ECLI:NL:PHR:2020:713

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
18 augustus 2020
Zaaknummer
20/01535
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 34 GerechtsdeurwaarderswetArt. 39 lid 1 GerechtsdeurwaarderswetArt. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslissing kamer voor gerechtsdeurwaarders

Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, die het verzet tegen een afwijzing van een klacht tegen een gerechtsdeurwaarder ongegrond had verklaard. De klacht was eerder door de voorzitter van de Kamer als kennelijk ongegrond afgewezen.

De griffier van de Hoge Raad wees verzoeker op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzet en op het feit dat het cassatieverzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv. Verzoeker handhaafde zijn beroep ondanks deze tekortkomingen en betaalde het griffierecht niet.

De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing op het verzet. Daarom is het cassatieberoep niet ontvankelijk en wordt het niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsmiddel en het ontbreken van ondertekening door een advocaat.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01535
Zitting10 juli 2020
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak
[verzoeker]
tegen
[verweerder]

1.Procesverloop

1.1
Bij brief van 20 april 2020, ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op 21 april 2020, heeft verzoeker te kennen gegeven beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak die de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam op 20 maart 2020 heeft gedaan op het door hem ingestelde verzet. Het verzet was gericht tegen de beslissing van 26 november 2019, waarin de voorzitter van die Kamer een op 22 maart 2019 door verzoeker bij die Kamer ingediende klacht tegen een gerechtsdeurwaarder had afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft verzoeker bij brief van 24 april 2020 gewezen op het feit dat geen cassatieberoep openstaat tegen een dergelijke beslissing en dat het cassatieverzoekschrift ook niet voldoet aan het vereiste van ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad. Hierop heeft verzoeker bij brief van 5 mei 2020, ingekomen 7 mei 2020, laten weten dat hij zijn cassatieberoep handhaaft. De aan verzoeker toegezonden nota voor het griffierecht is niet voldaan.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
De tuchtrechtspraak voor deurwaarders wordt in eerste aanleg uitgeoefend door een kamer voor gerechtsdeurwaarders (art. 34 Gerechtsdeurwaarderswet). Art. 39 lid 1 van Pro die wet bepaalt onder meer dat de voorzitter, zonder nader onderzoek door de kamer voor gerechtsdeurwaarders, kennelijk ongegronde klachten kan afwijzen bij met redenen omklede beslissing. Tegen die beslissing kan de klager verzet doen bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing, tenzij de kamer voor gerechtsdeurwaarders het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart. Dat geval doet zich hier voor. Tegen de beslissing op het verzet staat geen rechtsmiddel open, zo bepaalt art. 39 lid Pro 4 Gerechtsdeurwaarderswet.

3.Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.