ECLI:NL:PHR:2020:907

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
6 oktober 2020
Zaaknummer
19/00879
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 lid 2 SrArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt toepassing gijzeling in plaats van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel

In deze zaak stond de verdachte terecht voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. Het gerechtshof Den Haag sprak de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde, maar veroordeelde hem subsidiair tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast nam het hof beslissingen over de vordering van de benadeelde partij en legde het een schadevergoedingsmaatregel op met vervangende hechtenis van 173 dagen.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, waarbij het middel zich richtte op de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:914) was het middel terecht voorgesteld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad vond geen andere gronden voor vernietiging dan de toepassing van vervangende hechtenis en concludeerde tot vernietiging van het arrest voor zover deze maatregel werd toegepast. De Hoge Raad bepaalt dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur moet worden toegepast.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro in combinatie met art. 300 lid 2 Sr Pro en bevestigt dat gijzeling passend is als sanctie bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur moet worden toegepast.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00879
Zitting25 augustus 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 14 februari 2019 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en voor subsidiair “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en daarbij de vervangende hechtenis bepaald op 173 dagen. Ten slotte is een beslissing genomen met betrekking tot een eerdere, voorwaardelijk opgelegde straf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. C.M.H. van Vliet en N.B. Genemans, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en dat de Hoge Raad bepaalt dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG