Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2],
[verweerder 1]
[verweerster 2],
1.Feiten en procesverloop
de villa met garage, tuin en water aan de [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], sectie [...], nummer [001], groot tweeënzeventig are vijf centiare” (hierna:
perceel [001]).
het woonhuis met schuur, ondergrond, erf, tuin, water en verder bijbehoren, staande en gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], sectie [...] nummer [002], groot eenendertig are en vijfendertig centiare” (hierna:
perceel [002]).
de Strook.
in conventie) gevorderd om bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primairin 1992 door de aankoop en levering van het perceel waarin de Strook is begrepen,
subsidiairin 2002 door verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW Pro) en
meer subsidiairin 2012 door bevrijdende verjaring (art. 3:105 BW Pro).
in reconventiegevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
grieven 2-4).
door aankoop en leveringin 1992 eigenaar van de Strook is geworden:
eigendom door aankoop en levering?
zie hierboven onder 1.1-(iii), A-G] zou hebben ontvangen. [eisers] heeft ook op een kaart uit 1832 gewezen en op een ‘planviewer’ en hij heeft aangevoerd dat de door [verweerders] in het geding gebrachte kaarten niet uit 1992 zijn, of door [verweerders] (zelf) zijn bewerkt.
nietachter het ingetekende woonhuis [a-straat 2] doorloopt (anders dan achter de woningen [a-straat 3] - [a-straat 11]): wanneer de getekende zijmuren van woonhuis [a-straat 2] recht worden doorgetrokken, kruisen zij
nietperceel [001]. De grond en het water voor zover dat in die zin recht achter (hierna: recht achter) de woning [a-straat 2] ligt, hoort volgens de kadastrale tekening bij perceel [002]. Daarmee is aan de hand van de leveringsakte en de kadastrale kaart voldoende aannemelijk dat aan [eisers]
nietis geleverd een stuk water of grond recht achter het Woonhuis [a-straat 2] op perceel [002]. Voorshands wijst niets er op dat in 1992 méér dan het kadastrale perceel [001] aan [eisers] is geleverd. De leveringsakte vermeldt immers (alleen) dat kadastrale perceel. [eisers] kan zich dus jegens de eigenaren van perceel [002] niet erop beroepen dat hij door een koopovereenkomst met de (voormalige) eigenaren van perceel [001] en levering op 31 januari 1992 eigenaar van enige strook grond recht achter woning [a-straat 2] is geworden.
zie hierboven onder 1.1-(iv), A-G] is af te leiden dat een strook van de landtong recht achter de woning [a-straat 2] ligt. [eisers] is daarvan niet door koop en levering eigenaar geworden.
binnende kadastrale perceelgrens is aangelegd, dat het gebied bekend staat om haar eilandjes en bijzondere kadastrale grenzen, dat het woonhuis [a-straat 2] met mogelijke uitzicht- en eigendomsrechten in 1992 al gebouwd was en dat wanneer [eisers] het kadaster zou hebben geraadpleegd, hij had kunnen zien dat de Strook niet van hem werd. Hij had er in elk geval niet op mogen rekenen dat hij op eigen terrein recht achter woning [a-straat 2] zou kunnen komen (anders dan achter woningen [a-straat 5] - [a-straat 11]).
nietom de landtong heen loopt, maar over land. De getekende kadastrale perceelgrens is immers recht waar de oeverlijn van de landtong (volgens de tekening van [eisers]) hoeken en afrondingen heeft. [eisers] heeft niet aangevoerd – Iaat staan voldoende onderbouwd: de overgelegde kadastrale kaarten van vóór 1992 tonen voorshands het tegendeel – dat de landtong zich aanvankelijk geheel binnen de kadastrale grenzen van zijn perceel [001] bevond en pas later door aanwas mede achter woning [a-straat 2] terecht is gekomen. Hij heeft integendeel gesteld dat het land vroeger ter plaatse juist
groteris geweest dan heden. Verder kan [eisers] aan de door hem overgelegde kaart uit 1832 voorshands geen eigendomsrecht op de Strook ontlenen, reeds omdat het gebied waar nu de percelen [002] en [001] liggen, toen (volgens die kaart uit 1832) nog niet was verkaveld, de huidige woonhuizen daarop niet zijn aangeduid en er water tot aan de (huidige) [a-straat] is getekend waar thans land is. Dat de vorige eigenaar van perceel [001] de hele landtong aan [eisers] te koop zou hebben aangeboden, kan [eisers] – wat daar verder van zij – niet aan [verweerders] tegenwerpen. Een eigenaar kan immers alleen zijn eigen grond leveren, geen grond van de buren.
