De zaak betreft een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd bewezenverklaard van wederspannigheid met enig lichamelijk letsel jegens politieambtenaren, maar niet strafbaar werd verklaard vanwege ontoerekeningsvatbaarheid en ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €500, waarvan het hof €250 toewijst en de rest niet-ontvankelijk verklaarde wegens onevenredige belasting van het strafgeding.
Verdediging voerde aan dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was en daardoor het vereiste opzet ontbrak. De Hoge Raad bevestigde dat ontoerekeningsvatbaarheid een schulduitsluitingsgrond is, maar dat het hof terecht oordeelde dat verdachte ten tijde van het handelen nog enig inzicht had in zijn gedragingen en gevolgen daarvan. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat ontoerekeningsvatbaarheid niet automatisch de civiele aansprakelijkheid uitsluit, zodat het hof terecht een gedeeltelijke schadevergoeding toekende. De klachten over onvoldoende motivering van het hof werden verworpen. De Hoge Raad zag geen reden voor vernietiging en verwierp het cassatieberoep.