Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld. Aan de verdachte is ter zake van dat feit en het feit witwassen, meermalen gepleegd, waarvoor de verdachte bij arrest van 14 juli 2014 door het hof (inmiddels onherroepelijk) was veroordeeld, een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest opgelegd. Daarnaast heeft het hof de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen verbeurdverklaard.
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “
witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. In cassatie werd onder meer geklaagd dat de bewezenverklaring ten aanzien van het ‘deelnemen aan een criminele organisatie’ in dit arrest van 14 juli 2014 ontoereikend was gemotiveerd. De Hoge Raad heeft deze uitspraak van het hof bij arrest van 15 maart 2016 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging, en terugverwezen naar het hof. Het hof heeft vervolgens bij arrest van 15 februari 2018 op de onder 1 beschreven wijze beslist.
derde middel. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2018 aan nietigheid leidt, nu de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken van het geding bevindt.
23 januari 2018, 09:00
21-002931-16 (hoofdzaak)en
21-000230-16 (ontnemingszaak)
[verdachte] / OM
Raadsman:mr. J.C. Reisinger”
gecombineerdepleitnota is op verzoek van de raadsman op 6 november 2019 door de strafgriffie van de Hoge Raad aan de raadsman toegezonden zodat – reeds om deze reden – mag worden aangenomen dat hij over deze pleitnota beschikt en hij bovendien weet dat ook de Hoge Raad daarover beschikt. Ik vind dat een advocaat niet met dit soort middelen bij Uw Raad moet komen aankloppen.
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft het bestanddeel ‘deelneming aan’ een organisatie en het daarin besloten liggende opzet van de verdachte.
stashten behoeve van het bevoorraden van de coffeeshop kan leiden tot het overtreden van de gedoogvoorwaarden. Het gaat dus niet alleen om de voorraad die ‘op de vloer’ van de coffeeshop zelf aanwezig is, maar eveneens om exploitatievoorraden elders dan in de coffeeshop. Jurisprudentie hierover citeer ik in een voetnoot. [6] Uit de door het hof voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken kan worden afgeleid dat de bedoelde voorraden softdrugs (onder meer) voor exploitatie van de coffeeshop waren bestemd.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.