deze laatste overweging zal bedoeld zijn als rov. 4.8en wordt in het vervolg ook als zodanig aangeduid; waar hieronder naar rov. 4.6 wordt verwezen, wordt de hierboven als eerste vermelde rov. 4.6 bedoeld, A-G]
door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW Prona tien jaar (in 2002) eigenaar van de Strook is geworden, overwoog het hof als volgt:
verkrijgende verjaring door tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw?
door bevrijdende verjaring op de voet van art. 3:105 lid 1 jo Pro. 3:306 BWna twintig jaar (in 2012) eigenaar van de Strook is geworden:
eigendom door bevrijdende verjaring?
overige grieven van [eisers]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
toelichting(‘uitwerking’) wordt onder meer nog aangevoerd dat het kadastraal uittreksel en de kadastrale kaart geen onderdeel vormen van de openbare registers als bedoeld in art. 3:23 BW Pro en dat voor het bestaan van goede trouw dan ook niet (zonder meer) wordt verlangd dat deze kaarten geraadpleegd worden; dat aan kadastrale kaarten überhaupt geen (exacte en/of beslissende) bepaling van perceelsgrenzen mag worden ontleend, zeker niet in dit geval, waarbij het veldwerk uit 1886 dateert [4] ; en dat een aan water gelegen perceel bovendien als gevolg van aanwas of afslag enigszins kan zijn toegenomen of ingekrompen, omdat de erfgrens van een aan de oever liggend perceel zich met de oeverlijn verplaatst.
(a)rov. 4.4-4.8 (over de vraag of [eisers] door aankoop en levering in 1992 reeds eigenaar van de Strook is geworden) en
(b)rov. 5 (over de vraag of [eisers] door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW Pro na tien jaar – in 2002 – eigenaar van de Strook is geworden).
(a). Daarbij maak ik een opmerking vooraf.
rechtsvoorgangervan [eisers] niet reeds door verjaring eigenaar van de Strook was geworden vóór de verkrijging door [eisers] van perceel [001] door aankoop en levering in 1992; het heeft althans die mogelijkheid niet onderzocht. Dat zou immers op zichzelf een grond kunnen zijn om de verkrijging door aankoop en levering in 1992 van (ook) de Strook door [eisers] op te baseren. Deze grond is door [eisers] overigens ook niet als zodanig aangevoerd. Ook de rechtbank heeft deze mogelijkheid niet beoordeeld; over dit punt is in hoger beroep vervolgens niet gegriefd, en het zou derhalve – voor zover al gezegd kan worden dat het cassatiemiddel dit beoogt te doen – niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld.
(d)e peildatum in deze” 1992 is [7] ). Er zijn dan ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarop een dergelijke (ambtshalve toepassing van de) verkrijging door verjaring had kunnen (en moeten) worden gegrond: geen stellingen die betrekking hebben op het eventuele bezit van een rechtsvoorganger, de duur van dat bezit en de vraag of dit wel of niet te goeder trouw was; althans wordt in het cassatiemiddel niet verwezen naar vindplaatsen van stellingen waarbij dergelijke feiten en omstandigheden zouden zijn aangevoerd. [8] Daarbij teken ik nog aan dat onder het vóór 1992 geldende burgerlijk recht de op bevrijdende verjaring volgende verkrijging door een bezitter niet te goeder trouw – zoals die tegenwoordig in art. 3:105 BW Pro is opgenomen – niet bestond.
