Conclusie
[eiser 2]) en verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]) zijn broer en zus. Hun vader, [de vader] , is overleden op 27 maart 2013. Op enig moment was [de vader] voornemens zijn bedrijf [A] Holding B.V. (hierna:
[A]) over te dragen aan [eiser 2] . Daartoe heeft [de vader] certificaten van alle geplaatste gewone aandelen in [A] overgedragen aan eiseres tot cassatie sub 1 (hierna:
Normanco), waarin [eiser 2] alle aandelen heeft en waarvan hij enig bestuurder is ( [eiser 2] en Normanco worden hierna tezamen aangeduid als:
Normanco c.s.). Daarnaast verkreeg Normanco een optierecht om de certificaten van de overige, cumulatief preferente aandelen in [A] te kopen voor een bepaalde prijs (verder ook:
de call optie). Tevens ging [eiser 2] een bestuursfunctie binnen de Stichting Administratiekantoor [A] (hierna:
STAK) bekleden. Tussen [de vader] en [eiser 2] zijn verschillen van inzicht ontstaan over de wijze waarop [A] bestuurd moest worden. Zij hebben toen onderhandeld (zonder overeenstemming te bereiken) over teruglevering van de certificaten van de gewone aandelen en afkoop van de call optie. [de vader] heeft in zijn testament zijn echtgenote (hierna:
[betrokkene 1]), tevens de stiefmoeder van [eiser 2] en [verweerster] , tot zijn enige erfgename benoemd. Na het overlijden van [de vader] is tussen [eiser 2] , Normanco en [verweerster] , allen bijgestaan door dezelfde advocaat, enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds onderhandeld over een totaaloplossing voor een aantal tussen hen gerezen geschillen. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 17 maart 2014 tussen deze vier partijen. Na het sluiten van de vaststellingovereenkomst is een geschil ontstaan tussen [verweerster] enerzijds en Normanco c.s. anderzijds over vraag hoe ‘de opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst moest worden verdeeld.
1.Feiten en procesverloop
[betrokkene 6]) aan [eiser 2] en [verweerster] onder meer het volgende bericht:
[betrokkene 7]) benoemd om het onderzoek te verrichten.
[betrokkene 10]), adviseur van [betrokkene 1] , aan [betrokkene 7] , [betrokkene 6] en [betrokkene 11] [4] , doorgestuurd door [betrokkene 6] aan [eiser 2] en [verweerster] , staat onder meer:
“Namens en voor mijn cliënten”aan [betrokkene 11] , [betrokkene 7] en [betrokkene 10] per e-mail “een (eerste) antwoord” gestuurd op het hiervoor (onder 1.1-(xviii)) bedoelde voorstel van [betrokkene 10] van 15 oktober 2013. Op 30 oktober 2013 heeft [betrokkene 11] hierop gereageerd, waarop [betrokkene 6] een concept antwoord aan [verweerster] en [eiser 2] heeft gemaild dat onder meer luidt:
“Concept; mee eens? Goede weg?”:
1.100% schikking ‘Simpel& Snel’
2.100% Call Optie
3.Combinatie Schikking en Call Optie
”.
Helaas geen nieuws dus”, waarop [eiser 2] antwoordde: “
ok [betrokkene 6] , de vaart lijkt er helaas nu wel een beetje uit”. Hierop schreef [verweerster] diezelfde dag in een e-mail aan [eiser 2] :
[a-straat 1-2]), welke onroerende zaak in eigendom toebehoorde aan één van de vennootschappen binnen het concern van [A] . Alle aanhangige procedures (waaronder procedures bij de Ondernemingskamer) moesten op grond van de vaststellingsovereenkomst worden beëindigd. [eiser 2] en [verweerster] , die op enig moment ook bestuurslid van een STAK van [A] was geworden, dienden af te treden als bestuursleden van de STAK en/of stichting Calm. Daarnaast diende [betrokkene 1] een bedrag van € 248.000,- aan [eiser 2] , Normanco en [verweerster] gezamenlijk te betalen ter afkoop van al hun overige vorderingen. [eiser 2] en [verweerster] zagen af van alle eventuele claims die zij meenden te hebben op (delen van) de nalatenschap van [de vader] . Artikel 10 van Pro de vaststellingsovereenkomst luidt:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
grieven I tot en met IVleggen aan het hof de vraag voor of tussen [eiser 2] , Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen strekkende tot verdeling bij helfte van de ‘opbrengst’ van de vaststellingsovereenkomst.
