breuker.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van voormelde psychologische en psychiatrische rapportages, de vastgestelde stoornissen en de doorwerking daarvan, de bijzondere ernst van de begane feiten en de eerdere vele veroordelingen van verdachte sinds zijn jeugd, ook voor geweldsmisdrijven, dat sprake is van zodanig recidivegevaar dat de bescherming van de samenleving de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist.
Naar het oordeel van het hof is het gelet op het ontbrekende inzicht in zijn gebrekkige ontwikkeling bij verdachte geen ander kader denkbaar waarbinnen een behandeling ven verdachte voldoende geborgd is dan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde delicten gekwalificeerde doodslag en doodslag misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.”
30. In de toelichting wordt het hof verweten geen duidelijk keuze te hebben gemaakt tussen behandelen en straffen. Voorts worden parlementaire stukkenaangehaald waarin (niet door de wetgever overgenomen) voorstellen uit het Rapport Sancties op Maat worden besproken. De slotsom is dat de beslissing van het hof om de tbs te combineren met gevangenisstraf hoe dan ook onbegrijpelijk is.