ECLI:NL:PHR:2020:846

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
20/00822
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 149 lid 1 RvArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping betwisting facturen en passeren bewijsaanbod in civiele leverantiezaken

In deze civiele zaak draait het geschil om leveranties van vleeswaren in 2015 en 2016 door verweerder aan eiseres, waarbij verweerder stelt dat hij pakbonnen en facturen heeft verstrekt en een bedrag van €50.515,19 nog openstaat. Eiseres betwist de ontvangst van pakbonnen en facturen, maar erkent contante betalingen en stelt dat de facturen vals zijn.

De rechtbank heeft het verweer van eiseres gepasseerd omdat haar betwisting niet consistent en onvoldoende gemotiveerd was. Het hof heeft dit oordeel bevestigd en de cassatieklachten van eiseres verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat volgens art. 149 lid 1 Rv Pro feiten die niet voldoende zijn betwist als vaststaand gelden, en dat het hof terecht het bewijsaanbod van eiseres deels heeft gepasseerd wegens onvoldoende concreetheid.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten van eiseres niet tot cassatie kunnen leiden omdat zij niet duidelijk maakt welke inhoudelijke stellingen haar grieven ondersteunen. Het cassatieberoep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van verweerder.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00822
Zitting3 juli 2020
Conclusie (art. 80a RO
)
W.L. Valk
In de zaak
[eiseres]
tegen
[verweerder]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Partijen [eiseres] respectievelijk [verweerder].

1.Procesverloop

1.1
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijs ik naar:
a. het verstekvonnis in de zaak C/15/258998 / HA ZA 17-364 van de rechtbank Noord-Holland van 21 juni 2017;
b. de vonnissen in verzet in de zaak C/15/263017 / HA ZA 17-595 van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2017 en 28 maart 2018;
c. de arresten in de zaak 200.241.031/01 van het gerechtshof Amsterdam van 6 november 2018 en 3 december 2019.
1.2
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof van 3 december 2019 beroep in cassatie ingesteld.

