‘U vraagt mij hoe op 8 oktober 2016 de ruzie tussen mij en de aangever [slachtoffer] is ontstaan. [slachtoffer] en ik zijn samen mijn woning binnengekomen. Ik ben toen naar het toilet gegaan. Op mijn radio lag geld wat voor de betaling van mijn huur bestemd was. Toen ik uit het toilet kwam was dit geld verdwenen. Onze ruzie is vanwege dit geld begonnen. Ik blijf bij mijn eerdere verklaring.
U houdt mij voor dat ik drie keer met de politie heb gesproken en drie keer iets anders heb verklaard en dat u graag wil weten hoe het gevecht precies is ontstaan. Ik heb [slachtoffer] eerst gevraagd mij het geld terug te geven. Toen hij dat niet deed, legde ik hem op de grond om het geld af te pakken en toen beet hij mij in mijn vinger. Later beet ik hem in zijn neus.
U vraagt mij waarom dat moet worden aangemerkt als zelfverdediging. Nadat ik [slachtoffer] in zijn neus had gebeten liet ik hem los. Hij pakte toen een mes. Daar schrok ik van. Ik was bang. En toen hebben wij gevochten. Mijn bedoeling daarvan was om dat mes af te pakken. U vraag mij van wie dat mes was. Dat was van mij. Het lag op een kleine tafel in mijn slaapkamer. U houdt mij voor dat ik tegen de politie heb gezegd dat [slachtoffer] een mes bij zich had, dat ik op het bed zat en hij mij probeerde te steken, wat een ander verhaal is dan ik nu vertel. Ik heb niet gezegd dat het mes van [slachtoffer] was.
U houdt mij voor dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij met mij in een bar was, ik hem mee naar huis wilde nemen voor seks, ik hem op mijn bed duwde en in zijn neus beet en hij probeerde los te komen en schreeuwde. Dat is gelogen. Ik heb hem wel in zijn neus gebeten Bij het afnemen van het mes gaf hij mij een kopstoot en toen heb ik hem in zijn oor gebeten. Ik heb dit alles bij de politie verteld.
U houdt mij voor dat ik in de eerste instantie bij de politie verklaarde dat ik nooit in de bar [A] ben geweest en dat ik die verklaring later heb aangepast, in die zin dat ik daar wel ben geweest, en dat ik hier op de zitting ook ten aanzien van het mes weer anders verklaar dan ik bij de politie heb gedaan. U zegt dat u het lastig vindt om te achterhalen wat er precies gebeurd is en vraagt mij waarom mijn verhaal steeds veranderd. Ik ben bij de [A] geweest. Mijn broer werkte daar. Ik heb twee keer met de politie gesproken. Ik heb twee dagen vastgezeten. Ik heb de papieren die ik bij politie heb getekend thuis. Er staat niet in dat ik twee broers heb.
Ik heb [slachtoffer] niet in het gezicht geslagen en ook niet zijn shirt kapotgescheurd, zoals [slachtoffer] heeft verklaard. Dat is gelogen. Hij heeft het mes niet gebruikt. Het bloed dat op het mes zit is van [slachtoffer]. Maar ik heb hem niet gestoken met dat mes.
U houdt mij voor dat [slachtoffer] flink toegetakeld is, dat de politie om 5 uur ’s nachts in een huis vol bloed twee mannen, ook onder het bloed, aantrof en dat de neus van [slachtoffer] er voor de helft af lag. U vraagt mij waarom ik zo hard heb gebeten.
Hij liet mijn vinger niet los waar hij op dat moment in beet. Ik heb mijn geld niet meer van hem teruggekregen.
U houdt mij het FARR-rapport voor waarin een medische verklaring is opgenomen, onder meer inhoudende dat [slachtoffer] verwondingen heeft opgelopen aan zijn neus, zijn linker middelvinger en zijn oor en dat er behandeling van een plastisch chirurg en waarschijnlijk meerdere operaties nodig zijn. U vraagt mij wat ik daarvan vind. Ik weet niet hoe dat is gegaan. Ik ben zelf ook in het ziekenhuis geweest en moet daarvoor betalen. Hij wilde het mes maar niet loslaten en ik was bang.
U houdt mij voor dat ik eerder heb verklaard dat ik rond 2 uur ‘s nachts met [slachtoffer] thuis ben aangekomen terwijl de politie pas rond 5 uur bij mij was, zodat ik circa drie uur lang met [slachtoffer] in huis moet zijn geweest. Dat klopt wel. Dat zal het zo ongeveer zijn geweest. Hij wilde het mes niet loslaten. Ik heb hem op bed gegooid.
U vraagt mij op welk moment [slachtoffer] het mes pakte. Dat was toen ik hem op de grond had losgelaten. Hij wilde het in mijn ribben steken. U vraagt mij hoe hij dat precies wilde doen. Hij had het mes in zijn rechterhand. Het lukte mij om zijn arm met het mes achterom tussen de spijlen van mijn bed te stoppen.
U vraagt mij op welk moment ik [slachtoffer] heb gebeten. Dat was toen hij mij in mijn vinger beet en niet los wilde laten. U vraagt mij welke vinger dat was. Dat was mijn rechterduim. Op dat moment had [slachtoffer] het mes nog niet. Dat was op de grond. Toen hij het mes pakte was ik niet aan het bijten. Toen hij het mes pakte, had ik zijn neus niet meer beet. U vraagt mij waar ik dan was. Het mes lag op het kleine tafeltje. Op het moment dat hij het mes pakte lukte het mij hem te pakken en achter in het bed tussen de spijlen te doen.
U vraagt mij wanneer ik [slachtoffer] in zijn oor beet. Dat was op het moment dat hij het mes vast had en hij mij een kopstoot wilde geven.
U vraagt mij of ik iets van de delen die van het oor en de neus van [slachtoffer] af waren gebeten in mijn mond heb gehad. Van zijn oor niet. Van zijn neus wel. U vraagt mij wat ik ervan vindt dat [slachtoffer] de helft van zijn neus en een stuk van zijn oor kwijt is. Hij was alleen maar de punt van zijn neus kwijt. Daarmee wil ik zeggen dat het nu eenmaal gebeurd is.
De verdachteantwoordt als volgt op vragen van
de oudste rechter:
U houdt mij voor dat ik aanvankelijk tegen de politie heb gezegd dat ik [slachtoffer] niet kende en alleen uit het café ben gelopen. Het klopt dat ik hem niet kende. Ik heb hem later ook niet meer gezien. In de eerste instantie liep ik alleen naar huis. Ik kwam [slachtoffer] onderweg tegen. Een deel van de weg naar huis is hij niet met mij meegelopen. [slachtoffer] is mijn huis binnengekomen. In de eerste instantie zat hij op de bank. Toen ben ik naar de wc gegaan. U houdt mij voor dat ik aanvankelijk bij de politie iets heel anders verklaarde, namelijk dat ik thuis werd overvallen. Dat is niet waar. U houdt mij voor dat ik mijn handtekening onder die verklaring heb gezet. Toch heb ik niet gezegd dat [slachtoffer] in zijn eentje mijn woning binnenkwam om mij te overvallen. U vraagt mij of de politie dit dan heeft verzonnen. Dat weet ik niet. Ik heb de deur opengedaan en hij ging met mij mee naar binnen. Dat is wat ik gezegd heb. Toen is hij gaan zitten en vroeg hij mij om een biertje. Dat had ik niet. Zo heb ik dat aan de politie verteld. U houdt mij voor dat ik dat pas tijdens het tweede gesprek vertelde.
De verdachteantwoordt als volgt op vragen van
de voorzitter:
U houdt mij voor dat de politie mij na mijn latere verklaring die afweek van mijn eerste verklaring heeft gevraagd of mijn eerdere verklaring dan niet klopt en dat ik die vraag bevestigend heb beantwoord. Ik heb niet tegen de politie gezegd dat [slachtoffer] in mijn woning was binnengedrongen.
De verdachteantwoordt als volgt op een vraag van zijn
raadsman:
U vraagt mij ter hoogte waarvan bij mijn lichaam het mes is geweest. Dat was de linkerkant van mijn lichaam. [slachtoffer] wilde weg, maar ik liet hem niet los zolang hij het mes niet losliet.
(…)
De verdachteantwoordt als volgt op vragen van
de voorzitter:
U houdt mij voor dat ik in mijn eerste verklaringen op 8 en 9 oktober 2016 niets heb gezegd over een mes en dat ik pas bij het bezoek aan mijn woning door de politie heb verteld dat [slachtoffer] een mes bij zich had. U vraagt mij waarom ik daar niet eerder over heb verklaard. Ik wilde in de eerste instantie niets tegen de politie zeggen over het mes, omdat ik bang was dat ik daardoor misschien in de gevangenis zou moeten. Ik had [slachtoffer] dit al aangedaan. U houdt mij voor dat u niet begrijpt dat als [slachtoffer] een mes bij zich had en hij mij daarmee wilde steken, ik bang zou moeten zijn om daarvoor naar de gevangenis te moeten. Ik ben daar bang voor omdat het mijn mes was. Twee dagen later heb ik het wel aan de politie verteld, toen de politie met mij mee naar mijn woning ging. Ik heb toen het mes laten zien. U houdt mij voor dat het toch belangrijk was om te vertellen dat [slachtoffer] een mes had, gelet op wat ik naar [slachtoffer] had gedaan. Ik dacht dat als ik het zou vertellen, ik het alleen maar erger zou maken.
(…)
De verdachteantwoordt als volgt op een vraag van
de officier van justitie:
U houdt mij voor dat u mij heeft horen zeggen dat [slachtoffer] het mes bij mijn linkerzij vasthad en dat hij weg wilde, maar dat dat niet kon omdat ik hem vasthield. U vraagt mij waarom, als [slachtoffer] weg wilde, ik hem vasthield. Dat was omdat [slachtoffer] het mes niet losliet. Zolang hij het mes niet losliet, wilde ik hem niet loslaten.
De
raadsmanmerkt op dat de verdachte weliswaar pas op 10 oktober 2016 over het mes verklaarde, maar dat de aangever daar zelf pas in januari 2017 voor het eerst over verklaarde.
De behandelend rechterhoudt voor dat [slachtoffer] daarover heeft verklaard dat hij bij zijn eerste verklaringen nog in shock was vanwege het bijten door de verdachte en dat het mes voor hem minder belangrijk was. Als de politie daar niet over zou zijn begonnen, dan zou [slachtoffer] het naar zijn zeggen vergeten zijn.’
‘Vaststaat dat de verdachte en de aangever elkaar op 7 oktober 2016 in de bar [A] hebben ontmoet, welke ontmoeting eindigde in de woning van de verdachte. De vraag is wat er vervolgens in de woning is gebeurd. De verdachte zegt dat hij even naar het toilet is gegaan, weer terug kwam en 500 euro miste. Hij heeft [slachtoffer] daarop aangesproken. Toen vond eerst een worsteling plaats waarbij de verdachte [slachtoffer] in zijn neus beet. Het mes kwam daarna pas. Wat betreft het eerste deel van de gebeurtenissen, het afbijten van de neus, zie ik geen aanleiding om een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aldus noodweer, te bepleiten. Op het moment dat [slachtoffer] het mes pakte, was er wel sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aldus noodweer. Feit 1 kan aldus wel worden gekwalificeerd als zware lichamelijke mishandeling. Wat betreft het tweede deel, het afbijten van het oor van het slachtoffer zegt de verdachte dat hij dit ter verdediging heeft gedaan. Dat zie ik wel.
In de tenlastelegging zit nog een ander deel van het verwijt, een afgebroken kies. Dat letsel zou ten gevolge van slaan door de verdachte zijn ontstaan. Daarvoor zie ik te weinig bewijs. Dat er zou zijn geslagen is ook niet in de aangifte genoemd.
Ten aanzien van het feit 2 wens ik het volgende op te merken. De schade aan de linker middelvinger is duidelijk, ook gelet op de verklaringen van de verdachte. [slachtoffer] en de verdachte hebben echter over de linker bovenarm verklaard. Daarover staat alleen iets in het FARR-rapport. Dat letsel moet worden weggestreept. Dan blijft van feit 2 alleen de vinger over. Er is sprake van voortgezet handelen.’