(a)of [eisers] door aankoop en levering in 1992 eigenaar van de Strook is geworden, is
nietvan belang of [eisers]
te goeder trouwwas (en evenmin of hij daarvan het
bezitheeft verkregen). Het gaat hier immers (nog) niet om beoordeling van de mogelijkheid dat [eisers] door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW Pro eigenaar van de Strook is geworden. En van een verkrijging te goeder trouw kan in geval van onroerende zaken slechts sprake zijn ingevolge art. 3:88 BW Pro, welke bepaling op de voorliggende situatie niet van toepassing is.
omvangis van kadastraal perceel [001], meer in het bijzonder of de Strook hiervan (in 1992) onderdeel uitmaakt(e). Dit perceel – met daarop de villa met garage, tuin en water aan de [a-straat 1] te [plaats] – is immers hetgeen aan [eisers] in 1992 door zijn rechtsvoorganger is geleverd (aldus het hof in rov. 4.4). In de notariële akte van levering werd het te leveren goed ter individualisatie aangeduid door middel van het kadastrale perceelnummer [001], en de feitelijke omschrijving is daarmee ook niet in strijd (zie hierboven bij 1.1 onder (i)). Het is niet ondenkbaar dat met de overeenkomst tussen [eisers] en diens rechtsvoorganger was bedoeld de gehele landtong te verkopen, maar als een deel van die landtong niet tot perceel [001] behoort (en ook niet door verjaring of anderszins eigendom van de rechtsvoorganger is geworden), kan dat – zélfs als geoordeeld zou worden dat dat deel ook in de omschrijving van het geleverde in de leveringsakte geacht moet worden te zijn begrepen, in afwijking van de aanduiding van het geleverde met het kadastrale perceelnummer – door de rechtsvoorganger bij gebrek aan beschikkingsbevoegdheid niet rechtsgeldig in 1992 aan [eisers] zijn overgedragen (zie rov. 4.7 slot). Ook van een directe verkrijging door [eisers] te goeder trouw kan, als gezegd, hier geen sprake zijn geweest. De grenzen van de hier (rechtsgeldig) aan [eisers] overgedragen eigendom vallen derhalve samen met de grenzen van het kadastrale perceel.
opde landtong staande oranje markeringen dienovereenkomstig op de erfgrens zijn geplaatst) (rov. 4.5);
(b), of [eisers] door verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW Pro na tien jaar – in 2002 – eigenaar van de Strook is geworden. Ter beantwoording van deze vraag heeft het hof in rov. 5 onderzocht of [eisers] – er veronderstellenderwijs van uitgaand dat hij het bezit uitoefende over de Strook – in dat geval
te goeder trouwkan worden geacht. Het hof heeft geconcludeerd dat dit niet het geval was, en dat er dus geen sprake kon zijn van verkrijging door verjaring op grond van art. 3:99 BW Pro. Daartoe heeft het hof overwogen dat [eisers] zich redelijkerwijs niet als eigenaar van grond en water achter de woning [a-straat 2] mocht beschouwen, omdat hij
met de leveringsakte bij raadpleging van de registers had kunnen zien dat de perceelsgrens niet anders was dan zoals op de kadastrale kaart, weergegeven in rov. 1.3 (zie hierboven onder 1.1-(iii)).
bezitvan de Strook door [eisers] zijn hier derhalve (nog) niet relevant, omdat het hof in rov. 5 (nog) niet aan de beoordeling van dat bezit is toegekomen. [10] Het heeft de hier aan de orde zijnde vraag afgedaan op het ontbreken van de goede trouw. Die klachten falen dus.
dathij deze kadastrale kaart zou raadplegen bij zijn aankoop van perceel [001] in 1992, waarvan het hof in zijn oordeel in rov. 5 kennelijk uitgaat.
bezitvan de Strook heeft verkregen. Naar hieronder zal blijken (2.43 e.v.), wordt dit oordeel in cassatie tevergeefs bestreden. Daarmee is ook geen plaats voor verkrijging op grond van art. 3:99 BW Pro. De klachten falen derhalve bij gebrek aan belang.
feitelijke (en natuurlijke) situatie ter plaatseten tijde van de verkoop en levering aan [eisers]
overdracht(rov. 4.1-4.8) heeft het hof zowel de grenzen van het geleverde kadastrale perceel [001] als de ligging van de in geschil zijnde Strook vastgesteld aan de hand van de hierboven onder 2.9 genoemde gegevens. Daarbij heeft het de feitelijke situatie ter plaatse niet miskend, in die zin dat het onder andere de feitelijke uitmeting ter plaatse door Geoservice B.V., de daarover door partijen ingenomen stellingen, en de door [eisers] zelf gemaakte schets van de feitelijke situatie ter plaatse in zijn overweging heeft betrokken. De in het middel aangegeven feitelijke situatie ter plaatse – kort gezegd: (het gebruik van) de gehele landtong als organisch geheel met natuurlijke grenzen – behoeft echter niet doorslaggevend te zijn voor de vaststelling van de daadwerkelijke omvang van een kadastraal perceel. Het hof heeft daarvoor terecht veel belang gehecht aan de kadastrale kaart (zie ook reeds hierboven onder 2.10). Het feit dat een landtong één doorlopend natuurlijk en door water omgeven geheel vormt, zegt op zichzelf nog niets over de vraag of het hier ook (slechts) om één kadastraal perceel gaat dat (slechts) één onroerende zaak c.q. eigendomsrecht constitueert.
