Conclusie
1.Overzicht
Vooraf
Nigl. [4]
Verander(en)de opvattingen over het vertrouwensbeginsel in omzetbelastingzaken en de wenselijkheid van opheldering
Agrofermook doorwerkt naar andere zaken dan die over het terugvorderen van onterecht verleende Unierechtelijke steun en staatssteun. [20] Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2013 gaat in de richting van een bevestigend antwoord, mits op grond van het Unierecht een nationaal (Nederlands) bestuursorgaan verplicht moet handhaven. [21]
3.Nationaalrechtelijk en Unierechtelijk vertrouwen
c.q.gewettigd) zijn de verwachtingen van een justitiabele voortvloeiend uit een beleidsregel, een inlichting of een toezegging te honoreren. Unierechtelijk kan in rechte te beschermen vertrouwen ontstaan door regelgeving, individuele besluiten, overeenkomsten, een vaste praktijk en, in uitzonderlijke gevallen, door het stilzitten van de Commissie. [28] Te dezen zijn vooral de toezeggingen van belang. Preciezer gesteld kan “iedere justitiabele bij wie een [bevoegde; CE] administratieve autoriteit met door haar gedane precieze toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op dat beginsel (…) beroepen”. [29] Een specifieke vorm waarin de toezegging is gedaan, wordt niet vereist. [30]
c.q.professionele marktdeelnemer) de onjuistheid kan voorzien. [31] Daarnaast moet de betrokkene te goeder trouw zijn. Dat wil onder meer zeggen: hij moet oprecht overtuigd zijn dat het standpunt juist is, hij mag geen incorrecte gegevens hebben verstrekt en hij mag zich niet schuldig hebben gemaakt aan een kennelijke regelschending. [32] De kans op een succesvol beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel neemt toe als de betrokkene schade heeft geleden als gevolg van de toezegging (heeft gedisponeerd). [33] Dit hangt samen met de afweging tussen het particuliere belang van de betrokkene en het algemene belang bij het al dan niet honoreren van het gewekte vertrouwen. Dispositie is echter niet steeds noodzakelijk voor een geslaagd beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel.
Elmekaen
Salomie en Olteanin het oog.
Elmekahad de belastingdienst te Piraeus (Griekenland) jegens de betrokken belastingplichtige een standpunt ingenomen over de toepasselijkheid in haar geval van de vrijstelling voor diensten verricht voor de rechtstreekse behoeften van zeeschepen en hun lading. [38] Bij een latere controle heeft een ander dienstonderdeel van de Griekse fiscus een ander standpunt ingenomen. Dit nieuwe standpunt blijkt uiteindelijk juist. De vrijstelling die de belastingdienst in Piraeus nog van toepassing achtte, geldt naar het oordeel van het Hof van Justitie namelijk alleen als de diensten rechtstreeks worden verleend aan de reder. Aan die voorwaarde, die niet expliciet in de tekst van de richtlijn tot uitdrukking komt, voldeed de belastingplichtige niet.
Elmekavanwege de standpuntbepaling geen btw aan haar afnemers in rekening had gebracht en die btw ook niet alsnog op hen kon verhalen (er was dus sprake van dispositie).
Salomie en Oltean. [41] Een beroep op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel is in die zaak gestrand op het oordeel dat een beweerdelijke praktijk van de Roemeense belastingautoriteiten om handelingen met onroerende goederen niet systematisch aan btw te onderwerpen, in principe geen duidelijke garanties biedt dat voor de verkoop van nieuwe onroerende goederen geen btw is verschuldigd. Daar heeft het Hof van Justitie de overweging aan toegevoegd dat een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer op zijn minst zou trachten duidelijke garanties te verkrijgen alvorens te concluderen dat de verkoop van meer dan 130 nieuwe appartementen niet met btw is belast. [42]
Salomie en Olteanin dezen is dat het Hof van Justitie het beroep op het vertrouwensbeginsel niet afwijst op de grond dat het resultaat in strijd zou komen met de Btw-richtlijn en de in beginsel conform die richtlijn uit te leggen Roemeense btw-wetgeving. Als het wijken van strikte wetstoepassing voor het honoreren van vertrouwen niet mogelijk zou zijn, had een afwijzing langs die principiële lijn meer voor de hand gelegen. Omdat het gaat om een – immer riskante – redenering
a contrario, kan aan het arrest naar mijn mening niet meer dan een bijkomend argument worden ontleend.
contra legemis met het voorgaande al voorzichtig aangesneden. Als belangrijk verschil tussen het Unierechtelijke beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen en het Nederlandse vertrouwensbeginsel wordt wel genoemd de onmogelijkheid van werking
contra legemvan het eerste. [43] Vooral daarom zou het Unierechtelijke beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen minder gunstig zijn voor justitiabelen.
contra legem’ wordt bedoeld ‘in strijd met een strikte wetstoepassing’, lijkt deze bewering zich echter niet soepel te verhouden tot het arrest in de zaak
Elmeka. Nu kan men daarin aanleiding zien het arrest in de zaak
Elmekaals ‘vreemde eend in de bijt’ of de bewering als onjuist te beschouwen, maar ook om te onderzoeken of de aan ‘
contra legem’ toegedichte betekenis juist is. ‘
Contra legem’ kan namelijk ook zoiets betekenen als ‘duidelijk in strijd met de wet’. Zie in dit verband Wiarda in relatie tot rechterlijke beslissingen: [44]
contra legemvan het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, lijkt in het algemeen vooral gebaseerd op de arresten van het Hof van Justitie in de zaken
Maizena,
Thyssen,
Krückenen
Agroferm. [45] In de zaak
Maizenaheeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel een lidstaat niet kan beletten de berekeningswijze van een landbouwrestitutie voor de toekomst te wijzigen, zelfs als de Europese Commissie het eerdere, onjuiste beleid van de lidstaat niet heeft bekritiseerd. Daarbij overweegt het Hof van Justitie dat “[een] met de gemeenschapsregeling strijdige praktijk van een Lid-Staat (…) nooit tot het ontstaan van een door het gemeenschapsrecht beschermde rechtspositie [kan] leiden, ook niet wanneer de Commissie heeft nagelaten de noodzakelijk stappen te nemen om die Lid-Staat tot een correcte toepassing van de gemeenschapsregeling te bewegen.” [46] Ik merk op dat in deze zaak niet aan de orde was of Duitsland in het verleden verleende restituties kon terugvorderen.
Thyssenis beslist dat een ambtenaar van de Europese Commissie niet rechtsgeldig een toezegging kan doen het Unierecht buiten toepassing te laten, zodat in relatie tot een dergelijke toezegging hoe dan ook niet van gewettigd vertrouwen kan worden gesproken. [47] Een staalfabrikant beweerde dat hem was toegezegd zonder sanctie een quotum voor staalproductie te mogen overschrijden. In de zaken
Krückenen
Agrofermheeft het Hof van Justitie verder overwogen dat “het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling kan worden aangevoerd, en dat een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling kan wekken.” [48]
Maizenais niet meer beslist dan dat een autoriteit naar de toekomst toe haar opvattingen kan wijzigen. Dit zegt niets over de mogelijkheid voor die autoriteit om met terugwerkende kracht op haar opvattingen terug te komen. In de zaak
Thyssengaat het over een beweerdelijke toezegging de wettelijke regels niet toe te passen, maar dat is wezenlijk iets anders dan een toezegging over de uitleg van een bepaling die voor meer dan één uitleg vatbaar is. En ook de frase uit de arresten in de zaken
Krückenen
Agrofermsteunt naar mijn idee niet zonder meer de bewering dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel het onder geen beding kan winnen van strikte wetstoepassing. Dat zit in het woord ‘duidelijke’.
Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen. [49] Daarin heeft het Hof van Justitie bijzonder ingewikkelde en omvangrijke subsidieregels als duidelijke bepalingen in de zin van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel aangemerkt, nadat het – aldus Van den Brink en Den Ouden in hun annotatie bij dit arrest in
AB2018/168 [50] – net bijna 1.400 woorden nodig had om die regels uit te leggen.
Ministru Kabinetsheeft het Hof van Justitie echter een bepaling uit een verordening met een leemte niet als duidelijk voor het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel aangemerkt en een beroep op dit beginsel in strijd met de juiste uitleg van die – rechtstreeks toepasselijke – bepaling laten slagen. [51] De tekst van de bepaling bood namelijk geen uitsluitsel of overdracht van het recht op steun voor vervroegde uittreding door landbouwers al dan niet mogelijk was door vererving:
Ministru Kabinetstendeert, kortom, naar het opvatten van ‘duidelijke Unierechtelijke bepalingen’ in de betekenis van ‘Unierechtelijke bepalingen die maar voor één uitleg vatbaar zijn’, zoals ook de arresten in de zaken
Elmekaen
Salomie en Olteandat doen. Dan treft de
contra legem-limiet enkel uitkomsten die vrij evident in strijd met de wetgeving zijn. Dat lijkt mij ook juist en wenselijk. In die gevallen mag iemand in een rechtstaat, waar nog altijd de wetgever de wetten maakt, immers in redelijkheid niet erop rekenen dat zijn verwachtingen uitkomen. Het voorgaande sluit aan op het volgende wat Prechal e.a. schrijven: [52]
onjuistheidvan de informatie of het besluit
redelijkerwijs had moeten ontdekken.”
contra legemvan niet gering belang. Dit hangt ten eerste samen met de omstandigheid dat normen in de Btw-richtlijn en de Wet OB, die op zichzelf bezien al ingewikkelde regelgeving bevatten, betrekkelijk open (
c.q.vaag) zijn geformuleerd. Daardoor is de juiste uitleg van de betrokken bepalingen lang niet altijd evident. Zelfs normen die
(ver)duidelijk(t) lijken, krijgen af en toe van het Hof van Justitie een onverwachte uitleg. Ik wijs, bijvoorbeeld, op de zaken
Waterschap Zeeuws-Vlaanderenen
VNLTO, waarin de Hoge Raad vragen stelde waaraan volgens het Hof van Justitie rechtskundig onjuiste veronderstellingen ten grondslag lagen. [53] Ten tweede zijn niet zelden verschillende opvattingen mogelijk over de waardering van de feiten van het individuele geval tegen de toepasselijke norm, waarbij die opvattingen stuk voor stuk verdedigbaar zijn.
Ministru Kabinetsdoorschemert, bestaat ruimte belastingplichtigen bescherming te bieden op grond van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Daartegenover zou het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel voor fiscale standpuntbepalingen praktisch bezien niet of nauwelijks betekenis hebben als strikte wetstoepassing het steeds wint. In de Nederlandse context moet dan ook nog worden bedacht dat fiscale beschikkingen over het algemeen gebonden beschikkingen zijn. Dat wil zeggen, de fiscus heeft geen discretionaire bevoegdheid. Slechts één uitkomst moet juist worden geacht.
contra legem-limiet misschien kan bijdragen aan de eenheid in de toepassing van het Unierecht in de lidstaten, [54] houdt zij naar mijn mening te weinig rekening met de belangen van belastingplichtigen. Naar mijn mening leent het vertrouwensbeginsel zich er namelijk bij uitstek voor de gevolgen van de hiervoor bedoelde vaagheden in de wetgeving te verlichten voor goedwillende belastingplichtigen. Dan moet echter het honoreren van vertrouwen in voorkomende gevallen wel kunnen voorgaan op een strikte wetstoepassing.
