Conclusie
[eiser]) en aanvankelijk verweerder in cassatie, [erflater] , is gesloten tijdens een zitting in kort geding. [erflater] is tijdens de procedure in cassatie overleden. De procedure is voortgezet door zijn erfgename, [verweerster] , als verweerster. Hierna zullen zowel [erflater] als [verweerster] worden aangeduid als
[erflater].
1.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]), onder meer geschreven:
Zoals het voorstel nu ligt, wordt de kavelprijs van kavel [001] ( [eiser] ) verlaagd met € 70.000,- om budget vrij te maken voor de aanlegkosten van de weg. Vervolgens zou deze kavelprijs weer verhoogd worden met € 27.500,- wegens verbreding van deze kavel van 16,5 naar 19,0 meter. Concreet: € 200.000,- -/- € 70.000,- + € 27.500,- = € 157.500,- Dit houdt tevens in dat de aanlegkosten van de weg voor deverkoper (doorhaling in handschrift
) zijn: € 70.000,- -/- € 27.500,- = € 42.500,- waarop nog in mindering zullen komen de bijdragen in de aanleg van het plan die verlang[d] gaan worden van de overige kavel-kopers. Daarnaast is het zeer de vraag of er kavelprijzen zullen worden bijgesteld door verkleining als gevolg van het vergroten van kavel [001] .
de gemeente) met [eiser] en [erflater] van 5 juni 2005 staat onder meer te lezen:
Belang gemeente:
1. [eiser] zal aan hetzij [erflater] hetzij [B] om niet verkopen en overdragen de strook grond in het bestemmingsplan [plaats 1] , kom [plaats 2] 1999, omschreven als openbare weg en openbare ruimte met een oppervlak van circa 700 m2. [eiser] zal dit binnen een maand na heden via de notaris doen, waarna partijen over en weer alle medewerking zullen verlenen om dit zo spoedig mogelijk door het Kadaster te laten uitmeten.
Op 27 augustus 2007 hebben cliënt en u een schikking getroffen tijdens de comparitie van partijen die op die datum plaatshad. Ter zitting zijn afspraken gemaakt ter beëindiging van een geschil, die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting.
Om u enig inzicht te verschaffen in deze kwestie, zal ik u de voorgeschiedenis schetsen tot op het moment dat de vaststellingsovereenkomst ten overstaan van de voorzieningenrechter te Arnhem door [erflater] en [eiser] is ondertekend.
Er is over de overdracht van de weg [a-straat] geen gesprek gaande tussen mij, [B] , [erflater] en/of hun vertegenwoordiger. Ik ben wel door [betrokkene 3] van [B] benaderd met het verzoek om de pompput met mechanisch/elektrische installatie voor het verpompen van regenwater over te nemen. Volgens het op 8 en 9 juli 2009 door beide partijen voor akkoord ondertekende eindvoorstel, kan [de gemeente] de pompinstallatie overnemen als deze voldoet aan alle door de gemeente gestelde eisen. Hiervan heb ik u op 14 maart 2013 op de hoogte gesteld. Er is mij verder niets bekend over de overdracht van de weg [a-straat] als ruilmiddel in de aanleg van een tankstation of andere kwestie.”
Naar wij weten en van u hebben begrepen is bij u sprake van de volgende situatie. Uw woning is gelegen in een kleinschalig bouwplan (destijds gerealiseerd op basis van het bestemmingsplan [plaats 1] , kom [plaats 2] 1999). Volgens dit bestemmingsplan mogen in totaliteit 9 vrijstaande woningen worden gerealiseerd, waarvan 2 gelegen zijn aan de [b-straat] en 7 aan de [a-straat] . Uw woning is gelegen aan de [a-straat] . Inmiddels zijn 4 bouwkavels verkocht waarop vrijstaande woningen zijn gerealiseerd ( [b-straat 1] en [b-straat 2] en [a-straat 1] en [a-straat 2] ). De woningen aan de [b-straat] zijn gelegen aan een openbare weg, die eigendom is van [de gemeente] . De woningen (en bouwkavels) aan de [a-straat] worden ontsloten via een doodlopende toegangsweg met klinkerverharding vanaf de [b-straat] .
Ik heb zowel in het projectdossier als in het digitale archief gezocht naar de eigendomsoverdracht van de [a-straat] . Ik heb hierin niets terug kunnen vinden van een eigendomsoverdracht van de [a-straat] . [de gemeente] heeft wel op 23 juni 2009 een eindvoorstel opgesteld, waarin de voorwaarde is opgenomen dat de [a-straat] deel uit maakt van het mandelige gebied, en dat deze weg ook een niet openbaar karakter moet hebben. Over het eindvoorstel heb ik u op 25-6-2013 bericht. [erflater] en [betrokkene 5] van [B] hebben dit eindvoorstel op 8 resp. 9 juli 2009 voor akkoord ondertekend. [B] heeft hier uitwerking aan gegeven door het aanbrengen van de verplichte inritconstructie d.m.v. inritbanden en door het opmetselen van twee kolommen (penanten). Hierdoor is het niet openbare karakter gewaarborgd. In deze situatie is voor zover mij bekend niets veranderd. In verband met de hierboven beschreven situatie ga ik ervan uit dat de [a-straat] dus nog steeds in beheer en eigendom is van de eigenaren/(toekomstige) bewoners in het mandelige gebied.”
in conventiegevorderd:
in reconventie– samengevat – gevorderd:
in conventiede vordering van [eiser] afgewezen.
In reconventieheeft de rechtbank:
Na het overdragen van deze weg aan [de gemeente]” zal worden gelezen “
Nadat de weg zal zijn voltooid”.
DSM/ Fox [9] overweegt de rechtbank dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen gelezen in de context van het gehele geschrift bij de uitleg daarvan vaak wel van groot belang zal zijn (rov. 5.2).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltex-arrest [16] de maatstaf voor de uitleg van overeenkomsten, die nog altijd leidend is:
DSM/ Fox [19] – door de rechtbank genoemd in rov. 5.2 van het eindvonnis – heeft uw Raad verduidelijkt dat tussen de Haviltex-norm en de cao-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltex-norm te gelden dat de argumenten voor een objectieve uitleg aan gewicht winnen in de mate waarin de overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie van een groot aantal derden te beïnvloeden (en dit voor de opstellers van het contract ook voorzienbaar is), terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de cao-norm niet tot een louter taalkundige uitleg. Alle genoemde rechtspraak heeft als gemeenschappelijke grondslag dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Zowel aan de cao-norm als aan de Haviltex-norm ligt de gedachte ten grondslag ligt dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang, aldus uw Raad.
DSM/ Foxafgeleid dat in bepaalde gevallen ook binnen de Haviltex-norm sprake kan zijn van een objectieve uitleg. Dit wordt ook wel de objectieve Haviltex-maatstaf genoemd. [20]
Meyer Europe/Pont Meyer [21] had het hof voor het antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze mochten toekennen aan de omstreden woorden van de overeenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten, in de door het hof genoemde omstandigheden als uitgangspunt genomen dat beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van die woorden, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst. De door het hof genoemde omstandigheden betroffen de aard van de transactie (een ‘share purchase agreement’), de omvang en gedetailleerdheid van het contract, de wijze van totstandkoming van het contract en de in het contract opgenomen 'entire agreement clause'. Dit oordeel van het hof gaf volgens uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de wijze waarop in een zaak als deze de Haviltex-maatstaf dient te worden toegepast.
[…] / […] [22] oordeelde uw Raad, onder verwijzing naar
Meyer Europe/Pont Meyer, dat het hof op grond van de door het hof genoemde gezichtspunten mocht beslissen dat de desbetreffende bepaling van de vaststellingsovereenkomst op grond van een taalkundige uitleg voorshands een bepaalde betekenis heeft, om vervolgens te beoordelen of de partij die zich op een andere uitleg had beroepen voldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten. De door het hof genoemde gezichtspunten waren de aard van de overeenkomst (een vaststellingsovereenkomst inzake een zuiver commerciële transactie) en het feit dat partijen bij de totstandkoming daarvan werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden.
[…] / […]was sprake van een vaststellingsovereenkomst waarover tussen partijen uitgebreid was onderhandeld, en niet van een vaststellingsovereenkomst die ter zitting was gesloten.
Euroland/Gilde. [23] In die zaak ging het om een vaststellingsovereenkomst die tijdens een kortgedingzitting tussen partijen was gesloten, opgesteld door de voorzieningenrechter en medeondertekend door de advocaten van partijen. In de vaststellingsovereenkomst was overeengekomen dat het vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure zou gelden als “final judgement (by a competent court in the Netherlands)” en was afstand gedaan van de mogelijkheid beroep in te stellen van het vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure. De vraag was of daarmee ook afstand was gedaan van cassatieberoep. Uw Raad oordeelde hierover (als feitenrechter) onder meer:
Lundiform/Mexx [24] – dat in de procesinleiding wordt aangehaald – had het hof zijn oordeel dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst grote betekenis toekomt, gebaseerd op het uitgangspunt dat het om een commerciële overeenkomst ging, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hadden onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekte de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Uw Raad oordeelde dat het hof de toepasselijkheid van dit uitgangspunt onvoldoende had gemotiveerd in het licht van de door Lundiform aangevoerde stellingen dat (i) partijen niet over de schriftelijke overeenkomst hebben onderhandeld, (ii) Lundiform bij de totstandkoming van de overeenkomst niet werd bijgestaan door een jurist, en (iii) het modelcontract was opgesteld door het ‘legal department’ van Mexx. Indien deze stellingen juist waren, dan verviel daarmee volgens uw Raad de door het hof genoemde reden om bij de uitleg van de overeenkomst groot gewicht toe te kennen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen.
Meyer Europe/Pont Meyeren
[…] / […]heeft uw Raad tot slot overwogen dat de vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst, de rechter in staat stelt om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. Vervolgens zal de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Indien dit laatste het geval is, is de rechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren, aldus uw Raad.
Lundiform/Mexxvolgt derhalve dat de rechter in bepaalde gevallen de vrijheid – maar niet de plicht – heeft om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen. [25] Ook Wissink stelde zich in zijn NJ-noot bij
[…] / […]al op het standpunt dat de Hoge Raad de feitenrechters de vrijheid laat om in bepaalde gevallen een in beginsel taalkundige uitleg te kiezen, maar dat de keuze voor een reguliere toepassing van de Haviltex-maatstaf, waarin alle omstandigheden van het geval ineens worden gewogen, in deze gevallen ook aan de feitenrechter is toegestaan. [26]
Lundiform/Mexxaf dat, wil een rechter voorshands groot gewicht mogen toekennen aan een taalkundige uitleg van de bewoordingen van het contract, er niet alleen sprake moet zijn van een commercieel contract gesloten tussen professionele partijen, maar dat partijen ook beiden voldoende zorg moeten hebben besteed aan de formulering van de contractsbedingen. Het moet de strekking van het contract zijn geweest de bedoeling van partijen daarin nauwkeurig vast te leggen. [27]
niet alleen aankomt op de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen, maar aan de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten”.
geobjectiveerdeHaviltex-maatstaf. Daarbij had het hof in zijn overwegingen mede moeten betrekken de wijze van totstandkoming van de betreffende overeenkomst in 2007, waarbij partijen werden bijgestaan door advocaten en de tekst werd opgesteld door een rechter, ter gelegenheid van een zitting in kort geding. Verwezen wordt naar het overgelegde proces-verbaal.
Lundiform/Mexx [34] kan worden afgeleid dat de rechter, als een partij een beroep doet op een geobjectiveerde uitleg van de overeenkomst, groot gewicht mag toekennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden van de overeenkomst. Aangezien [eiser] zich beriep op een dergelijke uitleg had van het hof verwacht mogen worden in zijn tussenarrest een overweging te wijden aan deze stelling, en een voorlopig oordeel te geven aangaande de uitleg van de overeenkomst. Daarna had het hof moeten beoordelen of [erflater] voldoende heeft gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Door dit alles niet te doen is de beslissing volgens het subonderdeel niet voldoende inzichtelijk teneinde aanvaardbaar te kunnen zijn.
Lundiform/Mexxgeschetste werkwijze (voorshands uitlegoordeel, gevolgd door tegenbewijslevering). Het is aan de rechter om de juiste uitlegmaatstaf te bepalen. Zoals hiervoor (onder 2.11) werd besproken, heeft de rechter de vrijheid om in bepaalde gevallen als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen in een overeenkomst, maar is hij daartoe niet verplicht.
overeenstemmingbestaat over de toepasselijkheid van de (beweerdelijk) door [eiser] ingeroepen uitlegnorm – in welk geval het hof die rechtskeuze zou moeten respecteren [35] – faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Op de in het middel (voetnoot 3) aangegeven vindplaatsen [36] heeft [erflater] niet erkend dat een zuiver tekstuele uitleg dient te worden toegepast. Daar is slechts betoogd dat óók een zuiver taalkundige uitleg tot de conclusie zou leiden dat de overdracht van de weg aan de gemeente een betalingsmoment en niet een betalingsvoorwaarde is. [37] [erflater] heeft zich uitdrukkelijk op de Haviltex-maatstaf beroepen, in het kader waarvan volgens [erflater] mede betekenis moet worden gehecht aan hetgeen aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is voorafgegaan. [38]
maatstaf.Voor zover hetgeen hij daar betoogt relevant is, komt dit erop neer dat de letterlijke tekst van de bepaling dwingt tot een
uitlegin zijn voordeel. [40]
geheel los van de stellingen van partijen’, in zijn overwegingen had moeten ingaan op het gewicht van de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst, gelezen in de context van het gehele geschrift. Dit in verband met het arrest
DSM/ Fox [42] , op grond waarvan de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst gelezen in de context van het gehele geschrift bij de uitleg daarvan van groot belang is. Nu dergelijke overwegingen in het oordeel van het hof ontbreken, geeft het hof in beide arresten blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
maatstaf, ditmaal met het betoog dat het hof gehouden was
ambtshalve(en niet omdat [eiser] dat gesteld heeft) een tekstuele uitleg toe te passen, faalt het subonderdeel omdat, zoals hiervoor reeds is aangegeven, het hof vrij was om te oordelen dat de algemene Haviltex-maatstaf van toepassing is op de uitleg van de vaststellingsovereenkomst en het hof dit oordeel niet nader hoefde te motiveren.
oordeel(dus: in rov. 5.3 van het tussenarrest) had moeten ingaan op de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst, ook zonder dat partijen stellingen omtrent die taalkundige betekenis hebben betrokken, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof was niet verplicht om in te gaan op omstandigheden die niet door een van partijen zijn gesteld.
78. Ter gelegenheid van onderhavig hoger beroep herhaalt [eiser] het bewijsaanbod en getuigenbewijsaanbod en biedt aldus aan, voorzover de bewijslast op hem zou rusten, al zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van hemzelf en [erflater] , alsmede [betrokkene 2] en [betrokkene 6] , werkzaam bij [de gemeente] , die beiden kunnen verklaren omtrent de overdracht van de weg en aanleg van de weg conform de eisen van de gemeente, alsmede de overeenkomst die met [erflater] is aangegaan. Daarnaast behoudt [eiser] zich nadrukkelijk het recht voor om nadere stukken in het geding te brengen.”
grieven onbehandeldlaat en (daardoor) (ii)
geen uitleggeeft aan de vaststellingsovereenkomst.
tegenprestatie voor de overname van de aanlegverplichtingdoor [erflater] (rov. 5.4);
momentwaarop [eiser] de bijdrage diende te betalen (hetgeen voor de hand ligt omdat partijen er kennelijk vanuit gingen dat de gemeente de weg na aanleg daarvan zou overnemen) (rov. 5.5);
kande overname van de weg niet langer het moment zijn voor de betaling;
onvoorziene omstandigheid;
wijzigenin het moment waarop
de aanleg van de weg is voltooid(rov. 5.5);
verplichtingom de weg realiseren
conform de eisen van de gemeente(rov. 5.6).
uitgelegddat:
verschuldigdwas voor overname van de aanlegverplichting en aanleg van de weg conform de eisen van de gemeente, en
opeisbaarzou zijn twee weken na overdracht van de weg aan de gemeente;
gewijzigdin het beding dat de aanleg van de weg conform de eisen van de gemeente is voltooid.
mogen begrijpendat de weg aan de eisen van de gemeente zou voldoen die golden op het moment van oplevering;
geen aanspraakkan maken op betaling van het overeengekomen bedrag;
voldaan;
uitgelegddat (i) de overeengekomen som materieel verschuldigd is voor aanleg van de weg conform de eisen van de gemeente en (ii) dat de (door beide partijen voorziene) overname van de weg slechts betrekking heeft op de opeisbaarheid van de vordering;
voorwaardevoor het
ontstaanvan de vordering van [erflater] jegens [eiser] tot betaling van € 40.000,- (en dus niet slechts dient ter bepaling van het moment van betaling). [45]
voorwaardelijkvan aard was, als gevolg waarvan het oordeel onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel had het hof, in de lijn van het door partijen gevoerde partijdebat, primair te oordelen of de tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven konden slagen, alvorens te beoordelen of de voorwaardelijke tegenvordering van [erflater] aan de orde kwam.
eersteplaats dat, voor zover in cassatie geoordeeld moet worden dat het hof de rechtsstrijd niet heeft verlaten, het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is omdat het hof in zijn arresten niets overweegt over welke uitleg van de overeenkomst volgens het hof de juiste is.
ten tweededat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het beroep van [erflater] op de redelijkheid ex art. 6:258 BW Pro slaagt. Mede nu [eiser] een grief (X) heeft gericht tegen het redelijkheidsoordeel van de rechtbank, had het hof daaraan niet ongemotiveerd voorbij mogen gaan, aldus het subonderdeel.