Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
2.3 Genoegzaamheid van de feitsomschrijving
Facts, crimes
a) Facts and Evidences’
NJ1987/300 overwoog de Hoge Raad al dat wanneer het onderzoek naar het feitencomplex en de daarbij betrokken personen nog gaande is, de feiten veelal nog niet met finale precisie kunnen worden omschreven en dat naarmate dat onderzoek vordert meer en nauwkeuriger details bekend worden. [7] Het is om die reden voldoende dat bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging niet meer verlangd wordt dan dat het feitencomplex, de tijd en de plaats zo nauwkeurig mogelijk worden omschreven aan de hand van de op dat moment meest actuele stand van het onderzoek in de verzoekende staat. [8] In dat geval zijn de genoemde feiten, tijd en plaats te beschouwen als een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van feiten, tijd en plaats als bedoeld in art. 12, tweede lid onder b, EUV.
in samenhang daarmee– het rijden zonder rijbewijs in Zwitserland. De rechtbank heeft in het verband van de beoordeling van de genoegzaamheid der stukken vastgesteld dat in de Warrant of Arrest (met bijlage) voor beide feiten als pleegperiode 1 januari 2016 tot 25 februari 2019 wordt genoemd. Naar het niet onbegrijpelijk oordeel van de rechtbank valt daaruit af te leiden dat het ‘rijden zonder rijbewijs’ in de Warrant of Arrest mét de invoer van cocaïne in Zwitserland wordt gerelateerd aan die tijdsaanduiding. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, wordt in de Warrant of Arrest ten aanzien van het feit ‘rijden zonder rijbewijs’ niet alleen de tijdsperiode vermeld, maar op gelijke wijze tevens de pleegplaats. Uit de Warrant of Arrest kan immers worden opgemaakt dat de uitlevering ter strafvervolging mede is verzocht ter zake van (de verdenking van) het rijden zonder geldig rijbewijs in Lugano, Figino, Grancia en andere nog niet gespecifieerde plaatsen in het kanton Ticino. Dat de rechtbank (ook) daarvan is uitgegaan, ligt besloten in de overwegingen van de rechtbank onder het hoofd “2.3 Genoegzaamheid van de feitsomschrijving”, waarin zij de Warrant of Arrest aanhaalt. Datzelfde geldt voor de verdenking dat (ook) de opgeëiste persoon zelf heeft gereden. In de Warrant of Arrest wordt immers tot uitdrukking gebracht dat de opgeëiste persoon “repeatedly drove motor vehicles”, terwijl in de bijlage daarbij te lezen valt: “transporting personally or through third people”. Anders dan de steller van het middel meent is hier van een inlezen van de rechtbank geen sprake, nog daargelaten dat ter zitting over dit punt door de verdediging geen verweer is gevoerd en de rechtbank zich daarover in haar uitspraak dan ook niet expliciet hoefde uit te laten. En met betrekking tot hetgeen de raadsman wel heeft aangevoerd, was de rechtbank niet tot een nadere motivering gehouden. Mede gelet op de hierboven in randnummer 11 aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad faalt ook de deelklacht dat het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het niet onverwijld kunnen aantonen van de onschuld van de opgeëiste partij niet begrijpelijk zou zijn. Tot slot merk ik nog op dat, nu de uitleg van de omschrijving van de feiten in een zaak met betrekking tot uitlevering ter strafvervolging is voorbehouden aan de feitenrechter, de feitelijke interpretatie hiervan in cassatie moeten worden geëerbiedigd (tenzij sprake is van onbegrijpelijkheid). [9]