ten eerste– althans zo meen ik het subonderdeel te moeten begrijpen – dat de in het subonderdeel weergegeven omstandigheden (a) tot en met (e), waarop het hof zich volgens het subonderdeel heeft gebaseerd, het oordeel van het hof niet kunnen dragen, ook niet in onderling verband bezien. [22]
op grond van de gedragingen en verklaringen van [eiser 2]zoals die blijken uit de overgelegde en in rov. 2 – onbestreden – weergegeven correspondentie gerechtvaardigd op de totstandkoming van een overeenkomst met deze inhoud heeft mogen vertrouwen.
ook uit correspondentie zijdens [eiser 2] aan de advocaat van partijen die hen beiden in de onderhandelingen bijstond, zou volgen dat [eiser 2] uitging van een verdeling van de opbrengst conform een erfrechtelijke verdeling, derhalve bij helfte” is als zodanig niet in rov. 3.6 van het bestreden arrest terug te vinden. Mogelijk is bedoeld te verwijzen naar de hiervoor onder 2.7 genoemde omstandigheden (J) en (L). Ook indien daarvan wordt uitgegaan, miskent het subonderdeel dat het oordeel van het hof op méér omstandigheden is gebaseerd dan uitsluitend de in het subonderdeel genoemde.
tweedeplaats dat oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6 onbegrijpelijk is “
in het licht van het navolgende”. [35]
“het oordeel van het hof in rov. 3.5 en 3.6”onbegrijpelijk is
“in het licht van het navolgende”, waarna het een en ander naar voren wordt gebracht over het verschil tussen posities van partijen en de onderhandelingen met [de vader] respectievelijk diens weduwe [betrokkene 1] .
tevensheeft geconstateerd dat reeds vóór het overlijden van [de vader] een erfrechtelijke verdeling voor beiden voorwerp van onderhandelingen is geweest, waaraan door het plotselinge overlijden van [de vader] een voorlopig einde kwam. Deze overweging als zodanig is in cassatie niet bestreden.
omstandigheid (a)dat [eiser 2] en [verweerster] in de onderhandelingen met [betrokkene 1] gezamenlijk zijn opgetrokken (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (A), toev. A-G) nog niet mee dat op grond daarvan zou moeten worden geoordeeld dat de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst met [betrokkene 1] bij helfte zouden moeten worden gedeeld.
de inzet van de onderhandelingen steeds gericht was op het bereiken van een regeling met betrekking tot de zakelijke aspecten van de zaak, zodat de revenuen ook (met name) daarop betrekking hebben” – daargelaten of die stelling is ingenomen in de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen – in rov. 3.5 en 3.6 besloten. In rov. 3.6 is het hof immers op basis van de (onbestreden) feitenvaststellingen in rov. 2 tot het tegengestelde oordeel gekomen. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
omstandigheid (b)dat de erfrechtelijke aspecten van deze zaak ook voor het overlijden van [de vader] al onderwerp van gesprek waren (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (B), toev. A-G). Ook deze omstandigheid laat immers onverlet dat het zwaartepunt van de onderhandelingen met [betrokkene 1] zag op de financiële gevolgen van de ontvlechting van Normanco (en [eiser 2] ) en het [A] concern, aldus de klacht.
omstandigheid (c)dat sinds het najaar van 2013 een (fictief) erfrechtelijke basis werd gekozen voor de gevoerde schikkingsonderhandelingen (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (C), toev A-G) ook nog niet maakt dat de opbrengsten uit die onderhandelingen door [eiser 2] en [verweerster] bij helfte zouden moeten worden verdeeld. Daartoe betoogt de klacht – onder verwijzing naar vindplaatsen – dat deze fictieve erfrechtelijke basis een “hulpmiddel” was om uiteindelijk op een schikkingsbedrag uit te komen. [42] De fictieve erfrechtelijke benadering had dan ook alleen een “externe werking” richting [betrokkene 1] ; in de verhouding tussen [eiser 2] en Normanco enerzijds en [verweerster] anderzijds heeft zij geen wijziging gebracht. [43]
omstandigheid (d)dat niet in geschil is dat de erfrechtelijke route een gelijke verdeling tussen broer en zus inhoudt (zie hiervoor, onder 2.7, omstandigheid (G), toev. A-G), de beslissing van het hof niet dragen. Daartoe wordt aangevoerd dat Normanco c.s gesteld hebben dat deze benadering slechts externe werking had.
omstandigheid (e)) dat uit de eigen correspondentie van [eiser 2] volgt dat ook hij uitging van verdeling van de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst bij helfte. Daartoe verwijst de klacht naar “
de aangevoerde stellingen” in de memorie van grieven, par. 68, 80, 84 en 85, alsmede “
producties 40, 46 en 48”. Het hof heeft deze volgens de klacht als essentieel aan te merken stellingen niet, althans niet kenbaar, in zijn oordeel, betrokken. Ook in zoverre is de beslissing van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus de klacht.