verjaring. Dat het hof bij de beoordeling van de goede trouw vereist voor verkrijgende verjaring in de zin van art. 3:99 BW Pro in rov. 5 heeft verzuimd de feitelijke situatie (voldoende) in aanmerking te nemen, is reeds hiervoor in 2.15 geconstateerd. Daarbij kan ook van belang zijn dat de landtong één doorlopend natuurlijk en door water omgeven geheel vormt.
te goeder trouwheeft verkregen (nu hij meende en mocht menen dat deze in de overdracht begrepen was). Het hof had aan de hand van alle omstandigheden van het geval moeten onderzoeken of [eisers] in 1992, toen hij het perceel kocht, de Strook te goeder trouw heeft verkregen.
onderdeel VIIIgaat het hof in rov. 4.4 bovendien uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover naar zijn oordeel de vraag of [eisers] per 31 januari 1992 eigenaar was geworden van (ook) de Strook, moet worden beantwoord door de getekende zijmuren van het woonhuis van [verweerders], met nummer [a-straat 2], rechtdoor te trekken, nu geen rechtsregel dit met zich brengt. Als het hof dit niet miskent, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom naar het oordeel van het hof in rov. 4.4 mede aan de hand van het doortrekken van de in de kadastrale kaart opgenomen zijmuren van woonhuis [a-straat 2] moet worden vastgesteld of [eisers] op 31 januari 1992 de eigendom verkreeg van de Strook. Bij het slagen van één van de voorgaande klachten kunnen ook rov. 4.5, 4.6, 4.7, 4.8 en 5 niet in stand blijven, aldus het onderdeel.
uit overgelegde foto’s en de door [eisers] gemaakte situatieschets, weergegeven in rov. 1.4(zie hierboven onder 1.1-(iv), A-G),
is af te leiden dat een strook van de landtong recht achter woning [a-straat 2] ligt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat zulks niet uit de in het geding gebrachte foto’s en de situatieschets kan worden opgemaakt, in het bijzonder niet uit de van planviewer afkomstige afbeeldingen, waarop [eisers] zich (onder meer) in de appeldagvaarding beriep. [19] Als het hof van andere in het geding gebrachte kaarten is uitgegaan, maakt het niet duidelijk waarom het daaraan kennelijk meer gewicht toekent dan aan voormelde schermafbeeldingen van planviewer, waarmee het oordeel de vereiste motivering mist. Dit geldt temeer indien het hof hierbij is uitgegaan van de door [verweerders] als productie 4 bij eis in reconventie in het geding gebrachte afbeelding, welke kaart, naar [eisers] heeft aangevoerd, niet alleen van (aanzienlijk) later datum is dan 31 januari 1992, maar bovendien slechts toegankelijk voor professionals, dus voor hem in 1992 niet was te verkrijgen.
had kunnen zien dat de Strook niet van hem werd”. Aangevoerd wordt dat de kadastrale kaart niet beslissend is voor de vaststelling van de perceelsgrenzen.
een grens die over land is getrokken niet verplaatst als een nabij gelegen oeverlijn aanwast”. Volgens het onderdeel schuift de grens van een erf juist van rechtswege op als de oeverlijn van een stuk land – die zoals in casu de eigendomsgrens vormt tussen een perceel land en een perceel water – als gevolg van natuurlijke aanwas opschuift (verder het water in). Het subsidiaire standpunt van [eisers] in feitelijke instantie luidde dat nu de oeverlijn van de landtong de eigendomsgrens vormt tussen beide percelen, de eigendomsgrens met de aanwas enigermate richting [verweerders] is opgeschoven. [24] Ook hier neemt het hof de kadastrale kaart tot uitgangspunt. Mochten de klachten in cassatie van [eisers] tegen de betekenis die het hof voor de beoordeling van het onderhavige geschil aan de kadastrale kaart toekent, opgaan, dan kan ook het oordeel over het beroep op aanwas niet in stand blijven, aldus het onderdeel.
