De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens diefstal waarbij braak en inklimming werden toegepast. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met vervangende hechtenis van dertien dagen.
In cassatie werden twee middelen voorgesteld: het eerste klaagde over de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel, het tweede over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel gegrond was en dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, conform eerdere jurisprudentie.
Het tweede middel werd eveneens gegrond verklaard omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier bij de Hoge Raad meer dan acht maanden waren verstreken, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verminderde de straf. Voor het overige werd het beroep verworpen.