Treu und Glaubenen de fenomenen
verbindliche Auskunften
verbindliche Zusagedie hetzelfde kunnen bewerkstelligen, [56] en hebben belastingplichtigen in Zweden de mogelijkheid een prealabel advies te verzoeken om zekerheid te verkrijgen over de fiscale gevolgen van bepaalde transacties. [57] Afgezien van het Verenigd Koninkrijk [58] wordt Frankrijk aan de andere kant wel genoemd als land dat geen vertrouwensbeginsel kent. [59] Ook (en juist) voor de Franse fiscus gelden echter bij nader inzien toch vertrouwensbeginselachtige beperkingen. Zo schrijft De Vos in haar dissertatie uit 2011 over artikel L80 A en B van het Franse
Livre des procédures fiscales(voetnoten zijn weggelaten): [60]
Maizena,
Krücken,
Agrofermen
Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGenen
Ministru Kabinets. Het is voorstelbaar dat het Hof van Justitie beducht is in dergelijke zaken al te snel een beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren uit een zeker wantrouwen ten opzichte van de lidstaten bij het uitkeren van gelden uit de Unieschatkist aan de eigen onderdanen. [61] Zie in deze zin ook al A-G Stix-Hackl in haar conclusie in de zaak
Elmeka: [62]
Nigl e.a.gelezen dat het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel zonder meer niet aan naheffing van btw/omzetbelasting binnen de verjaringstermijn in de weg staat (alsmede dat het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel niet meer bescherming mag bieden, maar daarop kom ik hierna terug). [65] De redactie van Vakstudie-Nieuws ziet een bevestiging van haar opvatting in het arrest in de zaak
Idealmed III. [66] Naar mijn mening lezen zij deze arresten onjuist.
Nigl e.a.gaat over drie Oostenrijkse maatschappen die in de wijnbouw actief zijn en waarvan de maten ook nog een gezamenlijke kapitaalvennootschap hebben om hun wijn aan de man te brengen. Materieelrechtelijk is ten eerste de vraag of de maatschappen samen één belastingplichtige entiteit zijn of drie afzonderlijke (Hof van Justitie: drie afzonderlijke). De tweede materieelrechtelijke vraag lijkt te zijn of de Btw-richtlijn zich verzet tegen het weigeren van de toepassing van de landbouwregeling aan de drie maatschappen vanwege de economische banden die zij met elkaar hebben en met de genoemde kapitaalvennootschap (Hof van Justitie: nee). [67] Vervolgens rijst de vraag of de Oostenrijkse fiscus over het verleden kan naheffen als hij bij een eerdere belastingcontrole het toepassen van de landbouwregeling heeft geaccepteerd. Daarover overweegt het Hof van Justitie:
Finanzamtom de landbouwregeling toe te passen. Oftewel, dat de feiten en omstandigheden na de toestemming zijn gewijzigd. Het mag daarom niet verbazen dat het Hof van Justitie het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel niet als (mogelijk) beletsel opwerpt voor naheffing over het verleden. [68]
Idealmed III, waarin de redactie van Vakstudie-Nieuws een bevestiging ziet van haar eerder bij de zaak
Nigl e.a.geuite opvattingen. [69] In de volgende overwegingen van het Hof van Justitie over het vertrouwensbeginsel respectievelijk het rechtszekerheidsbeginsel lees ik echter niets dat duidt op een absolute voorrang van een strikte wetstoepassing boven het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel: [70]
Nigl e.a.en
Idealmed IIIbieden geen nieuwe of andere inzichten.
contra legemvaak opgevoerd als een verschil tussen het nationaalrechtelijke en het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Op basis van het voorgaande moge duidelijk zijn dat ik betwijfel of ‘
contra legem’ hier daadwerkelijk moet worden begrepen als ‘in strijd met een strikte wetstoepassing’ of veeleer als ‘duidelijk in strijd met wet- en regelgeving’.