niet[heeft]
aangevoerd – laat staan voldoende onderbouwd: de overgelegde kadastrale kaarten van vóór 1992 tonen voorshands het tegendeel – dat de landtong zich aanvankelijk geheel binnen de kadastrale grenzen van zijn perceel [001] bevond en pas later door aanwas mede achter woning [a-straat 2] terecht is gekomen”. Het betoog uit het onderdeel over het verschuiven van de erfgrens moge juist zijn, maar de stelling in het onderdeel dat het (subsidiaire) standpunt van [eisers] in feitelijke instantie inhield dat de eigendomsgrens met de aanwas enigermate richting [verweerders] is opgeschoven en derhalve voorheen wel met de oeverlijn samenviel en daarmee nadien ook van rechtswege is verplaatst, mist feitelijke grondslag. Een dergelijk standpunt is in de in het onderdeel genoemde vindplaatsen in feitelijke instantie – daargelaten de vraag of dit in die instantie tijdig zou zijn ingenomen – niet terug te vinden. Integendeel, is daar – zoals ook het hof in rov. 4.7 overweegt – de stelling te vinden dat het land vroeger ter plaatse juist
groteris geweest dan heden, respectievelijk de stelling dat de oever van perceel [001] in 1943 al op het punt was waar die in 1992 was en nu is (hetgeen lijkt te impliceren dat in het geheel geen verschuiving heeft plaatsgevonden). Het onderdeel faalt derhalve.
onderdeel III. Dat is gericht tegen rov. 6.2, één van de overwegingen waarin het hof – in het kader van de (meer subsidiair) gestelde verkrijging op grond van art. 3:105 lid 1 BW Pro na twintig jaar (in 2012) – beoordeelt of [eisers]
bezittervan de Strook is geworden, en tot de conclusie komt dat dit niet het geval is. Het onderdeel klaagt dat het hof daarbij rechtens onjuiste maatstaven heeft gebruikt.
Betreden van het naast het eigen perceel gelegen grond voor enig snoeiwerk aan ‘wilde’ beplanting is onvoldoende voor inbezitneming van deze grond.’”
de naast het eigen perceel gelegen grond”, omdat bij het slagen van eerdere klachten deze grond ook aan [eisers] zou toebehoren – vooral een kwestie van semantiek, en derhalve zonder belang voor de vraag of [eisers] wel of niet bezitter van de Strook is geworden.
snoeien, en zo ja hoeveel,
niet van belangis voor de voor bezit vereiste eigendomspretentie. Die opvatting is echter niet in strijd met het oordeel van het hof dat enig snoeiwerk aan ‘wilde’ beplanting (en het daartoe betreden van de grond) in ieder geval onvoldoende is voor inbezitneming van die grond, zodat ik hierin geen daadwerkelijke klacht tegen dat oordeel kan ontwaren.
subonderdeel IIId, dat klaagt dat de mate en/of regelmaat van
onderhoudniet (mede) beslissend zijn voor het bezit. En eveneens voor
subonderdeel IIIe, dat onbegrijpelijk acht dat het hof in het onderhavige geval – waarin sprake was van een met beschoeiing en golfbrekers afgekaderde landtong, die één geheel vormt en slechts over water door anderen kan worden bereikt – (mede) beslissend heeft geacht of enig, of veel, snoeiwerk zou plaatsvinden.
aanwezigheidvan beplanting op de Strook reeds een bezitspretentie kan uitgaan.
