Conclusie
Grief IIIis gericht tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 12 tot en met 18 van het tussenvonnis van 2 december 2015 en onder 10.1 tot en met 10.3 van het eindvonnis van 22 juni 2016. De grief klaagt dat de rechtbank ten onrechte concludeert dat het voortgezette gebruik van de boerderij met gronden geen tegenprestatie in natura is. St.Joost betoogt dat de rechtbank een te beperkte uitleg van het begrip ‘tegenprestatie in natura’ gebruikt. De koopovereenkomst met uitgestelde levering levert volgens St. Joost voor [verweerder] aanzienlijke voordelen op boven directe levering met betaling van de volledige koopsom. Met de uitgestelde levering kan [verweerder] zijn bedrijf nog jaren blijven exploiteren en wordt 90% van de koopsom (€ 8.500.000,-) uitgekeerd in de vorm van een hypothecaire lening tegen een niet-commerciële lage rente (2%). [verweerder] heeft zijn Rabobankhypotheek van € 6.846.460,81 met een veel hogere rente afgelost en het restant bedrag is uitgekeerd aan [verweerder] . Bovendien geniet [verweerder] voordeel omdat hij door het kunnen blijven exploiteren van zijn zeugenhouderij een omzet kan realiseren van circa € 2.000.000,-, aldus nog steeds St. Joost.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
vier onderdelen [5] bestaat. Het
eerste onderdeelklaagt dat het hof in ro. 4.12 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het daarin vervatte oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De bepaling in artikel 5 sub d van Pro de overeenkomst tussen partijen van 10 februari 2005 is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en laat geen leemte die moet worden aangevuld. Het is immers volkomen duidelijk dat de overeenkomst van 23 december 2010 tussen [verweerder] en de gemeente Almelo (hierna: de gemeente) naast de in artikel 5 sub a vermelde Pro “verkoopprijs” een tegenprestatie in natura bevatte die eenvoudig op geld kan worden gewaardeerd. Het geldelijk voordeel voor [verweerder] bestond op grond van diens overeenkomst met de gemeente uit het door de rechtbank bij beschikking van 27 januari 2010 vastgestelde bedrag van € 9.443.432,-, maar ook uit een rentevoordeel. [verweerder] moest op grond van zijn overeenkomst met de gemeente, op grond van de door de gemeente aan hem verstrekte lening van € 8.500.000,- tegen 2% rente per jaar, slechts € 170.000,- aan rente per jaar betalen. Met deze lening heeft [verweerder] zijn hypothecaire lening bij de Rabobank afgelost, zodat hij vanaf dat moment een veel lagere rente verschuldigd was.
tweede onderdeelklaagt dat het hof ook in ro. 4.13 en ro. 4.14 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting respectievelijk dat het onbegrijpelijke beslissingen heeft gegeven. Het voortgezet gebruik van de grond na het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2010 kan niet worden aangemerkt als een “tegenprestatie in natura” omdat het voortgezet gebruik van de grond door [verweerder] , gelet op de uitgestelde levering, vanzelf sprak en spreekt. Zolang [verweerder] eigenaar bleef van de grond, kon hij zonder toestemming van de gemeente zijn gebruik daarvan voortzetten. De door de gemeente en [verweerder] gekozen constructie was bedoeld om te voorkomen dat het aanvankelijk door [verweerder] gewenste voortgezet gebruik van de grond na levering zou kunnen worden gekwalificeerd als een pachtovereenkomst, wat de gemeente niet wenselijk achtte. Dit blijkt uit het gestelde in pos. 45 in de conclusie na enquête van 30 maart 2016 en de als productie 27 bij die conclusie overgelegde mail van [betrokkene 1] van de gemeente. Het onderdeel verwijst naar de definitie van ‘lening’ in de overeenkomst (p. 3) tussen [verweerder] en de gemeente:
derde onderdeelklaagt dat de rechtsoverwegingen 4.13 en 4.14 van het bestreden arrest rechtens onjuist respectievelijk niet begrijpelijk zijn omdat het hof lijkt te hebben miskend dat voortgezet gebruik door [verweerder] van de gronden alleen een voordeel zou opleveren als de gemeente conform de beschikking van de rechtbank van 27 januari 2010 de gronden zou hebben afgenomen voor het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 9.443.432,-. Als bij de eigendomsoverdracht (die niet heeft plaatsgevonden) [verweerder] toestemming zou hebben gevraagd en gekregen van de gemeente om het gebruik van de gronden nog een bepaalde periode voort te zetten, zou dat een tegenprestatie in natura zijn geweest. Het hof had tot het oordeel moeten komen dat de tegenprestatie in natura, die de gemeente uit hoofde van de overeenkomst van 23 december 2010 aan [verweerder] heeft verschaft, bestond uit de verstrekte lening tegen het lage rentepercentage van 2% waarmee [verweerder] zijn duurdere lening bij de Rabobank kon aflossen. De overweging van het hof in ro. 4.14: “De waarde die [verweerder] voor de gronden ontving bleef dus gelijk” is dus onbegrijpelijk, omdat [verweerder] niet alleen het bedrag van € 9.443.432,- ontving maar ook een substantieel rentevoordeel gedurende een aantal jaren.
vierde onderdeelklaagt dat de voorgaande onderdelen ook rechtsoverweging 5 en het dictum [van het bestreden arrest] vitiëren. Het hof had met name grief III gegrond moeten bevinden en het tussenvonnis en eindvonnis van de rechtbank moeten vernietigen.
de waarde van de grond [14] van [verweerder] . Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] op grond van de overeenkomst
niet hoefde te verwachten [15] dat het voortgezet gebruik van de grond ook een dergelijke tegenprestatie in natura vormde. Overigens heeft St. Joost geen belang bij zijn standpunt dat het hof zou hebben geoordeeld dat het voortgezet gebruik van de grond door [verweerder] een tegenprestatie in natura zou zijn, omdat dit voor hem juist extra loon in de zin van artikel 5 sub d van Pro de overeenkomst van 10 februari 2005 zou (kunnen) opleveren. Ten slotte merk ik op dat het hof aandacht heeft besteed aan het voortgezet gebruik van de grond door [verweerder] , omdat St. Joost zelf gesteld heeft (in zijn derde grief in hoger beroep) dat dit beschouwd moet worden als een tegenprestatie in natura. [16]