Voorbedachte raad
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Beoordelingskader
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te aan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel 'voorbedachten rade' heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.
Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
Overweging van het hof
Het hof constateerde al dat verdachte op cruciale punten geen herinnering heeft aan het waarom van zijn handelen. Verdachte heeft niet onder woorden gebracht waarom hij een en ander heeft gedaan. Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] niet alleen opzettelijk, maar ook met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Het hof leidt uit de feiten en omstandigheden af dat verdachte niet alleen niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar juist goed georganiseerd en planmatig is opgetreden.
Zo blijkt uit de intemethistorie van verdachte dat hij in september en oktober 2015 heeft gezocht naar de werking van ether, het plegen van de perfecte moord, giftige planten.
Verder is verdachte in oktober daadwerkelijk overgegaan tot de aanschaf van ether. Ook heeft verdachte verschillende mensen benaderd om [slachtoffer] uit de weg te ruimen.
Verdachte is in de nacht van 4 op 5 november 2015 vanuit zijn woning naar de woning van [slachtoffer] gelopen. Voor het verlaten van zijn woning heeft verdachte een flesje ether in zijn jaszak gedaan. Eenmaal bij de woning van [slachtoffer] heeft hij de woning via de garagedeur betreden. Verdachte wist dat deze deur openstond omdat zijn oudste dochter in de avonduren van 4 november 2015 hem een smiley had gestuurd. Deze smiley betekende dat de dochter de garagedeur van de woning van [slachtoffer] open had gelaten. Nadat verdachte de woning zo was binnengegaan heeft hij de garagedeur afgesloten. Verdachte is toen naar de keuken gegaan en heeft een vaatdoekje gepakt. Verdachte liep vervolgens naar de voordeur waar hij zijn slippers uitdeed. Op zijn sokken is verdachte naar boven gelopen. Op de overloop van de eerste verdieping heeft hij ether op het vaatdoekje gedaan. Verdachte liep de slaapkamer van [slachtoffer] binnen, naar de kant van het bed waar [slachtoffer] sliep. Hij is op haar kant van het bed gaan zitten. Verdachte heeft het doekje met de ether op de mond van [slachtoffer] gehouden. Kort hierop heeft hij het kussen waarop [slachtoffer] met haar hoofd lag weggehaald en op het gezicht gelegd en twee tot drie minuten zijn hand erop gehouden zodat het kussen niet zou vallen.
Het hof is van oordeel dat verdachte bij alle bovenstaande handelingen die verdachte in de nacht van 4 op 5 november en de periode daaraan voorafgaande heeft verricht, de tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om [slachtoffer] te gaan doden, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Ondanks meerdere gelegenheden om zich rustig over zijn handelen te beraden, heeft verdachte er kennelijk welbewust voor gekozen om [slachtoffer] op deze wijze om het leven te brengen. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat bij verdachte sprake was van voorbedachte raad. Het hof ziet ook overigens geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Gelet op bovenstaande acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”