2.Bespreking van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Ik licht dit kort toe.
2.2
Het geschil betreft leveranties in 2015 en 2016 door [verweerder] aan [eiseres] van vleeswaren. Volgens [verweerder] heeft hij ter zake van deze leveranties aan [eiseres] pakbonnen afgegeven en vervolgens facturen verzonden. Een factuurbedrag van in totaal € 50.515,19 is volgens hem door [eiseres] nog niet voldaan. Nadat de vorderingen van [verweerder] bij verstekvonnis waren toegewezen, heeft [eiseres] in verzet niet betwist dat vleeswaren zijn geleverd, maar zij heeft aangevoerd dat zij nooit pakbonnen kreeg, hoewel zij daarom vroeg, en ook nooit facturen of betalingsherinneringen van [verweerder] heeft ontvangen. Wel heeft zij contante betalingen gedaan, die volgens haar toereikend waren; zij verwachtte van [verweerder] nog geld terug te krijgen. Pas door de sommaties van een incassobureau zou zij van het standpunt van [verweerder] hebben vernomen. De door [verweerder] in het geding gebrachte facturen zouden vals zijn.
2.3
De rechtbank heeft het verweer tegen de vorderingen van [verweerder] gepasseerd op grond van een redenering die erop neerkomt dat [eiseres] de stellingen van [verweerder], die volgens de rechtbank consistent en plausibel zijn, niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, omdat haar stellingen niet consistent zijn. Ook heeft de rechtbank een beroep van [eiseres] op art. 6:89 BW Pro gepasseerd.
2.4
Het tegen het eindvonnis van de rechtbank ingestelde hoger beroep is door het hof verworpen. Het oordeel van het hof komt erop neer dat [eiseres] ook in hoger beroep haar betwisting van de stellingen van [verweerder] onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het hof zich daarom aansluit bij de overwegingen van de rechtbank en die tot de zijne maakt. Zie rechtsoverweging 3.7 van het arrest van het hof.
2.5
Het cassatiemiddel voert
onder aaan dat de overweging van het hof dat [eiseres] ter onderbouwing van haar grieven heeft volstaan met een herhaling van haar stellingen uit de eerste aanleg met slechts de toevoeging dat de rechtbank deze stellingen niet of onvoldoende heeft meegenomen in de beoordeling, onvoldoende begrijpelijk is, nu [eiseres] haar grieven tegen het vonnis van de rechtbank in haar memorie van grieven ‘uitgebreid heeft toegelicht en onderbouwd en deze grieven ter zitting van 24 september 2019 nog nader heeft toegelicht en onderbouwd’. Deze klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat zij niet aanduidt met welke inhoudelijke stellingen [eiseres] haar grieven heeft toegelicht. De verwijzing door de steller van het middel naar een uitgebreide toelichting en onderbouwing volstond niet. Niet de kwantiteit, maar de kwaliteit van het verweer van [eiseres] stond ter beoordeling van het hof. Ik heb ten overvloede de memorie van grieven en de overige stukken van de zijde van [eiseres] in hoger beroep gelezen. Ik lees daar bijvoorbeeld nog altijd geen uitleg hoe [eiseres] bij bankoverschrijvingen heeft kunnen verwijzen naar de nummers van facturen, hoewel zij zegt nooit facturen te hebben ontvangen. [1]
2.6
Het middel
onder bvoert aan dat [eiseres] de stellingen van [verweerder] zeer nadrukkelijk heeft betwist, onder meer in de zin dat zij heeft betwist (1) dat zij de facturen heeft ontvangen, (2) dat de op de facturen vermelde producten aan haar zijn geleverd, (3) dat zij pakbonnen heeft ontvangen en (4) dat zij bij [verweerder] betalingsachterstanden heeft (gehad).
Hieraan verbindt de steller van het middel de rechtsklacht dat het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro de door [eiseres] betwiste stellingen van [verweerder] niet aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen, zonder te hebben geoordeeld dat deze door [verweerder] zijn bewezen. Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Art. 149 lid 1 Rv Pro houdt met zoveel woorden in dat de rechter feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet voldoende zijn betwist, als vaststaand dient te beschouwen (behoudens een nu niet ter zake doende uitzondering). In dat geval is dus niet nodig dat de gestelde feiten ook zijn bewezen.
In het middel onder b is ook te lezen dat het de oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zou zijn, maar een behoorlijke uitwerking van deze motiveringsklachten ontbreekt. Ten overvloede kort het volgende. Het dunkt mij onder meer alleszins begrijpelijk dat volgens rechtbank en hof niet consistent is dat [eiseres] aanvoert nooit facturen te hebben ontvangen, maar niettemin wel betalingen heeft gedaan waarbij zij naar factuurnummers heeft verwezen. In het oordeel van rechtbank en hof ligt verder besloten dat ervan uit moet worden gegaan dat de facturen door [eiseres] wel zijn ontvangen en ook correct weergegeven wat aan haar is geleverd.
2.7
Het middel
onder cricht zich tegen het passeren door het hof van bewijsaanbiedingen van [eiseres]. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.8 het bewijsaanbod van [eiseres] gepasseerd ‘deels omdat het niet ter zake dienend is en deels omdat het betrekking heeft op onvoldoende concrete stellingen’. Volgens de klacht van het middel is het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
Ook deze klachten kunnen klaarblijkelijk geen doel treffen. Waar het hof in rechtsoverweging 3.7 reeds had geoordeeld dat het met de rechtbank de betwisting door [eiseres] van de stellingen van [verweerder] als onvoldoende gemotiveerd passeerde, is rechtsoverweging 3.8 in feite niet meer dan een overweging ten overvloede. De steller van het middel lijkt dit te ook onderkennen, want verwijst mede naar de klacht onder b. Waar die klacht geen doel treft, doet ook die onder c dat niet.
Ten overvloede nog het volgende. Zoals ook blijkt uit de weergave in de procesinleiding in cassatie van hetgeen door [eiseres] te bewijzen is aangeboden, betreft dit in algemene bewoordingen vervatte stellingen, zoals dat zij conform afspraak met [verweerder] betalingen heeft gedaan en geen betalingsachterstanden heeft (gehad), dat zij meer heeft betaald om eventuele betalingsachterstanden te voorkomen, enzovoort. Alleszins begrijpelijk is dat het hof deze stellingen onvoldoende concreet heeft geoordeeld om [eiseres] tot bewijs of tegenbewijs toe te laten.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zij heeft dit althans tot en met de memorie van grieven steeds gezegd. In de pleitaantekeningen van haar advocaat onder 4, bij gelegenheid van het pleidooi ten overstaan van het hof op 24 september 2019, is van de zijde van [eiseres] alsnog erkend dat zij twee facturen heeft ontvangen. De steller van het middel verwijst naar deze erkenning niet. Los daarvan: naar het kennelijke en niet-onbegrijpelijke oordeel van het hof werd met die enkele erkenning van wat niet te ontkennen is, het standpunt van [eiseres] niet alsnog consistent.