ECLI:NL:PHR:2020:898

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
5 oktober 2020
Zaaknummer
18/02118
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overlijden betrokkene in profijtontnemingsprocedure

In deze zaak betrof het een profijtontnemingsprocedure tegen de betrokkene, die op 29 september 2019 in Spanje is overleden. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft geadviseerd om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit advies is gebaseerd op artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat door het overlijden van de betrokkene het recht tot het instellen of voortzetten van een strafvervolging vervalt.

De Hoge Raad heeft dit advies overgenomen en geoordeeld dat het overlijden niet alleen het strafrechtelijke vervolgingsrecht beëindigt, maar ook het recht tot het voortzetten van de ontnemingsprocedure. Dit betekent dat de eerdere uitspraken van het gerechtshof en de rechtbank die de vordering ontvankelijk hadden verklaard, niet in stand kunnen blijven.

De uitspraak leidt tot vernietiging van de eerdere vonnissen en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot profijtontneming. Hiermee wordt bevestigd dat het overlijden van een betrokkene een einde maakt aan zowel strafvervolging als aan procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot profijtontneming vanwege het overlijden van de betrokkene.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/02118 P
Zitting25 augustus 2020

AANVULLENDE CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de betrokkene.
Op 3 december 2019 heb ik een conclusie genomen in deze zaak, waarin ik de Hoge Raad adviseerde de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep.
Inmiddels is echter volgens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de gemeente Den Haag [gewaarmerkt] afschrift van een [vertaalde] akte van de burgerlijke stand van Spanje gebleken dat de betrokkene op 29 september 2019 te Altea (Spanje) is overleden.
Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet art. 69 Sr Pro zo worden uitgelegd dat door de dood van de betrokkene niet alleen het recht tot het instellen of voortzetten van een strafvervolging tegen hem vervalt, maar ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tegen hem tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zie HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6732.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag en van het vonnis van de rechtbank Den Haag en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG