Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Waarom heeft de rechtbank betrokkene niet fysiek gehoord?
in de eerste plaatsgericht tegen het oordeel dat het telefonisch horen van betrokkene toelaatbaar is en dat betrokkene daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat zowel in art. 6:1 lid 2 Wvggz Pro als in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid tot uitgangspunt wordt genomen dat de betrokken persoon fysiek en op locatie wordt gehoord, tenzij het fysiek horen in een individueel geval onverantwoord is. De rechter behoort dat gemotiveerd vast te stellen. In het bijzonder zou de rechtbank hebben miskend dat pas ruimte bestaat voor het gebruik van technische communicatievormen indien de rechter voornoemde vaststelling heeft gedaan en ook dan, slechts daar waar dit bij afweging van de betrokken belangen aanvaardbaar kan worden geacht. De rechtbank heeft een onjuiste beoordelingsmaatstaf gehanteerd door deze criteria niet te hanteren.
face to facemoet worden gehoord, ofwel op de rechtbank ofwel op zijn woon- of verblijfplaats. Dit regime is zo vormgegeven vanwege de kwetsbare positie waarin betrokkene zich vanwege zijn aandoening al bevindt, en ten aanzien van wie daarbij verplichte zorg wordt overwogen. Dit geldt ook in een crisistijd, zoals thans het geval is met COVID-19.
Daarbij geldt dat het belang van betrokkene zwaar weegt: betrokkene wordt fysiek gehoord, tenzij de rechter gemotiveerd vaststelt dat fysiek horen in een individueel geval onverantwoord is. Falen alle verantwoorde pogingen tot fysiek horen, dan pas zou vastgesteld kunnen worden dat betrokkene in verband met zijn individuele omstandigheden niet in staat wordt geacht om gehoord te worden en kan worden overgegaan tot horen via telefonie, videoconferentie of andere audiovisuele transmissie.Het voorgaande geldt ook voor de uitvoering van de Wzd. Daar is eveneens sprake van cliënten in een kwetsbare positie ten aanzien van wie onvrijwillige zorg wordt overwogen en alwaar op eenzelfde wijze is voorzien in een eigen regeling ten aanzien van het horen van de cliënt in het kader van de procedure voor onvrijwillige opname en verblijf. Ook daar dient in crisissituaties zo veel mogelijk gehandeld te worden naar de geest van de wet om de kwetsbare cliënt en zijn rechtspositie te beschermen.” [6]
in de tweede plaatsgericht tegen het oordeel dat betrokkene niet in zijn belangen is geschaad. Volgens de klacht is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat betrokkene niet zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken over het verzoek van de officier van justitie en de twee niet in diens verzoekschrift verzochte vormen van verplichte zorg, te weten: onderzoek aan kleding of lichaam (art. 3:2, lid 2 onder e, Wvggz) en onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen (art. 3:2, lid 2 onder f, Wvggz). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater deze vormen van verplichte zorg voorgesteld als aanvulling op de vormen van verplichte zorg in het verzoekschrift van de officier van justitie. Door betrokkene niet tot een uitlating daarover in de gelegenheid te stellen, heeft de rechtbank volgens de klacht tevens gehandeld in strijd met art. 6:1, lid 1 en lid 8 Wvggz, met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro en met het beginsel van hoor- en wederhoor dat besloten ligt in voornoemde bepalingen en in art. 19 Rv Pro.