ECLI:NL:PHR:2020:917

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
7 oktober 2020
Zaaknummer
19/03685
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek aanwezigheidsrecht verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor opzettelijk gebruik van vervalst geschrift en oplichting, met een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 75 voorwaardelijk en een geldboete. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdachte om aanhouding van de behandeling vanwege ernstige lichamelijke en psychische klachten, waaronder letsel door mishandeling in detentie en de noodzaak van medisch onderzoek.

Het hof wees het aanhoudingsverzoek af met de motivering dat de medische onderbouwing onvoldoende was, zonder te oordelen dat de omstandigheden niet aannemelijk waren en zonder een belangenafweging te maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een spoedige berechting.

De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het arrest te vernietigen omdat het hof niet heeft voldaan aan de vereisten van een zorgvuldige motivering en belangenafweging, zoals vereist op grond van artikel 6 EVRM Pro. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling.

De Hoge Raad benadrukt dat bij ziekte van de verdachte het aanhoudingsverzoek in principe moet worden ingewilligd tenzij het belang van een behoorlijke strafvordering zwaarder weegt. Het hof had ook rekening moeten houden met het feit dat de verdachte in afwachting was van medische onderzoeksresultaten. De motivering van het hof is ontoereikend en daarom wordt het arrest vernietigd.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/03685
Zitting13 oktober 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 22 juli 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en “opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 2. “oplichting” [1] , veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. In het tweede middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 2 (oplichting).

