Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
als gevolg van[cursivering conform origineel] het faillissement [C] op korte termijn niet meer in staat was om het vervoer te verzorgen. Dit heeft de Holding niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat de Holding, op grond van de door de Holding afgegeven borgtocht, jegens de Gemeenten aansprakelijk is voor de schade die de Gemeenten als gevolg van de tekortkoming van [C] hebben geleden. (onder 3.8.8)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
contractueleverplichtingen tot schadevergoeding, zoals in geval van schadeverzekering, het veelal nuttig is dat de rechter slechts uitmaakt of een verbintenis tot vergoeding van de schade bestaat. Wordt die vraag bevestigend beantwoord, dan blijken partijen vervolgens in de meeste gevallen in staat om het over de omvang van de te vergoeden schade eens te worden. Het volstaat dat, als stok achter de deur, een tweede procedure mogelijk is, nu uitsluitend over de schadeomvang.
niet(zelfstandig) tegen de verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtsklacht van het onderdeel stuit hierop af. Dat ook het grievenstelsel ertoe kan leiden dat een verwijzing naar de schadestaatprocedure geldig is, ook indien zou moeten worden aangenomen dat die verwijzing in beginsel niet mogelijk was, ligt geheel in het verlengde van de hiervoor onder 3.4 sub 3 en 4 bedoelde nuanceringen.
overeengekomen. In plaats daarvan heeft het hof de grieven aldus verstaan dat tegen de verwijzing naar de schadestaatprocedure als zodanig niet werd opgekomen. Ten overvloede merk ik op dat deze uitleg van de grieven mij alleszins begrijpelijk voorkomt. Grief VII richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.16 tot en met 4.20 van het eindvonnis van de rechtbank. In de tweede zin van rechtsoverweging 4.20 kondigt de rechtbank aan de zaak wat betreft de schade te zullen doorverwijzen naar een schadestaatprocedure ‘zoals gevorderd’. De toelichting op de grief verwijst naar de randnummers 76 tot en met 87 van de conclusie van antwoord en houdt verder in dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan de garantieverklaring heeft gegeven. Volgens die toelichting bestaat er geen schadevergoedingsplicht. Een bezwaar tegen verwijzing naar de schadestaatprocedure – verondersteld dat wél een verplichting tot vergoeding van schade bestaat – lees ik in de memorie van grieven niet. Ook in de alinea's uit de conclusie van antwoord waarnaar wordt verwezen, lees ik een zodanig bezwaar niet. De memorie van grieven bevat ook geen grief die zich richt tegen het dictum van het vonnis van de rechtbank onder 5.3.
nietsamenhing met de door de rechtbank aanvaarde grondslag van aansprakelijkheid, of anders gezegd, dat de Holding slechts bezwaar had tegen de door de rechtbank aanvaarde verplichting tot het vergoeden van de door de Gemeenten geleden schade, en niet ook tegen de verwijzing naar de schadestaatprocedure als zodanig.
dezelfdeverbintenis is in overeenstemming met de wettelijke definitie van borgtocht van art. 7:850 lid 1 BW Pro: ‘Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.’ Vergelijk ook het hier volgens het onbestreden [11] oordeel van het hof (rechtsoverweging 3.8.7) toepasselijke art. 7:854 BW Pro: ‘Strekt de verbintenis van de hoofdschuldenaar tot iets anders dan tot betaling van een geldsom, dan geldt de borgtocht voor de vordering tot schadevergoeding in geld, verschuldigd op grond van niet-nakoming van die verbintenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen.’ Die bepaling is door de wetgever onder meer als volgt toegelicht:
primaireverbintenis van de borg Holding [A] heeft dus
dezelfde inhoudals de
secundaire(schadevergoedings)verbintenis ex art. 6:74 BW Pro van
hoofdschuldenaar[C] . Maar anders dan in het bestreden arrest wordt gesuggereerd (rov. 3.8.8 i.f.), is
aansprakelijkheidvan Holding [A] hier niet aan de orde.’
onderdeel 2heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat de verbintenis van de Holding als borg tot betaling van een geldsom aan de Gemeenten een schadevergoedingsverbintenis is in de zin van afdeling 6.1.10 BW, althans dat op de verbintenis van de Holding als borg die afdeling van toepassing is. Het onderdeel verwijst naar rechtsoverwegingen 3.8.8 (slot), 3.9.4, 3.9.5, 3.10.2 en 3.11.13. Ik loop die overwegingen langs.
welkeschadevergoedingsverbintenis in de schadestaatprocedure zou moeten worden begroot. Uit het voorgaande zal voldoende duidelijk zijn in welke zin het arrest van het hof mijns inziens behoort te worden gelezen en ook dat niet onduidelijk is welke verbintenis in de schadestaatprocedure zal worden begroot. Ook deze klacht treft dus geen doel.