Salomie en Olteanhetgeen voorzichtig en bezonnen is, lijkt te laten afhangen van de omstandigheden van het geval (zie onderdeel 3.12), terwijl nationaalrechtelijk ook wel degelijk een zekere objectivering plaatsvindt. De redactie van Vakstudie-Nieuws heeft in dit verband in diverse commentaren opgemerkt “dat met het [Unierechtelijke] vertrouwensbeginsel in wezen niet anders is bedoeld dan het vertrouwensbeginsel zoals dat in Nederland wordt toegepast”. [71] P.G.M. Jansen spreekt van verschillen van graduele aard. [72] Ook mijn ambtsvoorganger Van Hilten lijkt daarvan uit te gaan. [73]
clairnoch
éclairéis, kan een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie opportuun zijn. Het antwoord zou in deze zaak echter in het midden kunnen blijven als het zou zijn toegestaan het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel conform de jurisprudentie van de Hoge Raad toe te passen, zelfs als daarmee een mate van bescherming wordt geboden die verder gaat dan het Unierechtelijke beginsel vereist.
Ferwerda,
Fromme,
Deutsche Milchkontor Ien in vele andere zaken. [78]
Deutsche Milchkontor Iheeft het Hof van Justitie beslist dat het doeltreffendheidsbeginsel vergt dat ten volle rekening wordt gehouden met het belang van de Unie. [80] In de arresten in de zaken
Steff-Houlberg Exporten
Huberis daaraan op grond van hetzelfde beginsel nog de voorwaarde van goede trouw van de steunontvanger toegevoegd. [81] Dit zou in het kader van de heffing van omzetbelasting hooguit een marginale inperking kunnen betekenen van de mogelijkheden om het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel toe te passen.
Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening, ook wel bekend als de
ESF-zaak, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het Hof van Justitie vrij expliciet gevraagd of het geoorloofd is justitiabelen nationaalrechtelijk meer bescherming te bieden dan is geboden op grond het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. [82] Prechal e.a. menen, als ik het goed zie, dat in het arrest in deze zaak valt waar te nemen dat het Hof van Justitie de teugels strakker aanhaalt: [83]
Deutsche Milchkontor. Vervolgens ontleent het Hof de grenzen die het vereiste van doeltreffendheid aan de toepassing van het nationale vertrouwensbeginsel stelt, aan zijn (strenge) rechtspraak over het Europese vertrouwensbeginsel in onder meer de zaken
Branco tegen Commissieen
Partex tegen Commissie. In deze uitspraken is onder meer uitgemaakt dat een particulier geen beroep kan doen op het Europese beginsel als hij de voorwaarden voor het toekennen van de Europese subsidie niet heeft nageleefd of zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke schending van de Europese regels. De nationale rechter moet - volgens het Hof- aan de hand van het gedrag van partijen bepalen of de 'beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, naar gemeenschapsrecht verstaan' (punt 57) tegen de terugvordering kunnen worden ingeroepen. In het dictum verdwijnt het nationale beginsel geheel uit zicht en stelt het Hof dat 'de nationale rechter de gemeenschapsrechtelijke beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen [kan] toepassen' (punt 58).”
Agrofermheeft A-G Kokott vervolgens betoogd dat lidstaten bij de uitvoering van Unierecht alleen het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel in acht mogen nemen en niet daarnaast ook nog een eigen nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel. Zij wijst op ‘ernstige mededingingsverstoringen tussen de lidstaten’ die het gevolg zouden kunnen zijn van uiteenlopende vertrouwensbeginselen in de lidstaten en het belang van eenheid bij het toepassen van het Unierecht (voetnoten deels weggelaten): [84]
Belgocodex,
Marks & Spenceren
Enel Maritsa Iztokheeft beslist in de zin dat lidstaten in btw-zaken alleen het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel in acht moeten en mogen nemen, en dus geen rekening mogen houden met een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel het eerste daarin inderdaad is overwogen, lees ik daarin niet dat het Unierecht zich principieel ertegen verzet in aanvulling daarop een nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel in acht te nemen dat belastingplichtigen meer bescherming biedt. Het laatste speelde in geen van deze zaken.