Subonderdeel IIIcbevat een hierop aansluitende motiveringsklacht.
op de landtong, maar of dat onderhoud ook tot bezit van [eisers]
van specifiek de hier in het geding zijnde Strookheeft geleid. Het hof heeft geoordeeld van niet. Dat het hof daarbij is uitgegaan van “
enig snoeiwerk” op de Strook, acht ik niet onbegrijpelijk, althans niet op grond van de hier door het subonderdeel aangehaalde feitelijke vindplaatsen. Daar vind ik immers slechts op één plek (in de aanvullende verklaring van hovenier Dickhoff [28] ) iets over het aantal dagen per week dat het onderhoud
op de landtongbesloeg, en niets over de precieze werkzaamheden die daar dan werden verricht. Hij verklaart daar: “
Alle jaren zijn wij 1 tot 2 dagen per week op het perceel. Wij maken wekelijks een rondgang. Ook langs het water achter de tennisbaan.” In de eerdere verklaring van de hovenier [29] , waarnaar het subonderdeel overigens niet verwijst, lees ik alleen iets over het snoeien van bomen en struiken op “
het terrein van ‘[de villa]’”. Met de [de villa] wordt – aldus [eisers] in nr. 9 van de inleidende dagvaarding – de villa met garage, tuin en water aan de [a-straat 1] op perceel [001] bedoeld en/of – zoals het hof in rov. 6.1 overweegt – kennelijk ook de landtong. Daar komt bij dat over de lengte tussen de Strook en de tennisbaan op de landtong door [eisers] een groen hekje was geplaatst [30] en dat – zoals het hof in rov. 6.2 nog overweegt – de door Geoservice B.V. geplaatste oranje grensmarkeringen pas vele maanden later zijn opgemerkt, nadat [verweerders] daarop had gewezen. Het blijft dus – op basis van de stellingen op de genoemde vindplaatsen – nogal onduidelijk welk en hoeveel onderhoud op de Strook werd verricht door de hoveniers van [eisers] In het licht van dit alles acht ik, als gezegd, niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6.2 is uitgegaan van (slechts) “
enig snoeiwerk” op de Strook.
voortsdat het hof in de hierboven geciteerde overweging spreekt van ‘wilde’ beplanting.
Subonderdeel IIIgvult aan dat die term ‘wilde’ beplanting onbegrijpelijk is, nu er van moet worden uitgegaan dat het gehele jaar door twee maal per week door twee tuinmannen onderhoud plaatsvond aan de tuin dan wel de gehele landtong, en daarmee ook aan de Strook. Met ‘wilde’ beplanting wordt gedoeld op woeste (althans niet gecultiveerde of onderhouden) natuur. Er zijn in Nederland duizenden hectares grond die bestaan uit niet onderhouden bos, heide of vennen, die wellicht zijn aan te merken als ‘wild’, maar daarmee nog niet (zonder meer) als bezitloos.
Subonderdeel IIIhklaagt nog dat voor het antwoord op de vraag of [eisers] het onafgebroken bezit van de Strook heeft gehad niet van (mede) bepalend belang is of de beplanting ‘wild’ is. Als het hof dat niet zou hebben miskend, dan is volgens
subonderdeel IIIionvoldoende gemotiveerd waarom dit (mede) bepalend is, nu de landtong één doorlopend geheel vormt, de oever een natuurlijke grens vormt en de landtong (en de Strook) voor anderen slechts over water te bereiken is.
verdernog gericht tegen de volgende overweging uit rov. 6.2:
Bovendien blijkt uit niets dat de Strook, die wild begroeid achter de tennisbaan ligt, meer dan incidenteel werd onderhouden.”
enig snoeiwerk”. Enig of incidenteel, het is rechtens niet relevant.
ten slottetegen de volgende overweging uit rov. 6.2:
Subonderdeel IIIjherhaalt dat hiervan naar verkeersopvatting wel een bezits- c.q. eigendomspretentie kan uitgaan. Volgens
subonderdeel IIIkgeeft het oordeel bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof het ‘dagelijks wandelen’ over de Strook (evenals de overige hier genoemde omstandigheden, namelijk de aanwezigheid van ‘wilde’ beplanting en de uitvoering van ‘enig snoeiwerk’) op zichzelf beschouwt en niet in samenhang met de overige daartoe gestelde omstandigheden, te weten: dat het één aaneengesloten en doorlopende landtong betreft, door water gescheiden van de overige erven (waaronder dat van [verweerders]) en dat [eisers] dit heeft laten omheinen met op zijn kosten aangebrachte beschoeiing en golfbrekers. Het hof had deze omstandigheden in onderling verband en samenhang moeten beoordelen. Al zou niet dagelijks, maar incidenteel zijn gewandeld, dan zou dit in onderling verband en samenhang met overige omstandigheden een bezitsdaad kunnen opleveren.
