Conclusie
[eiser]) aan zijn woning geplaatste uitbouw. Deze uitbouw is bevestigd aan de muur van de woning van zijn buurman, verweerder in cassatie (hierna:
[verweerder]). Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat het bevestigen van de uitbouw onrechtmatig is jegens [verweerder] en dat de uitbouw moet worden losgemaakt van de woning van [verweerder]. Het hof heeft daarbij bepaald dat [eiser] bij een eventuele herbouw van de uitbouw een afstand van ten minste een meter tot de woning van [verweerder] in acht moet nemen.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
duidelijk [blijkt] dat de erfdienstbaarheid niet is gevestigd in de genoemde akte van 20 juli 1999”.
subonderdeel 2.3, is de erfdienstbaarheid reeds
in de akte van 20 juli 1999 gevestigd. Geklaagd wordt dat het hof zijn oordeel ten onrechte slechts heeft gebaseerd op het in rov. 4.13 weergegeven
beginvan de in de verschillende akten van levering opgenomen passage over erfdienstbaarheden. Op het reeds gevestigd zijn van de erfdienstbaarheid wijst volgens het subonderdeel het volgende:
worden gedragen”; erfdienstbaarheden “
geven” het recht);
De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden voor zover van toepassing vorengemelde erfdienstbaarheden te aanvaarden” [12] , alsmede het boven die passage vermelde kopje “Vestiging algemene erfdienstbaarheden”;
van toepassing zijndeerfdienstbaarheden”;
ontbreken, in de akte van levering van 28 oktober 2005 (aan [eiser], A-G) evenals in de akte van levering van 1 maart 2005 (aan [verweerder], A-G), van de passage “De comparanten (…) verklaarden (…) vorengemelde erfdienstbaarheden te aanvaarden”.
subonderdeel 2.6vitieert het (gedeeltelijk) slagen van onderdeel 2 ook het oordeel van het hof in rov. 4.26-4.29, 4.32 en 4.33 en het dictum.
Akte van levering van 14 juni 1999:
Akte van rectificatie van 13 juli 1999:
Akte van levering van 20 augustus 1999:
Akte van levering van 11 september 2000:
heersenderf zou moeten zijn.
dienenderf ([a-straat 1]) is alleen de akte van 1 maart 2005 tot levering door [betrokkene 2] c.s. aan [verweerder] c.s. in het geding gebracht. [22]
20 juli 1999, betreffende de levering van “het bij deze verkochte” bouwperceel [a-straat 1] als mogelijk lijdend erf ten laste waarvan – ten behoeve van “de overige aan de verkoper verblijvende bouwpercelen” (waaronder bouwperceel [a-straat 2]) – een erfdienstbaarheid wordt of zal worden gevestigd. Het omgekeerde ((toezegging van) vestiging bij akte van 20 augustus 1999 van een erfdienstbaarheid ten behoeve van het verkochte bouwperceel [a-straat 2] en ten laste van het aan de verkoper verblijvend perceel [a-straat 1]) kan zich immers niet meer voordoen, nu lijdend erf [a-straat 1] op 20 augustus 1999 inmiddels niet meer aan de verkoper/projectontwikkelaar toebehoorde.
a,
b,
den
e) geen vindplaatsen in de gedingstukken. Stellingen waarbij die factoren worden aangevoerd, worden ook niet aangetroffen.
avermelde zinsneden uit het niet-geciteerde vervolg van de passage het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, nu deze ook betrekking kunnen hebben op de inhoud van de nog te vestigen erfdienstbaarheden.
c) behoefde het hof – wat de betekenis van de betreffende bepaling ook zij – bij zijn uitleg niet mee te nemen. Deze akten hebben immers geen betrekking op het dienend erf van [verweerder]. [eiser] heeft niet toegelicht waarom deze tekst niettemin relevant zou kunnen zijn.
den
e(gedeeltelijk).
NJ2006/418 m.nt. C.J.H. Brunner (
[.../...]), in het bijzonder de overweging:
on)rechtmatigheidvan het handelen van [eiser] (het bevestigen van de bestaande uitbouw aan de muur van [verweerder]) dan op de kwestie van de plaats van een eventuele herbouw.
[.../...].Deze uitspraak heeft betrekking op de vrijwarende werking van een vergunning in de civielrechtelijke verhouding tot derden. Volgens [eiser] zou de verleende omgevingsvergunning relevant zijn (i) omdat daardoor geen sprake is van handelen in strijd met een wettelijke plicht en de uitbouw geen inbreuk op een recht vormt (art. 6:162 BW Pro) [33] , en (ii) gelet op de “vrijwarende werking” of “reflexwerking” van vergunningen. [34]
(on)rechtmatigheidvan de reeds bevestigde uitbouw, faalt dit betoog omdat het aan [eiser], als appellant, was om de hier in het geding zijnde stelling als grief naar voren te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten.
bestaandeuitbouw aan de orde is. Dat leid ik hieruit af dat andermaal wordt geklaagd (i) dat het hof ten onrechte niet is uitgegaan van het bestemmingsplan zoals dat gold
ten tijde van de vergunningverleningen de bouw (zie ook s.t., nr. 16), en (ii) dat het hof ook hier heeft miskend dat [eiser] voor de uitbouw een
omgevingsvergunning is verleend, die formele rechtskracht heeft verkregen (s.t., nr. 17). Indien die gedachte juist is, faalt het subonderdeel reeds op die grond.
herbouwvan een nieuwe uitbouw
in strijd [42] met dat bestemmingsplan (binnen een afstand van een meter tot de perceelsgrens)
niet onrechtmatigis jegens [verweerder], faalt de klacht eveneens.
[.../...]) ziet op de vraag of uit hetgeen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder ogen is gezien, volgt dat het handelen
overeenkomstigdat plan (“het gebruik maken van de toegestane bouwmogelijkheden”) niet als onrechtmatige hinder is te beschouwen. [45] Het gaat om dus om de vrijwarende werking voor gedrag
overeenkomstighet bestemmingsplan, niet om de vraag of gedrag
in strijdmet de toegelaten bouwmogelijkheden (toch) niet onrechtmatig is. Het hof hoefde niet op de in het subonderdeel genoemde stellingen in te gaan.
in strijdmet een publiekrechtelijke norm niet zonder meer onrechtmatig is jegens de buurman. Dat is ervan afhankelijk of de geschonden belangen van de buurman door de norm worden beschermd. [46]
buitenmuur’is.