Conclusie
1.Feiten
48.Bedrijfsvaardig opgestelde installaties
63.Machineschade
CONCLUSIES
6.VOORSTELLEN VOOR VERDER ONDERZOEK
2.Procesverloop
1.Omvang van de dekking
Verzekeringnemer
af te nemen(rov. 22.). Het hof oordeelt in dat kader dat uit de overgelegde stukken duidelijk volgt dat de berekeningen en adviezen van Aon alleen zagen op het risico van bedrijfsschade door het uitvallen van installaties op het terrein van AEC Moerdijk zelf, en niet op de gevolgen van incidenten bij WKC Essent als afnemer (rov. 25.). Dat brengt het hof bij de vraag of Aon Attero, zoals laatstgenoemde stelt, niettemin had moeten wijzen op het risico dat zij zou lopen als niet bij Attero, maar bij WKC Essent de installaties zouden uitvallen:
afnemenook op andere wijze kan worden afgedekt, bijvoorbeeld via het stoomleveringscontract, door overeen te komen dat een afnameverplichting (met bijhorende verplichting tot betaling van de overeengekomen vergoeding voor de stoom) bestaat indien door storingen bij de WKC Essent de stoom niet nuttig gebruikt kan worden. Dat het desbetreffende risico (van bedrijfsschade bij AEC Moerdijk/Attero als gevolg van machinebreuk bij de WKC Essent) wel verzekerbaar is, zoals Attero stelt – zij heeft inmiddels daartoe een verzekering gesloten bij FM Global – doet hier niet aan af. Het hof is van oordeel dat Attero onvoldoende heeft toegelicht dat Aon haar had moeten wijzen op het risico van bedrijfsschade dat zij zou lopen als bij WKC Essent de installaties zouden uitvallen. Dit risico vloeit namelijk in overwegende mate voort uit een contractuele regeling in het stoomleveringscontract voor de vierde verbrandingslijn en Attero heeft onvoldoende toegelicht dat Aon als redelijk handelend verzekeringstussenpersoon bij haar advisering met deze contractuele regeling rekening had moeten houden. Het hof overweegt in dat verband als volgt.
Insurance Vendor Due Diligence Reportvan 21 november 2008 (productie 6 bij inleidende dagvaarding):
“Anticipating that intercompany agreements on energy deliverance will be rearranged as a result of the proposed transaction, business interruption exposure for Essent Milieu will increase.”Naar het oordeel van het hof kan van een redelijk handelend en redelijk bekwaam verzekeringsadviseur niet worden verwacht dat hij zonder specifieke opdracht daartoe inventariseert hoe in de contracten met de afnemers de risicoverdeling bij incidenten is geregeld, teneinde daar eventueel verzekeringsadviezen aan te verbinden. Voor zover Attero meent dat zij in de omstandigheden van dit geval die verwachting wel mocht hebben, heeft Attero dit standpunt onvoldoende toegelicht. De aangehaalde zin uit het rapport van 21 november 2008 rechtvaardigt een dergelijke verwachting naar het oordeel van het hof niet. Dat klemt te meer nu de stoomleveringsovereenkomst met betrekking tot de vierde verbrandingslijn volgens de eigen stellingen van Attero op dit onderdeel afwijkt van de eerdere stoomleveringscontracten, en bovendien gelet op de hierboven genoemde verzekeringsadviezen (die alle dateren van vóór juni 2009, de datum van het stoomleveringscontract met betrekking tot de vierde lijn) voor Attero duidelijk moet zijn geweest dat het risico van machinebreuk bij WKC Essent niet is betrokken bij de vaststelling van het maximale bedrijfsschaderisico van AEC Moerdijk.”
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het hof in rov. 20. uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door bij de uitleg van artikel 1.1.1 van de polisvoorwaarden van de Oude Verzekering de redelijkheid beslissend te maken. Daarmee heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat het bij de uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij polisvoorwaarden waarover niet is onderhandeld, zoals in dit geval, komt het volgens het subonderdeel met name aan op objectieve factoren, waaronder de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.
Haviltex-maatstaf, [7] die voor een geval als dit, waarin over de polisvoorwaarden niet tussen partijen is onderhandeld, in zoverre is ‘aangepast’ dat het bij de uitleg van polisvoorwaarden met name aankomt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. [8]
Haviltex-maatstaf speelt redelijkheid een rol. Het gaat er daarom meer om met welke
methode(uitlegmaatstaf) tot een redelijke uitleg wordt gekomen. Dit wordt ook onderkend door enkele auteurs die het begrip ‘redelijke uitleg’ hanteren. Zo worden in het Asser-deel
Verzekeringonder het kopje “Methoden van (redelijke) uitleg (algemeen)” de
Haviltex-maatstaf en de CAO-norm (en hun onderlinge verhouding) besproken. [11]
Subonderdeel 1.1is derhalve vergeefs voorgesteld.
