ECLI:NL:PHR:2020:9

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2020
Publicatiedatum
6 januari 2020
Zaaknummer
19/04910
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvulling op vordering tot cassatie in het belang der wet inzake redelijke termijn in euthanasiezaken

In deze aanvulling op de vordering tot cassatie in het belang der wet verzoekt de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om herstel van een verzuim in de eerdere indiening. De omissie betreft het niet vermelden dat een eerder aangehaald arrest van een kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) was vervallen door verwijzing naar de Grote Kamer.

De aanvulling verduidelijkt dat de Grote Kamer het oordeel van de kamer heeft bevestigd, met name dat Portugal niet materieel in gebreke is gebleven in haar positieve verplichtingen tot levensbescherming, omdat het acute risico onvoldoende specifiek kenbaar was. Tevens wordt benadrukt dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, niet alleen relevant is voor verdachten maar ook voor de kwaliteit van de rechtsorde.

De context van deze zaak betreft de naleving van de redelijke termijn bij vervolgingen in euthanasiezaken, waarbij het begin van de redelijke termijn wordt gekoppeld aan het moment van 'criminal charge'. Deze aanvulling heeft geen gevolgen voor de stellingen in de oorspronkelijke vordering, maar dient ter correctie van de juridische verwijzingen.

Uitkomst: De Procureur-Generaal verzoekt herstel van een omissie in de cassatievordering door correcte verwijzing naar het arrest van de Grote Kamer van het EHRM.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04910 CW
Zitting7 januari 2020

AANVULLING OP DE VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET

J. Silvis
In de zaak
[de arts],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de arts.
1. In de op 17 december 2019 ingediende vordering tot cassatie in het belang der wet (19/04910 CW) is door mij verzuimd bij de aanhaling van een kamerarrest van het EHRM te vermelden dat door verwijzing naar de Grote Kamer van het EHRM dat arrest was vervallen. Ik verzoek uw Raad deze tekortkoming door mij op eenvoudige wijze te laten herstellen door paragraaf 4.14 van de ingediende vordering aan te vullen. Voor de in de vordering ingenomen stellingen heeft deze hierna cursief weergegeven aanvulling geen enkel gevolg. De betreffende paragraaf komt door deze wijziging als volgt te luiden:
4.14.
In algemene termen geeft het Hof in de zojuist aangehaalde zaak (par. 68) aan dat uit de positieve verplichting die op de Staat rust om het leven te beschermen, voortvloeit dat er effectief werkende systemen van gezondheidszorg en recht moeten zijn. Daarbij wordt ook de behandeling van strafzaken binnen een redelijke termijn benadrukt.
Deze uitgangspunten van het unanieme oordeel van een kamer van het EHRM zijn na verwijzing naar de Grote Kamer bevestigd (Fernandes de Oliveira, v.Portugal, 31 januari 2019, nr. 78103/14). Er moet in dit geval rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de patiënt door een geestelijke stoornis niet in staat was rationeel weloverwogen te kiezen voor zelfdoding (par. 124). Maar de Grote Kamer oordeelde over de civiele aansprakelijkheid, anders dan de kamer, dat Portugal materieel niet in gebreke is gebleven de positieve verplichtingen tot bescherming van het leven na te komen, omdat het acute risico van de zelfdoding onvoldoende specifiek kenbaar was voor de autoriteiten om in dit geval tot actief ingrijpen te verplichten. De Grote Kamer achtte, evenals de kamer eerder, de redelijke termijn ten nadele van klager geschonden.Die redelijke termijn is niet alleen van belang voor een verdachte in een zaak, maar ook voor de kwaliteit van de rechtsorde in relatie tot de te beschermen rechtsbelangen (artikel 6 EVRM Pro en artikel 2 EVRM Pro, procedureel). In de wetsgeschiedenis van de Wtl is de naleving van de redelijke termijn bij de vervolging in euthanasie-zaken aan de orde gekomen. Bij de beantwoording van Kamervragen over ‘de redelijke termijn’ is ervan uitgegaan dat het begin van de redelijke termijn ligt bij het moment dat er sprake is van een ‘criminal charge’. Dat is het geval vanuit het perspectief van een verdachte.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden