Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
naar zijn uitkomstniet met dat eerdere vonnis of arrest verdraagt, hetzij vanwege het dictum van dat eerdere vonnis of arrest, hetzij vanwege de eindbeslissingen die tot dat dictum hebben geleid. [7] De omstandigheid dat in de zaak die tot het arrest van 28 juli 2015 heeft geleid, van de zijde van de verhuurder c.s. er geen beroep op is gedaan dat de opschortende voorwaarde alsnog op 24 september 2013 in vervulling is gegaan, is dus op zichzelf niet beslissend. Het onderdeel ziet hieraan ten onrechte voorbij. Het gaat ook om de vraag of het standpunt dat de verhuurder in het onderhavige geding inneemt, namelijk dat in verband met de verlening van de ‘restantvergunning’ (op 24 september 2013) vanaf 1 januari 2014 huur verschuldigd is, [8] zich verdraagt met wat in het arrest van 28 juli 2015 is beslist.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
werkelijkeproceskosten vergoeden. Kortom, het eventuele gelijk van een slachtoffer van letselschade zou wat betreft de proceskosten beperkt worden gehonoreerd aan de hand van het liquidatietarief, terwijl het eventuele gelijk van een beslagene in wat per definitie vermogensschade is, steeds (ook zonder dat sprake is van misbruik van procesrecht) volledig zou worden gehonoreerd met een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Ik meen dat het niet nodig is om nog toe te lichten waarom deze consequentie van de rechtsopvatting waarvan het onderdeel uitgaat, die opvatting veroordeelt.