ECLI:NL:PHR:2020:875

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
30 september 2020
Zaaknummer
19/01979
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 36e SrArt. 3:86 BWArt. 116 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking inzake beklag tegen inbeslagneming kratten wegens onvoldoende motivering

De klager diende een beklag in tegen de inbeslagneming van 8950 kratten, die hij als rechtmatige houder beschouwde, maar waarvan de politie stelde dat deze afkomstig waren van diefstal. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag ongegrond en oordeelde dat klager niet de rechtmatige eigenaar was van de kratten. De kratten waren inmiddels teruggegeven aan een derde partij.

In cassatie klaagde klager dat de rechtbank niet had gereageerd op zijn verweer dat de inbeslagneming zonder strafrechtelijke grondslag had plaatsgevonden. De advocaat-generaal stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd op welke wettelijke grondslag het beslag was gelegd, terwijl dit essentieel is voor de beoordeling van het beklag.

De Hoge Raad volgt de conclusie van de advocaat-generaal en vernietigt de beschikking van de rechtbank. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant voor een nieuwe behandeling en beslissing op het klaagschrift, waarbij duidelijkheid moet worden verschaft over de grondslag van het beslag en de motivering van het oordeel.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering over de strafrechtelijke grondslag van het beslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01979 B
Zitting6 oktober 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klager.
De rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 30 oktober 2018 het beklag van de klager (primair) strekkende tot opheffing van het beslag op 8950 kratten ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2.1.
Het middel klaagt dat de rechtbank niet of onvoldoende heeft gereageerd op het verweer van de klager, inhoudende dat de inbeslagname van de kratten zonder strafrechtelijke grondslag heeft plaatsgevonden.
2.2.
De bestreden beschikking houdt voor zover van belang het volgende in:
“Inleiding
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 24 mei 2018 gelegde beslag op de aan klager toebehorende:
- 8950 kratten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een gedeelte van het strafdossier met bovenstaand parketnummer.
Op 30 oktober 2018 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Klager en de raadsman van klager, mr. J.M.C. Wessels, zijn in raadkamer verschenen.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de inbeslagname van de kratten zonder enige strafrechtelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Klager is de rechtmatige houder van de kratten en is geen verdachte van enig strafbaar feit. Nu de kratten reeds zijn teruggegeven aan [A] , verzoekt de raadsman om schadeloosstelling van klager door middel van de betaling van een bedrag van € 8.364,97. Dit bedrag is berekend op grond van een winstderving van €3,66 per krat.
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het beslag is beëindigd door teruggave van de kratten aan [A] . Subsidiair verzet de officier van justitie zich tegen gegrondverklaring van het klaagschrift en stelt in dat kader - kort samengevat - het volgende.
[A] heeft de afgelopen jaren meerdere aangiftes gedaan terzake van diefstal van kratten De kratten die als gestolen zijn opgegeven hebben unieke codes. De kratten die bij klager zijn aangetroffen, zijn voorzien van deze unieke codes. Dientengevolge kan niet anders dan dat de kratten van diefstal afkomstig zijn. Mocht klager de kratten hebben gekocht, dan kan [A] zich beroepen op derdenbescherming ex artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Klager is derhalve niet de rechtmatige eigenaar van de kratten.
Beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.
Met betrekking tot het beroep van de officier van justitie op niet-ontvankelijkheid van klager
overweegt de rechtbank dat met de overdracht van de kratten aan [A] het belang bij een uitspraak over het inbeslaggenomen geldbedrag niet aan klager is komen te ontvallen gelet op het feit dat de kratten onder klager in beslag zijn genomen. Dat beroep wordt dan ook niet gehonoreerd.
De rechtbank is van oordeel dat dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt dat er op geen enkele wijze rechtmatig gehandeld kan worden in kratten van [A] . Daarnaast is er door [A] aangifte gedaan van diefstal van de kratten die dezelfde unieke codes hebben als de kratten die onder klager in beslag zijn genomen. Klager is niet de rechtmatige houder of eigenaar van de kratten. De rechtbank zal het beklag ongegrond verklaren.
BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beklag ten aanzien van de 8950 inbeslaggenomen kratten ongegrond.”
2.3.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is het volgende van belang. Bij de stukken van het geding bevindt zich een schriftelijke conclusie van de officier van justitie, waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen kratten zijn teruggegeven aan een derde, te weten [A] . [1] In het dossier heb ik echter geen kennisgeving aan klager, op de voet van art. 116 lid 3 Sv Pro aangetroffen. Aangenomen moet worden dat een dergelijke kennisgeving niet is verzonden, zodat het klaagschrift door de rechtbank terecht ontvankelijk is geoordeeld. [2]
2.4.
De klacht in het middel lijkt mij vervolgens gegrond. Aan het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de beklagprocedure bij beslagzaken (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823) valt te ontlenen wat het startpunt is van het beslisschema waaraan de beklagrechter zich dient te houden:
“2.7. Om de juiste beoordelingsmaatstaf te kunnen hanteren zal ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk moeten zijn welke bepaling of bepalingen aan het beslag ten grondslag ligt of liggen.
Bij inbeslagneming op basis van art. 94 Sv Pro staan centraal de waarheidsvinding, ook wat betreft het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr, en het verwijderen uit het maatschappelijk verkeer van voorwerpen waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen.
Bij inbeslagneming met toepassing van art. 94a Sv gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel.”
Enige vorm van duidelijkheid over de grondslag van het beslag heeft de rechtbank echter niet verschaft. Daartoe was zij echter wel gehouden, in het bijzonder gelet op hetgeen door de raadsman bij de behandeling van het beklag is aangevoerd. Daarbij merk ik nog op dat uit de eerder reeds genoemde conclusie van de officier van justitie de grondslag van het beslag evenmin valt af te leiden. Wel is daarin het vakje aangekruist dat luidt: Er komt geen strafzaak tegen klager. Een en ander maakt dat de beslissing van de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd.
2.5.
Het middel slaagt. Enige grond voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.
3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Voetnoten

1.Een en ander vindt voorts bevestiging in de door mij bij het arrondissementsparket Oost-Brabant ingewonnen inlichtingen.
2.HR 15 januari 1991, NJ 1991, 581.