Haviltex-maatstaf centraal heeft gesteld, maar een meer normatieve uitleg heeft voorgestaan waarbij de redelijkheid van de rechtsgevolgen van de overeenkomst, met voorrang boven de bedoeling van partijen. een (centrale) rol spelen bij de uitleg. Die normatieve uitleg vindt in het Nederlandse rechtssysteem in beginsel geen toepassing. [12] Waar het hof in rov. 20. heeft geconstateerd dat partijen het begrip “(hoofd)lokatie” niet hebben gedefinieerd, had het mijns inziens, om misverstanden te voorkomen, bij het noemen van de uitlegmaatstaf beter kunnen verwijzen naar de in rov. 14. vooropgestelde maatstaf.
subonderdeel 1.2betoogt Attero dat het hof bij de uitleg een te geïsoleerde focus heeft gehad op het begrip “(hoofd)lokatie”, waar het hof de volledige bepaling van artikel 1.1.1 van de polisvoorwaarden van de Oude Verzekering (hiervoor randnummer 2.9, hierna: ‘artikel 1.1.1’) in ogenschouw had moeten nemen, in het bijzonder het gedeelte “de (hoofd)lokatie(s) zoals deze is (zijn) opgenomen in het polisblad”. De klacht faalt, nu het hof in rov. 20. heeft geoordeeld welke betekenis moet worden toegekend aan de omstandigheid dat in de betreffende bepaling wordt verwezen naar het polisblad (en niet (rechtstreeks) naar de specificatie). Aldus kan niet worden gezegd dat het hof slechts heeft gefocust op het begrip “(hoofd)lokatie” en daarmee het gedeelte “zoals deze is (zijn) opgenomen in het polisblad” uit het oog zou zijn verloren.
Subonderdeel 1.2is vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.3faalt.
Subonderdeel 1.4loopt hier op vast.
Subonderdeel 1.5faalt.
subonderdeel 1.6betoogt Attero dat ’s hofs uitleg haaks staat op de door haar naar voren gebrachte ratio van de beperking van door machineschade veroorzaakte bedrijfsschade tot “(hoofd)lokaties”, en om die reden onbegrijpelijk c.q. ontoereikend gemotiveerd is. Het in artikel 1.1.1 gemaakte onderscheid tussen (a) “(hoofd)lokaties” en (b) overige locaties zou als ratio hebben dat Verzekeraars geen controle kunnen uitoefenen op de onder (b) bedoelde locaties, nu deze niet van Essent behoefden te zijn.
Subonderdeel 1.6is vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.7slaagt niet.
subonderdeel 1.8betoogt Attero dat het feit dat blijkens de specificatie voor AEC Moerdijk wel een bedrijfsschadeverzekering was uitgenomen, maar voor WKC Essent niet, geen toereikende motivering kan zijn voor ’s hofs uitleg van artikel 1.1.1. Immers hoeft, aldus het subonderdeel, voor de omvang van de bedrijfsschadedekking van AEC Moerdijk niet beslissend te zijn of WKC Essent bedrijfsschadedekking heeft. Ook deze klacht faalt. Weliswaar is in beginsel mogelijk dat AEC Moerdijk verzekerd is voor bedrijfsschade als gevolg van gebeurtenissen bij WKC Essent, ook als WKC Essent daarvoor zelf niet verzekerd is, maar in dit geval heeft het hof de inperking van de dekkingsomvang in artikel 1.1.1 zo uitgelegd dat dekking is beperkt tot gebeurtenissen op locaties waarvoor blijkens de specificatie wel bedrijfsschade is uitgenomen. Met die uitleg is de dekkingsomvang van de bedrijfsschadeverzekering van WKC Essent dus wel van belang.
Subonderdeel 1.8faalt.
subonderdeel 1.9faalt.
Subonderdeel 1.10is vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.12faalt derhalve.
onderdeel 1vergeefs is voorgesteld.
dit gevalniet een dergelijke verplichting rustte, is door het hof gemotiveerd in rov. 27. Het hof heeft daarbij onder meer overwogen dat voor Attero zonder meer kenbaar was dat de adviezen van Aon niet zagen op het risico van machinebreuk bij afnemer WKC Essent, dat het contract met betrekking tot de vierde lijn afwijkt van de andere stoomleveringscontracten, en dat dit contract pas is gesloten na de in het arrest genoemde verzekeringsadviezen van Aon. In dat licht heeft Attero, naar het oordeel van het hof, onvoldoende toegelicht waarom zij toch het vertrouwen mocht hebben dat Aon navraag zou doen naar het contract ten aanzien van de vierde lijn. Anders dan door het subonderdeel wordt betoogd, is dit oordeel niet onbegrijpelijk en heeft het hof zijn oordeel afdoende gemotiveerd.
Subonderdeel 2.1.1faalt.
subonderdeel 2.1.3is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, als het heeft bedoeld dat Aon bekend was met de contractuele regeling ten aanzien van de eerste drie verbrandingslijnen en zij daarom geen rekening behoefde te houden met de afwijkende contactuele regeling ten aanzien van de vierde lijn. Dit zou door partijen niet zijn aangevoerd. Het subonderdeel gaat daarmee echter uit van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft in dit kader immers slechts overwogen dat het contract met betrekking tot de vierde lijn niet ter beoordeling aan Aon is voorgelegd en heeft – aan de hand van de uitlatingen van partijen daarover (zie rov. 27.) – vastgesteld dat dit contract afwijkt van de contracten ten aanzien van de eerste drie lijnen. Het hof heeft aldus niet geoordeeld dat Aon geen rekening behoefde te houden met de afwijkende contractuele regeling omdat zij slechts bekend was met de eerste contracten.
Subonderdeel 2.1.3mist om die reden doel.
subonderdeel 2.2.1doel mist.
subonderdelen 2.2.2-2.2.4, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komt Attero op tegen het oordeel dat
in de gegeven omstandighedenniet van Aon kon worden verwacht dat zij inventariseerde hoe in de contracten met Essent de risicoverdeling bij incidenten was geregeld. De subonderdelen sommen daartoe enkele door Attero naar voren gebrachte omstandigheden op, kort gezegd:
subonderdelen 2.2.2-2.2.4falen en daarmee
onderdeel 2doel mist.