ESF-zaak (cursivering CE): [86]
In deze contextmoet aan het vertrouwensbeginsel toepassing worden gegeven overeenkomstig de voorschriften van het recht van de Unie (zie naar analogie arrest Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening e.a., reeds aangehaald, punt 53).”
issueis als in steunzaken. De Afdeling gaat naar de mening van Prechal e.a. daarom te makkelijk van toepasselijkheid van de
Agroferm-jurisprudentie uit in een uitspraak van 13 november 2013. [88] Daarin oordeelt de Afdeling in een zaak over de inbeslagname van planten vanwege het ontbreken van de volgens het Unierecht vereiste invoervergunningen:
zaak Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen, waarin het Hof van Justitie, als in onderdeel 3.20 opgemerkt, strikt is over het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, wordt mogelijk echter toch weer (meer) ruimte geboden voor het toepassen van nationaalrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur: [89]
AB2018/168:
Demmer(HvJ EU 2 juli 2015, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439,
AB2016/377, m.nt. Van den Brink) waarin het Hof ook een soepeler benadering kiest).
Agroferm, maar overeenkomstig de oude Deutsche Milchkontor-lijn, geldt bij toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel dus de procedurele autonomie. Zo laat het Hof ruimte voor toepassing van het nationaal rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op de Agroferm-lijn is dit een merkwaardige wending; daarin werd immers de indruk gewekt dat bij terugvordering van EU-subsidies voor nationale rechtsbeginselen geen plaats meer is.
Melloni/Åkerberg Fransson-jurisprudentie over het bieden van nationaalrechtelijke grondrechtenbescherming die verder gaat dan volgens het Unierecht vereist. [90] Ik zie eigenlijk ook geen overtuigend argument om in de context van algemene beginselen een andere, striktere maatstaf te hanteren. Te betwijfelen valt ook of het Hof van Justitie dat doet. In zijn annotatie in
AB2013/132 bij het arrest in de zaak
Mellonimerkt Widdershoven bijvoorbeeld op dat “de benadering van het Hof van de mogelijkheden om binnen het toepassingsgebied van het Unierecht nog nationale grondrechtenmaatstaven toe te passen, in hoge mate consistent [is] met zijn benadering bij de toepassing van beginselen.”
Melloni/Åkerberg Fransson-jurisprudentie komt het mij voor dat het nationaalrechtelijk honoreren van gewekt vertrouwen door een bewuste standpuntbepaling in zaken over btw slechts in uitzonderingsgevallen niet geoorloofd is. Ik licht dat hierna toe.
Costa/ENELbeslist. [93] De Btw-richtlijn is echter niet rechtstreeks van toepassing op de rechtsverhouding belastingplichtige-inspecteur, omdat zij is gericht tot de lidstaten. [94] Het is op zich zo dat belastingplichtigen bepalingen uit de Btw-richtlijn onder omstandigheden kunnen inroepen tegen de overheid die een richtlijn niet juist of niet tijdig heeft omgezet (verticale rechtstreekse werking), maar dit doet niet eraan af dat door de aard van het instrument richtlijn daaruit niet rechtstreeks verplichtingen voor belastingplichtigen kunnen ontstaan. [95] Daarin verschilt een richtlijn van een verordening.
Herst, over de verhouding tussen de verplichtingen die voortvloeien uit de Btw-richtlijn en het Tsjechische constitutionele beginsel van
in dubio mitius(bij twijfel, uitleg voordeel belastingplichtige): [96]
Belvedere Construzioni, “geen aanzienlijke verschillen in behandeling van de belastingplichtigen en wordt bijgevolg het beginsel van belastingneutraliteit niet geschonden.” [102] En als het beginsel van belastingneutraliteit niet is geschonden, zie ik niet goed in hoe de eenheid van het Unierecht nog in het geding kan zijn door het honoreren van opgewekt vertrouwen overeenkomstig het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel.
Melloni/Åkerberg Fransson-jurisprudentie kan het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel naar mijn mening in omzetbelastingzaken in beginsel gewoon nog verdergaande bescherming aan belastingplichtigen bieden dan overeenkomstig het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel vereist. De beperking zit vooral in het staatssteunverbod.