ECLI:NL:PHR:2020:808
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kamerverhuurvrijstelling bij tijdelijke verhuur van eigen woning via Airbnb
Belanghebbende verhuurde in 2016 een deel van haar eigen woning via Airbnb voor korte periodes, waarbij de Inspecteur 70% van de huurinkomsten belastte als voordelen uit tijdelijke terbeschikkingstelling van de eigen woning. Het Hof Den Haag oordeelde dat de kamerverhuurvrijstelling van toepassing was, ondanks dat niet aan de inschrijvingseis in de Basisregistratie Personen (BRP) was voldaan, omdat deze eis slechts een bewijsfunctie zou hebben.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het Hof ten onrechte de inschrijvingseis had genegeerd, omdat deze eis mede een materiële functie heeft en niet zomaar kan worden gepasseerd. Daarnaast stelde de A-G dat de verhuur via Airbnb, die driemaal voor één maand en eenmaal voor twee maanden plaatsvond, onder de definitie van verhuur 'voor korte duur' valt en daarom niet onder de kamerverhuurvrijstelling kan worden gebracht.
Verder werd geoordeeld dat de inkomsten uit kortdurende verhuur van een deel van de woning belast zijn op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001, omdat deze verhuur niet in het forfait van het eigenwoningforfait is begrepen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond, waardoor het oordeel van het Hof werd vernietigd en de verhuurinkomsten belast blijven.
Deze uitspraak verduidelijkt de strikte toepassing van de inschrijvingseis bij de kamerverhuurvrijstelling en bevestigt dat kortdurende verhuur via platforms als Airbnb belastbaar is als tijdelijke verhuur van de eigen woning.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en bevestigt dat de verhuurinkomsten belast zijn en de kamerverhuurvrijstelling niet van toepassing is.