Conclusie
1.Feiten en procesverloop
.In dat kader vermoedden de Britse opsporingsautoriteiten dat veel rekeninghouders van FCIB betrokken waren bij deze belastingfraude. Vanaf begin september 2006 was FCIB tevens voorwerp van strafrechtelijk onderzoek van het Nederlandse openbaar ministerie (hierna: het OM). Per 9 oktober 2006 heeft de Centrale Bank (van destijds de Nederlandse Antillen, thans van Curaçao en Sint Maarten) de bankvergunning van FCIB ingetrokken en is de zogenoemde noodregeling uitgesproken.
primair(i) voor recht zal verklaren dat FCIB uit hoofde van de zogenaamde TWPS claim niets verschuldigd is aan TWPS en ook niet aan [verweerder 1] als liquidator van TWPS en (ii) om TWPS en [verweerder 1] als liquidator van TWPS te gebieden om binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis aan FCIB schriftelijk te bevestigen dat de in 1.9 bedoelde brief is herroepen en dat zij geen enkele vordering op FCIB en/of
‘FCIB entities’ hebben, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
,alsmede [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerster 3] , zowel q.q. als in persoon, zal veroordelen tot vrijwaring van FCIB ter zake van de TWPS claim voor enig bedrag dat FCIB aan TWPS verschuldigd mocht blijken;
,alsmede [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerster 3] , zowel q.q. als in persoon, toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens FCIB en/of onrechtmatig jegens FCIB hebben gehandeld;
‘FCIB entities’ hebben, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
English Claimants,
Other Settlement Companiesen hun liquidators;’
vordering onder II in zaak 113voor zover deze strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de English Claimants en hun liquidators q.q. toerekenbaar tekort zijn geschoten, heeft het hof overwogen:
English Claimantsen hun liquidators q.q. toerekenbaar zijn tekortgeschoten. De klacht luidt dat ten aanzien van de
English Claimantsonvoldoende is gebleken van wilsovereenstemming gericht op het aanvaarden van het forumkeuzebeding.
IP Settlement Agreementszijn de bij de overeenkomst aangesloten partijen, waar het gaat om de door de desbetreffende liquidator vertegenwoordigde vennootschappen, steeds uitdrukkelijk omschreven als de op Exhibit A vermelde companies. Mede gelet op de aan die overeenkomsten voorafgaande communicatie, zoals die blijkt uit de overgelegde stukken, kan in dit bevoeg[d]heidsincident niet worden geconcludeerd dat ook de
English Claimants(via hun liquidator) bij (forumkeuze)overeenkomst de Curaçaose rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van uit de
IP Settlement Agreemeentsvoortvloeiende geschillen. Dit geldt reeds wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 103a Rv en al helemaal ingeval (analogisch) zou worden aangesloten bij de strenge (vorm)vereisten die (de rechtspraak op) artikel 25 van Pro de Brussel I bis-Verordening stelt. Omdat FCIB, naar het Hof begrijpt, haar vordering jegens de
English Claimantssteeds heeft willen baseren op schending van de verplichtingen uit de
IP Settlement Agreements, kan de Curaçaose rechter ook geen bevoegdheid ontlenen aan de forumkeuze die FCIB heeft opgenomen in de algemene voorwaarden die zij met al haar rekeninghouders zegt overeen te komen bij aanvang van de bancaire relatie. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat de contractuele verbintenis die aan de vordering ten grondslag is gelegd verplicht tot een niet doen, zonder dat daarbij een wezenlijke geografische beperking is aangebracht; daarom schept ook (analogische toepassing van) de bepaling van artikel 7 lid 1 van Pro de Brussel I bis-Verordening geen internationale bevoegdheid van de rechter hier te lande. Ten aanzien van de door grief 3 bedoelde vorderingen zal het Hof de Curaçaose rechter dan ook alsnog bevoegd verklaren.’
vordering onder II in zaak 113die strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de English Claimants en hun liquidators zowel in hoedanigheid als in persoon jegens FCIB onrechtmatig hebben gehandeld, heeft het hof overwogen:
English Claimantsen hun liquidators zowel in hoedanigheid als in persoon jegens FCIB onrechtmatig hebben gehandeld. Die onrechtmatige daad bestaat er volgens FCIB in dat de liquidators, in het bijzonder [verweerder 1] , volgens een vooropgezet plan (onder meer door het kopen van een waardeloze vordering) TWPS tot leven hebben gewekt met als (beoogd althans voorzienbaar) resultaat dat TWPS, in de persoon van haar liquidator [verweerder 1] , een nieuwe vordering bij FCIB heeft ingediend, dit voor hun eigen gewin en met verstoring van de afwikkeling van FCIB tot gevolg.
Handlungsort” van deze onrechtmatige daad moet worden gelokaliseerd in het Verenigd Koninkrijk. Daarover bestaat ook geen discussie. Anders echter dan het Gerecht met FCIB heeft aangenomen, is het Hof van oordeel dat er in deze zaak onvoldoende (bijkomende) gronden zijn om te kunnen spreken van een afzonderlijk, in Curaçao gelegen, “
Erfolgsort” dat alternatieve competentie schept ingevolge artikel 98 Rv Pro, zoals uitgelegd in het licht van (de rechtspraak op) artikel 7 lid 2 van Pro de Brussel I bis-Verordening. Naast de omstandigheid dat (het aankondigen van) het instellen van de vordering (bij de Engelse faillissementsrechter) financiële gevolgen heeft die zich (rechtstreeks) op de bankrekening van FCIB in Curacao zullen doen gevoelen, zeker wanneer de vordering (deels) zou worden toegewezen, is er slechts het gegeven dat met die claim ook de afwikkeling van FCIB wordt verstoord. Die (afgeleide) omstandigheid heeft echter onvoldoende toegevoegde waarde om - gelet op de ratio van deze alternatieve bevoegdheidsgrond - te rechtvaardigen dat de vordering ook in Curaçao kan worden aangebracht en beoordeeld. Dat het geschil verband houdt met een overeenkomst waarbij de aangesloten partijen voor de Curaçaose rechter hebben gekozen, legt in dit verband weinig tot geen gewicht in de schaal, al was het maar omdat de
English Claimantsdie forumkeuze niet hebben aanvaard.
vordering onder III in zaak 113die strekt tot nakoming van de IP Settlement Agreements en tot een gebod aan (alle) gedaagden om zich te onthouden van enige handeling die in strijd komt met Section Second (1) (hierna: de kwijtingsbepaling) van de IP Settlement Agreements, heeft het hof overwogen:
vorderingen in zaak 114, heeft het hof overwogen:
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1);
onderdeel 2);
de onderdelen 3 en 4);
Onderdeel 5bevat een op de voorgaande onderdelen voortbouwende klacht.
bevoegdis om daarvan kennis te nemen voor zover deze verklaring betrekking heeft op de vordering van TWPS zelf, en
onbevoegdis voor zover deze ziet op de claim van de liquidator op basis van artikel 213 van Pro de Insolvency Act. Eveneens staat vast dat rechtsmacht van de Curaçaose rechter ontbreekt met betrekking tot de vrijwaringsvordering (zaak 113, vordering I subsidiair) en de jegens [verweerder 1] in hoedanigheid van liquidator van TWPS ingestelde vordering tot het verkrijgen van een negatieve verklaring voor recht (zaak 114, vordering I).
