Conclusie
Nummer19/05747
Het cassatieberoep
De zaak
[A]te Rotterdam het levenloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen. De man lag op zijn buik en met name op zijn achterhoofd werd veel letsel waargenomen. Het overlijden was het gevolg van hersenschade, opgelopen door meermalen bij het leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op het hoofd. Het slachtoffer lag voor twee gokkasten. De gokkasten waren opengebroken. Op een werkbank lagen goederen en gereedschap. Daartussen lag een klauwhamer, die geheel was bebloed. Uit veiliggestelde camerabeelden blijkt dat de verdachte op 7 september 2016 een hamer van tafel heeft gepakt en het slachtoffer is gevolgd naar de kelder. Daar heeft de verdachte het slachtoffer uit het niets een harde klap met de hamer op zijn hoofd gegeven, terwijl het slachtoffer op zijn knieën voor de verdachte zat, met zijn rug haar hem toe gekeerd. In de tien minuten daarna heeft de verdachte met tussenpozen het slachtoffer meer dan tien maal op zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer is ten gevolge van het op zijn hoofd uitgeoefende geweld overleden. Uit de camerabeelden blijkt ook dat de verdachte en zijn mededader geld uit de kassa en flessen alcoholhoudende drank hebben weggenomen. Daarnaast is op de camerabeelden te zien dat zij de twee gokkasten hebben opengebroken.
De middelen
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het bewezen verklaarde oogmerk om met de doodslag de uitvoering van het in art. 311 Sr Pro omschreven feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, mede in het licht van een gevoerd verweer, niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, doordat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het aan de bewezen verklaarde diefstal voorafgegane geweld is gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [a-straat 1] “ [A] ” heeft weggenomen
uit speelautomaten geld, zulks nadat hij en zijn mededader, dat weg te nemen geld onder hun bereik had gebracht door braak/verbreking, en flessen alcoholhoudende drank
toebehorende aan [A] of [slachtoffer]
welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”
) zei als hij nog leeft sla ik hem nog een keer dat varken. Ik moet dat geld nu vinden. (...) Hij werd alleen maar kwader en kwader. (...) Hij zocht die 1800 euro zei die. Ik moest in het kantoortje kijken. Ik dacht dat hij mij wat aan wilde doen maar [verdachte] zei nee, nee ik moet gewoon dat geld hebben. (...) Ik moest zoveel mogelijk meenemen. (...) [verdachte] zat aan de broek (het hof begrijpt: van de eigenaar
) te hengelen.”
(…)
Diefstal met geweld?
[A]een bedrag van € 1800 zou liggen, dat de verdachte ten tijde van het delict het bedrag niet kon vinden en steeds bozer werd, dat de verdachte de medeverdachte heeft opgedragen de deuren te controleren en naar geld te zoeken en dat de verdachte en de medeverdachte muntgeld en flessen drank hebben weggenomen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat tussen de eerste geweldshandelingen van de verdachte en het zoeken naar geld sprake was van een kort tijdsverloop en dat de geweldshandelingen tijdens die zoektocht werden voortgezet. Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen voorafgaand aan het geweld is te zien op de camerabeelden, te weten het door de verdachte omhoog houden en kussen van de hamer, het maken van een stekende beweging richting het slachtoffer en het met de hamer volgen van het slachtoffer naar de kelder. Deze feiten en omstandigheden heeft het hof redengevend kunnen achten voor het bewijs dat sprake was van doodslag (feit 1) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, alsmede dat de verdachte het geweld (feit 2) heeft uitgeoefend met het oogmerk de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Van innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering is geen sprake.
derde middelklaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.