eersteklacht houdt in dat in het licht van “de hiervoor aangehaalde stellingen van de zijde van [eiser 2] en Normanco” zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het hof ervan uitgaat dat in de oorspronkelijke opzet de opbrengsten uit de vaststellingsovereenkomst gelijkelijk zouden worden gedeeld tussen partijen, waarbij wordt verwezen naar hetgeen in subonderdeel 1.1 is opgemerkt. [45]
volgendeklacht berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat [eiser 2] en Normanco beoogd hebben te stellen dat sprake zou zijn van een
koerswijzigingsinds de bespreking van 10 december 2013. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat in de stellingen van [eiser 2] en Normanco een dergelijke koerswijziging niet te lezen valt. Integendeel, hetgeen zij hebben gesteld met betrekking tot datgene dat tijdens de bespreking op 10 december 2013 aan de orde is gesteld en nadien ook is gehandhaafd, is geheel in lijn met het daarvoor reeds geldende uitgangspunt dat onderhandeld werd over de afkoop van de call optie door [betrokkene 1] en de teruglevering van de certificaten op de gewone aandelen in [A] , aldus de klacht. [46]
gestelde koerswijziging”, is dat een kwalificatie van het hof zelf, die ermee verband houdt dat het hof eerder, in rov. 3.6, heeft vastgesteld dat het in ieder geval
totaan de bespreking van 10 december 2013 de bedoeling van partijen was om de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst gelijk te verdelen. Het tijdens de bespreking op 10 december 2013 alsnog – “
in weerwil van de tot dusverre gevoerde uitgangspunten” –omarmen van het uitgangspunt dat [verweerster] geen of een (veel) geringere aanspraak op verdeling zou hebben, is dan in de niet onbegrijpelijke beleving van het hof een koerswijziging.
terzake in feitelijke aanleg voldoende concrete stellingen (en onderbouwing daarvan) naar voren [hebben] gebracht”.
ten eerstedat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof met dit oordeel heeft miskend dat uitgangspunt is dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien voldoende specifiek bewijs is aangeboden van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens Normanco c.s. hebben zij in par. 267 tot en met 271 van de memorie van grieven dergelijk specifiek bewijs aangeboden.
vervolgtmet de (subsidiaire) motiveringsklacht dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de feiten waarvan bewijs is aangeboden “zeer nauw verband houden” met het oordeel van het hof (i) dat [verweerster] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand was gekomen op grond waarvan zij aanspraak had op de helft van de revenuen uit de vaststellingsovereenkomst en (ii) dat sprake was van een – door het hof ten onrechte aangenomen – koerswijziging vanaf 10 december 2013.
dat er op of omstreeks 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen” heeft geen betrekking op een concreet onderliggend feit, maar op een kwalificatie.
besproken is dat het voorstel zag op de afkoop van de call optie en dat het pand aan de [a-straat] (uitsluitend) aan Normanco c.s. zou toekomen” (par. 269) voert niet noodzakelijkerwijs tot de gevolgtrekking dat naar de bedoeling van partijen aan [verweerster]
nietde helft van de opbrengst van de vaststellingsovereenkomst (die naar ’s hofs vaststelling meerdere aspecten besloeg (rov. 2.56)) zou toekomen. Dat op 10 december 2013 zou zijn besproken dat “
partijen te zijner tijd zouden kijken naar oplossingen hoe [eiser 2] [verweerster] in de toekomst financieel zou kunnen steunen” (par. 269) sluit evenmin uit dat op 17 maart 2014 wilsovereenstemming over een verdeling van de opbrengst bij helfte was bereikt.
“dat kort voor of rond 19 december 2013 geen tweede overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser 2] , [verweerster] en Normanco”ziet, als gezegd, op een rechtsgevolg en niet op feiten en omstandigheden. Nu rechtsgevolgen zich niet lenen voor bewijs, mocht het hof dit (deel van het) bewijsaanbod dus passeren.
[betrokkene 6] [ ] gedurende de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst zowel [eiser 2] als [verweerster] [heeft] bijgestaan. Hij kan dan ook verklaren wat tussen partijen afgesproken is voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst en hij kan verklaren dat tegenover het afstand doen van de calloptie aan Normanco het onbezwaarde pand is geleverd”.
[eiser 2] kan daarnaast verklaren over de calloptie, de plannen voor de bedrijfsovername en de onderhandelingen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast kan [eiser 2] verklaren over de onderhandelingen tussen hem en [verweerster] na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, waaronder - maar niet beperkt tot - het doel en de strekking van zijn e-mail van 16 juli 2014” is door het hof begrijpelijkerwijs gepasseerd, omdat het – gelet op de algemene bewoordingen – niet voldoet aan de eis dat een bewijsaanbod ‘voldoende concrete feiten en omstandigheden’ met betrekking tot het bewijsthema moet bevatten.