Onderdeel 2aziet op de lokalisering van het ‘Handlungsort’ en betoogt dat het hof een essentiële stelling van FCIB heeft gepasseerd. De
onderdelen 2b-2dkeren zich tegen de overwegingen van het hof dat het ‘Erfolgsort’ niet in Curaçao kan worden gelokaliseerd.
onderdeel 2bis het oordeel in rov. 2.17 dat de verstoring van de afwikkeling van FCIB slechts een afgeleide omstandigheid is die onvoldoende toegevoegde waarde heeft om te kunnen rechtvaardigen dat de vordering ook in Curaçao kan worden aangebracht, rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel klaagt dat het hof daarmee heeft miskend dat niet alleen sprake is van (directe) financiële schade die zich voordoet op de bankrekening van FCIB, maar dat de directe schadelijke gevolgen van het onrechtmatig handelen van de English Claimants en hun liquidators q.q. bestaan in de verstoring van de afwikkeling van de noodregeling ten aanzien van FCIB in Curaçao. Het onderdeel betoogt dat dit geen afgeleide van de financiële schade is, maar een direct gevolg van het feit dat de English Claimants en hun liquidators de TWPS-claim pretenderen. Curaçao is de plaats waar de initiële schade als (direct) gevolg van het onrechtmatig handelen is ingetreden, aldus het onderdeel.
.Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel betoogt dat het hof niet (kenbaar) in zijn oordeelsvorming heeft betrokken dat, zoals FCIB heeft aangevoerd, (i) de English Claimants bankrekeningen hadden in Curaçao en de vorderingen die (de liquidators van de) English Claimants hebben ingediend bij (de liquidator van) TWPS alle verband houden met het aanhouden van een rekening bij FCIB en het gestelde faciliteren van de BTW-fraude door FCIB alsmede dat (ii) het ‘Handlungsort’ (deels) in Curaçao is gelegen, omdat [verweerders] (als liquidators van de English Claimants) aldaar hebben voorgespiegeld dat een schikking tot ‘finality’ zou leiden. Volgens het onderdeel zijn deze omstandigheden wel degelijk voldoende (bijkomende) omstandigheden die leiden tot bevoegdheid van de Curaçaose rechter, temeer waar deze in samenhang worden beschouwd met de door het hof genoemde (maar te licht bevonden) omstandigheden.
onderdeel 1bhetzelfde lot.
, de English Claimants, de Other Settlement Companiesen hun liquidators’. Deze uitkomst is ook in het dictum opgenomen. Het onderdeel klaagt dat rov. 2.23 en het dictum op dit punt inconsistent zijn met rov. 2.19.
alle gedaagden(zie rov. 5.21-5.26 van het vonnis van 30 oktober 2017). Rov. 2.23 en het dictum – waaruit volgt dat de Curaçaose rechter onbevoegd is om kennis te nemen van vordering III in zaak 113, voor zover ingesteld tegen
een deel vande gedaagden – zijn derhalve tegenstrijdig met het oordeel in rov. 2.19. Niet duidelijk is of de vergissing van het hof is gelegen in rov. 2.19 dan wel in rov. 2.23 en het dictum. [25] In het licht van rov. 2.19 is het oordeel in rov. 2.23 en het dictum – zoals ook [verweerders] erkennen in hun schriftelijke toelichting onder nr. 58 – hoe dan ook zonder nadere toelichting (die ontbreekt) onbegrijpelijk. Het vonnis van het hof kan derhalve op dit punt niet in stand blijven, zodat het onderdeel doel treft.
onderdeel 5tegen rov. 2.23, 2.24 en het dictum.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Onderdeel 1stelt aan de orde dat wanneer onderdeel 3 van het principaal cassatiemiddel slaagt, vaststaat dat rov. 2.19 innerlijk tegenstrijdig is met (en daarmee onbegrijpelijk is in het licht van) rov. 2.23 en het dictum van het vonnis, voor zover het hof daarin de Curaçaose rechter alsnog onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van ‘de vordering onder III in de zaak (…)113 voor zover deze is gericht tegen de TWPS, de
English Claimants, de
Other Settlement Companiesen hun liquidators’.
onderdeel 2zijn gericht tegen rov. 2.19. Nu de klacht van onderdeel 1 slaagt, behoeft onderdeel 2 geen bespreking meer.