zelfs als er veronderstellenderwijs vanuit zou worden gegaan dat deze werkzaamheden zonder overleg met de toenmalige eigenaren van perceel [002] hebben plaatsgevonden en [eisers] nadien nog op de Strook heeft gewandeld en daar onderhoud heeft doen plegen”) en in rov. 7 (“
Zoals hiervoor is aangegeven kan dat niet door het stellen van wandelen, groen-onderhoud en aanleggen van nieuwe beschoeiing met een grondophoging in 1997 of daarna.”). Ik teken daarbij nog aan dat het mijns inziens nog maar de vraag is of bij de aanleg van beschoeiing langs de landtong en van golfbrekers in het water – bedoeld als bescherming van de grond tegen (afkalving door) het water [34] – gesproken kan worden van een ‘omheining’ – zoals het subonderdeel doet – en dat de omstandigheden dat het één aaneengesloten en doorlopende landtong betreft, door water gescheiden van de overige erven, waaronder dat van [verweerders], mijns inziens geen omstandigheden zijn die kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van bezit, althans de aan dat bezit te stellen eisen (wezenlijk) kunnen verlagen. Deze omstandigheden kunnen, zoals in het voorgaande (zie 2.19 hierboven) al aan de orde is geweest, een rol spelen bij de vraag naar de goede trouw van [eisers], maar dat is een andere kwestie.
geen bezitheeft verkregen van de Strook.
ten eerstedat [eisers] heeft aangevoerd dat zijn rechtsvoorganger de gehele landtong, inclusief de Strook, in bezit had. Op de vele vindplaatsen waarnaar het hiervoor verwijst, vind ik deze stelling nergens terug. Steeds wordt in zijn stellingen slechts aangevoerd dat er sprake was van bezit sinds zijn eigen verkrijging van perceel [001] in 1992 (zie ook reeds hierboven onder 2.6).
onderdeel XVII,
onderdeel XVIIIen
onderdeel XX, aangevuld met nog enkele passages uit de
onderdelen I en II [35] die in feite ook betrekking hebben op dit onderwerp. Samengevat bevatten deze onderdelen de onderstaande klachten, gericht tegen rov. 6.4 en 6.5:
zelfs als er veronderstellenderwijs vanuit zou worden gegaan dat deze werkzaamheden zonder overleg met de toenmalige eigenaren van perceel [002] hebben plaatsgevonden en [eisers] nadien nog op de Strook heeft gewandeld en daar onderhoud heeft doen plegen”) en in rov. 7 (“
Zoals hiervoor is aangegeven kan dat niet door het stellen van wandelen, groen-onderhoud en aanleggen van nieuwe beschoeiing met een grondophoging in 1997 of daarna.”) Ik voeg hieraan, mede gelet op de in 2.57 samengevatte klachten, nog enkele opmerkingen toe.
door een andervereist. Evenmin treedt bezitsverlies in door het enkele feit dat hij zijn grond slechts over water kan bereiken (en een ander zijn grond als enige wel over – diens eigen – land kan bereiken), door het feit dat zijn grond gelegen is op een landtong die voor het overige aan een ander toebehoort, of door het feit dat zijn stuk grond aan water grenst, dat een natuurlijke afgrenzing vormt tussen zijn stuk grond aan de ene kant van het water, en een ander stuk hem toebehorende grond aan de andere kant van het water. Bezitsverlies vindt ook niet plaats op grond dat er geen aanwijzingen zijn dat een strook grond
nietbij een ander perceel hoort; het gaat erom dat er ondubbelzinnige en naar buiten toe kenbare aanwijzingen in het gedrag van de ander en/of de feitelijke situatie besloten liggen dat dit wél zo is. Daarvoor is enkel de ligging of bereikbaarheid over land van een stuk grond steeds onvoldoende. Ook dit alles tezamen is geenszins voldoende voor eigendomsverlies. Het gaat mijns inziens ten slotte ook niet om omstandigheden die de aan bezit te stellen eisen (wezenlijk) kunnen verlagen.
mogelijkgeweest. De vraag is nu of die machtsuitoefening er ook daadwerkelijk was, en wel zodanig dat van
bezitvan de Strook kan worden gesproken.