Conclusie
1.Inleiding
Algemeen
Volkswagen Financial Services (UK)maken dit volgens het Hof ook niet anders. [4]
Volkswagen Financial Services (UK)dit niet anders maken. Volgens het middel is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
2.Beschouwing
Evenredige aftrek volgens de Btw-richtlijn
pro ratawordt genoemd. De regels waren destijds neergelegd in de artikelen 17(5) en 19. De rechtspraak die het Hof van Justitie heeft gewezen onder de werking van de Zesde richtlijn is ook van belang bij de uitleg van de regels uit de Btw-richtlijn.
Royal Bank of Scotlandheeft het Hof van Justitie over de in artikel 17(5) derde alinea Zesde richtlijn (nu artikel 173(2) Btw-richtlijn) opgenomen afwijkende maatregelen overwogen dat deze tot doel hebben de lidstaten in staat te stellen tot meer nauwkeurige resultaten te komen door rekening te houden met de specifieke kenmerken van de activiteiten van de belastingplichtige. [7] Ik citeer punt 24 van het arrest:
Banco Mais [9] heeft het Hof van Justitie in wezen zijn hiervoor genoemde rechtspraak bevestigd. Het heeft onder meer herhaald dat een lidstaat die gebruikmaakt van de keuzemogelijkheid van artikel 17(5) derde alinea Zesde richtlijn, moet toezien dat de wijze van berekening van het recht op aftrek het mogelijk maakt het deel van de btw dat ziet op verrichtingen waarvoor recht op aftrek bestaat, zo nauwkeurig mogelijk te bepalen.
Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschaftheeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat de gekozen berekeningsmethode niet per se de meest nauwkeurige moet zijn. [10] In punt 33 van het arrest overweegt het Hof van Justitie:
Kreissparkasse Wiedenbrückbevestigd dat de rechtspraak die het heeft gewezen over artikel 17(5) Zesde richtlijn, ook relevant blijft onder de werking van de artikelen 173 tot en met 175 Btw-richtlijn. [11] Het Hof van Justitie overweegt in dat verband in punt 41:
Volkswagen Financial Servicesheeft het Hof van Justitie zijn hiervoor weergegeven rechtspraak nog eens herhaald. [12] Ik lees daarin niet een nieuwe uitleg over artikel 173 Btw Pro-richtlijn en kan uit dit arrest (of de andere hiervoor genoemde arresten) ook niet opmaken dat de lidstaten bij de uitoefening van de in artikel 173(2) Btw-richtlijn neergelegde bevoegdheid verplicht zijn de desbetreffende bepaling in zijn geheel over te nemen. Belanghebbende wijst voorts op punt 24 van
BLC Baumarkt(hiervoor aangehaald in 2.9), waarin het Hof van Justitie overweegt dat de Btw-richtlijn zich niet ertegen verzet dat de lidstaten bij de uitoefening van de bevoegdheid
voor een bepaalde handelingeen andere methode of verdeelsleutel toepassen dan de omzetverhouding. Ook uit deze overweging kan ik niet opmaken dat het Hof van Justitie heeft bedoeld dat de lidstaten altijd verplicht zijn de maatregelen die zij nemen op grond van artikel 17(5) Zesde richtlijn zowel toe te passen op alle goederen en diensten als op een deel daarvan. Het tegendeel leid ik daar overigens ook niet uit af. Deze overweging moet worden begrepen in het licht van de feiten die aan de zaak ten grondslag lagen en waarin het ging om een bepaalde handeling, namelijk de gedeeltelijk vrijgestelde en gedeeltelijk belaste verhuur van een gebouw.
CTT - Correios de Portugal. [13] In dit arrest beoordeelt het Hof van Justitie een Portugese regeling die het belastingplichtigen verbiedt van aftrekmethode te veranderen nadat de definitieve evenredige aftrek is vastgesteld. Volgens het Hof van Justitie is die regeling niet in strijd met artikel 173(2)c Btw-richtlijn en evenmin met de beginselen van fiscale neutraliteit, rechtszekerheid en evenredigheid.