2.Het eerste middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting, ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van verzoeker, heeft afgewezen.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2019 vermeldt dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt voorts het volgende in:
“Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.N. de Bruijn, advocaat te Almere, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De raadsvrouw deelt mede:
Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting van vandaag. Mijn cliënt en ik hebben beiden een aanhoudingsverzoek ingediend. Mijn cliënt woont in [plaats] , Friesland. Vanwege de reisafstand is mijn cliënt niet in staat om vroeg voor uw hof te verschijnen. Volgens de website 9292 doet mijn cliënt er van deur tot deur vijf uren over om hier te verschijnen. U houdt mij voor dat ik contact met de planning van het hof had kunnen opnemen over het tijdstip van de behandeling van de zaak. Dat heb ik niet gedaan.
Naar aanleiding van de mishandeling in december vorig jaar, in de Penitentiaire Inrichting, is mijn cliënt niet in staat om zich psychisch dan wel lichamelijk voor te bereiden. Met betrekking tot de klachten naar aanleiding van de mishandeling, merk ik op dat mijn cliënt zodanige klappen heeft gehad, dat hij naar de neuroloog en oogarts moest en dat hij de resultaten van de artsen eerst wil afwachten. Dit is niet met meer stukken te onderbouwen. Mijn cliënt wil wel graag aanwezig zijn.
Desgevraagd door de voorzitter, deelt de advocaat- generaal mede:
Ik heb alleen de brief van de verdachte zelf ontvangen. Een verzoek van de raadsvrouw heb ik niet gezien. Ik ga er vanuit dat het verzoek door de raadsvrouw wel is ingediend. Betreffende de reisafstand wil ik opmerken dat de zaak gepland stond om 10:40.uur. [plaats] is in Friesland, mede gelet op het tijdstip van aanvang lijkt mij dat te doen. Voorts is er geen contact opgenomen met de planning. Betreffende het letsel van de verdachte merk ik op dat ik de foto's heb gezien, alsmede de onderliggende stukken. Ik vraag me af in hoeverre daadwerkelijk kan worden gesteld dat de verdachte niet kan verschijnen. Ik verzoek uw hof het verzoek tot aanhouding af te wijzen.
Op vragen van het hof, deelt de raadsvrouw mede:
Het is inderdaad zo dat de reden voor het verzoek tot aanhouding gelegen is in de medische situatie van cliënt en dat de reistijd wel speelt, maar in die zin ondergeschikt is.
U vraagt mij waarom het verzoek niet eerder is ingediend. Ik heb eerder geen contact kunnen
krijgen met mijn cliënt. Dat is pas vorige week gelukt.
U vraagt mij of ik over een medische onderbouwing beschik betreffende de psychische klachten. Nee, hij zegt dat hij heel slecht slaapt en psychisch niet in staat is om te verschijnen.
De voorzitter, onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het door de raadsvrouw ingediende aanhoudingsverzoek niet in het dossier is aangetroffen en - na navraag - evenmin bekend is bij de administratie van het hof.
De voorzitter verzoekt de raadsvrouw haar aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 thans ter zitting per e-mail aan de griffier te sturen.
Na kennis te hebben genomen van het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 en daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de voorzitter, deelt de advocaat-generaal mede:
In het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 brengt de raadsvrouw hetzelfde naar voren als de verdachte, namelijk de psychische gesteldheid en het letsel. Dit wordt verder niet onderbouwd. Ik blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt.
In reactie op de advocaat-generaal, deelt de raadsvrouw mede:
Ik blijf ook bij mijn standpunt.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek tot aanhouding zal afwijzen, nu de medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. Voorts deelt de voorzitter mede dat de behandeling van de zaak doorgang zal hebben en dat de raadsvrouw door haar cliënt uitdrukkelijk en bepaaldelijk is gemachtigd namens haar cliënt de verdediging te voeren, nu haar cliënt er niet is.”
2.3.
Voor beoordeling van een middel waarin geklaagd wordt over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek ter effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte ingevolge art. 6 EVRM Pro, wordt door de Hoge Raad een vast stramien gevolgd waarvan de volgende elementen in de onderhavige zaak van belang zijn:
(i) Als de rechter de omstandigheid die ten grondslag ligt aan het aanhoudingsverzoek niet voldoende onderbouwd acht, dient de rechter, mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden, bijvoorbeeld als het gaat om ziekte van de verdachte, voordat hij beslist over het aanhoudingsverzoek de verdediging de gelegenheid te bieden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen.
(ii) Dat hoeft de rechter niet te doen als de gestelde omstandigheid die ten grondslag ligt aan het aanhoudingsverzoek, ook als die juist zou zijn, na de hierna onder (iv) te maken belangenafweging, niet tot toewijzing van het verzoek zou leiden.
(iii) De rechter kan daarnaast zonder nadere belangenafweging het verzoek afwijzen als de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. [2]
(iv) Als het onder (iii) gestelde zich niet voordoet en dus de aangevoerde omstandigheid niet onaannemelijk wordt geacht, dient de rechter bij de beslissing op het verzoek een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid Pro 3, onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Deze afweging moet blijken uit de motivering van de (afwijzende) beslissing.
(v) In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee aanhouding heeft verzocht, wordt dit verzoek in beginsel ingewilligd tenzij de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.
(vi) In zijn algemeenheid geldt dat de rechter de hiervoor beschreven afwegingen zal moeten maken aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing zal dienen te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. [3]
2.4.
Gelet op het voorgaande, meen ik dat het hof de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ontoereikend heeft gemotiveerd. Aan het verzoek om aanhouding, dat een week voor de zitting is gedaan en ter zitting namens de verdachte is herhaald, is – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de verdachte vanwege lichamelijke en psychische klachten niet in staat was ter zitting te verschijnen. Het hof heeft het verzoek om aanhouding van de zaak vervolgens afgewezen op de enkele grond dat de medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet aannemelijk zijn. [4]
2.5.
Hoewel het voorgaande al voldoende grond is het arrest te vernietigen, wil ik daaraan toevoegen dat ten aanzien van de lichamelijke klachten van de verdachte is aangevoerd dat hij naar de neuroloog en oogarts is geweest en dat hij, zo begrijp ik het verzoek, in afwachting was van de resultaten van dat onderzoek zodat het verzoek (op het moment dat het gedaan werd) niet met meer stukken te onderbouwen was. Uit de overweging van het hof blijkt niet dat het hof deze omstandigheid bij zijn beslissing heeft betrokken. [5]
2.6.
Verder heeft het hof er ook geen blijk van gegeven de vereiste belangenafweging, als hiervoor onder 2.3. sub (iv) t/m (vi) vermeld, te hebben gemaakt. Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, zodat het middel slaagt.
2.7.
Nu het eerste middel slaagt en de zaak op grond hiervan moet worden teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag, kan het tweede middel buiten bespreking blijven. Mocht de Hoge Raad een ander oordeel zijn toegedaan, dan ben ik uiteraard bereid in een aanvullende conclusie het tweede middel te bespreken.

3.Conclusie

3.1.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de herstelbeslissing van het hof die aan het arrest is gehecht.
2.Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m. nt. Mevis.
3.Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m. nt. Mevis.
4.Zie ook HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:902 waarin het ook ging om ziekte wat ten grondslag was gelegd aan het aanhoudingsverzoek. Zie ook HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:398 en HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622. Zie ook M.H. Dubelaar, ‘Het aanwezigheidsrecht in strafzaken anno 2019’, DD 2019/47 en E.T. Luining, ‘Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting en de afwijzing daarvan’, TPWS 2018/2: ”Beslissend is immers niet of het verzoek voldoende onderbouwd is, maar of hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd aannemelijk is geworden en het resultaat van de door de rechter te maken belangenafweging.”
5.Zie ook HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236. Zie voorts ook de noot van Mevis onder 6 en 10 onder HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m. nt. Mevis.