Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en in de zaak met parketnummer 13-684042-16 wegens “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2014 met parketnummer 13-132969-13 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 13-684042-16 in strijd met het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv Pro uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster van het desbetreffende feit ( [benadeelde] ).
in de zaak met parketnummer 13-684042-16:
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 13-684042-16:
5. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2016023315-1 van 30 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 1-9 (inclusief prints van sms-berichten).
U vraagt mij naar de reden van hoger beroep in zaak B. Dat is een welles-nietesspelletje. Er zijn wat dingen gebeurd tussen mij en mijn vriendin. Ik heb inderdaad die sms’jes verstuurd en daar heb ik spijt van.” [1]
de auditu-verklaring die neerkomt op een herhaling van hetgeen de aangever aan de getuige heeft verteld, biedt dus onvoldoende steun.
hoorden” dat de verdachte zijn ex-vriendin meermalen telefonisch had bedreigd met de dood. Het hof heeft echter niet vastgesteld van wie de verbalisanten dat hebben gehoord. Zodoende is niet uit te sluiten dat de verbalisanten van de aangeefster zelf hebben gehoord dat zij telefonisch werd bedreigd of dat die informatie via een ander tot haar te herleiden is. Evenmin ligt anderszins in de bewijsvoering besloten dat hetgeen zij hoorden uit een andere bron dan de aangeefster afkomstig is, zodat niet kan worden gezegd dat aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
die” sms-berichten heeft verstuurd en dat hij daarvan spijt heeft. Deze verklaring kan alleen worden begrepen in het licht van de sms-berichten die in de tenlastelegging zijn bedoeld. Deze verklaring ondersteunt daarmee de bewijsmiddelen 5 en 6: de verdachte bevestigt degene te zijn die de sms-berichten heeft verstuurd waarmee de aangeefster (op de dag dat zij aangifte heeft gedaan) telefonisch werd bedreigd. Aldus zie ik niet hoe cassatie kan bijdragen aan een goede rechtsbedeling.
tweede middelklaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.