Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen verbeurdverklaard.
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. In cassatie werd onder meer geklaagd dat de bewezenverklaring ten aanzien van het ‘deelnemen aan een criminele organisatie’ ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof bij arrest van 15 maart 2016 vernietigd, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en terugverwezen naar het hof. Het hof heeft vervolgens bij arrest van 15 februari 2018 op de onder 1 beschreven wijze beslist.
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft het bestanddeel ‘deelneming aan’ een organisatie en het daarin besloten liggende opzet van de verdachte.
opzettelijkheeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden softdrugs. In het bijzonder keert het middel zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat in coffeeshop [A] niet volgens de gedoogvoorwaarden werd gehandeld. De daartoe door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, namelijk (i) dat de verdachte in de coffeeshop werkzaam was als baliemedewerker en later als leidinggevende, (ii) dat de verdachte de inkoopbonnen van de coffeeshop verzamelde en aan zijn partner gaf, (iii) dat in de woning van de verdachte een briefje is gevonden waarop staat dat de coffeeshop een miljoenenbedrijf is en dat zoveel mogelijk wit gedaan moet worden en (iv) dat op 27 november 2012 een belastend telefoongesprek is gevoerd in het bijzijn van de verdachte, zijn niet (zonder meer) redengevend voor de bewezenverklaring, aldus de steller van het middel.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.