Conclusie
1.Feiten en procesverloop
grief 3door de man is aangevoerd.
grief 3voert de man, voor zover hier relevant, aan dat [A] Holding BV ten onrechte onverdeeld is gelaten door de rechtbank en dat deze aan hem moet worden toegescheiden en de negatieve waarde ervan door partijen bij helfte moet worden gedragen. Dat betekent ook dat de vrouw de helft van de belastingaanslagen die betrekking hebben op de onderneming en die zien op de huwelijkse periode, moet dragen, aldus de man.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
rechtbankheeft ter zake van [A] Holding BV het volgende overwogen:
11.De beslissing
ultra petita(en dus in strijd met art. 23 Rv Pro.) is opgenomen en bovendien in de praktijk gemakkelijk tot verwarring over de precieze betekenis ervan aanleiding kan geven. Ondanks het feit dat de in het dictum opgenomen bepaling de positie van de BV (formeel) niet raakt, acht ik dan ook voldoende belang aanwezig om tot vernietiging over te gaan. Het onderdeel slaagt dan ook in zoverre.
Verdeling
een op rechtsgevolg gerichte wil van de BV die zich in het desbetreffende stuk heeft geopenbaard”, nog los daarvan dat de vraag of de vordering wel of niet daadwerkelijk door aflossing is voldaan niet afhankelijk is van de bedoeling van de BV met de in de jaarrekening opgenomen feiten en cijfers. Het is vervolgens aan de man om te stellen dat een door de vrouw ingebracht bewijsstuk onjuist is opgesteld, als dat het geval zou zijn. Het onderdeel geeft niet aan dat hij dat heeft gedaan. [12] Het is ten slotte aan het hof om aan de hand van de ingenomen stellingen en overgelegde bewijsmiddelen te beoordelen of voldoende is komen vast te staan dat de BV (nog) een vordering heeft op partijen. Een eventueel gerechtvaardigd vertrouwen dat er is afgelost komt slechts aan de orde in een situatie waarin vaststaat dat niet daadwerkelijk is afgelost. Die situatie is hier niet aan de orde. Ook om deze redenen faalt het onderdeel.
onderdeel 4klaagt over het oordeel van het hof in de laatste alinea van rov. 9.50, in rov. 9.66 en in de eindbeslissing dat de geldlening of vordering niet meer bestaat (onder verwijzing naar genoemde jaarrekening waaruit een door de vrouw ingeschakelde fiscalist heeft geconcludeerd dat deze in zijn geheel is afgelost). Het hof miskent hier volgens het onderdeel dat zelfs als er vanuit zou moeten worden gegaan dat er bevrijdend is betaald door of namens de man – hetgeen hij betwist – dat niet wegneemt dat hij regres heeft op de vrouw, nu het om een (hoofdelijke) vordering van de BV op beide partijen gaat. Bovendien is sprake van een ontbonden huwelijksgemeenschap waarbij de schulden door partijen bij helfte dienen te worden gedragen (art. 1:100 BW Pro). Dientengevolge had het hof de aandelen in de BV niet aan de man mogen toedelen zonder vergoeding/verrekening van enige waarde, althans had het hof de bijdrageplicht van de vrouw in de aflossing van de hypothecaire geldlening in de verdeling/verrekening behoren mee te nemen. Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door dit te miskennen, dan wel is het onbegrijpelijk dat het hof heeft nagelaten dit punt in het kader van de verdeling nader te onderzoeken. In de redenering van het hof wordt de man immers benadeeld omdat hij kennelijk uit eigen middelen de hypothecaire geldlening geheel heeft afgelost, terwijl de overwaarde van de echtelijke woning voor de helft aan de vrouw toekomt zonder dat de man daarvoor gecompenseerd wordt.