BNB2006/314 ingegaan op de woorden “als geheel genomen”. Hij meent dat deze term ruimte laat om voor het ene goed of de ene dienst de maatstaf van werkelijke gebruik te hanteren en voor het andere goed of de andere dienst de maatstaf van omzetverhouding. Dit is volgens hem alleen niet mogelijk voor goederen en diensten die met elkaar samenhangen. Ik citeer:
BNB 2014/76 dat de Zesde richtlijn niet noopt tot een toerekening van de omzetbelasting op basis van de gegevens van het kantoorgedeelte als geheel. Hij schrijft:
Wolfgang und Dr. Wilfried Rey Grundstücksgemeinschafteen bevestiging dat toepassing van de mengmethode (hieronder verstaat de auteur een combinatie van de methode van de omzetverhouding en die van het werkelijke gebruik) voor het bepalen van de aftrek mogelijk moet zijn. Hij schrijft: [22]
Banco Mais. Ook hierin verdedigt hij dat de mengmethode mogelijk moet zijn en dat de rechtspraak van de Hoge Raad te strikt is. Hij schrijft: [23]
kunnende lidstaten een of meer verlaagde tarieven toepassen. Artikel 98(2) Btw-richtlijn bepaalt dat de verlaagde tarieven uitsluitend van toepassing zijn op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om de toepassing van het verlaagde btw-tarief te beperken tot concrete en specifieke aspecten van een van de in de bijlage genoemde categorieën. Zij moeten daarbij wel het beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen. Dit volgt onder meer uit het arrest
Commissie/Frankrijk. [25] In de zaak die tot dat arrest heeft geleid had Frankrijk een verlaagd tarief ingevoerd voor lijkenvervoer, terwijl in Bijlage III bij de Btw-richtlijn een veel ruimere categorie van prestaties was opgenomen: “diensten verricht door lijkbezorgers en crematoria, alsmede de daarmee verband houdende levering van goederen” Het Hof van Justitie overweegt:
Commissie/Zweden: [27]
Larentia + Minervagaat het om een Duitse regeling voor de fiscale eenheid die als voorwaarden stelde dat uitsluitend rechtspersonen kunnen toetreden en dat die rechtspersonen middels een verhouding van ondergeschiktheid zijn verbonden aan het overkoepelend orgaan van de groep. [28] Het Hof van Justitie herinnert eerst aan zijn eerdere rechtspraak waarin het heeft geoordeeld dat volgens artikel 11 Btw Pro-richtlijn personen - derhalve dus ook andere dan rechtspersonen - tot een fiscale eenheid kunnen toetreden. Vervolgens overweegt het Hof van Justitie dat nagegaan moet worden of de lidstaten op grond van de beoordelingsmarge waarover zij beschikken entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid kunnen uitsluiten. Dit is enkel het geval als de voorwaarden die een lidstaat stelt passen binnen de doelstellingen van de Btw-richtlijn die erin bestaan misbruik te voorkomen en belastingfraude of ‑ontwijking te bestrijden. [29] De verwijzende rechter moet nagaan of dit met de Duitse regeling het geval is. In het arrest geeft het Hof van Justitie uitleg aan artikel 4(4) Zesde richtlijn, dat de voorganger van artikel 11 Btw Pro-richtlijn is en welke bepaling ongewijzigd is overgenomen. Ik citeer uit het arrest:
Zita Modesgaat het om de verkoop van een handelszaak in confectiekleding aan een vennootschap die een parfumerie exploiteerde. [30] De Luxemburgse fiscus stelde zich op het standpunt dat de Luxemburgse regeling die het mogelijk maakt de overgang van de onderneming niet als levering van goederen aan te merken niet van toepassing was, omdat de verkrijger niet dezelfde economische activiteit uitoefende. In antwoord op vragen van de verwijzende rechter oordeelde het Hof van Justitie dat het de lidstaten niet is toegestaan de toepassing van artikel 5(8) Zesde richtlijn - thans artikel 19 Btw Pro-richtlijn - te beperken tot bepaalde vormen van overgang, behalve in de omstandigheden bedoeld in de tweede zin van hetzelfde lid. [31] Het Hof van Justitie overweegt dat deze uitlegging in overeenstemming is met het doel van de Zesde richtlijn, dat erin bestaat de btw-grondslag eenvormig en overeenkomstig gemeenschapsregels te bepalen. Het Hof van Justitie overweegt onder meer:
Commissie/Zweden(zie een citaat in onderdeel 2.40).