Conclusie
nietvan rechtswege in staat van faillissement komen te verkeren (art. 350 lid 5 Fw Pro). De schuldenaren hebben hoger beroep ingesteld tegen de tussentijdse beëindiging. Dat beroep hebben zij later ingetrokken en bij arrest van 16 april 2020 heeft het hof hen niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Hierna heeft de bewindvoerder contact gezocht met de rechtbank en opnieuw gewezen op de (omvang van de) nalatenschap. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank op 21 april 2020 – zonder de schuldenaren te hebben gehoord – een ‘rectificatievonnis’ gewezen. Daarin is bepaald dat de schuldenaren (alsnog) van rechtswege in staat van faillissement verkeren zodra die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De schuldenaren hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 25 juni 2020 heeft het hof het rectificatievonnis bekrachtigd. Tegen dat arrest is het voorliggende cassatieberoep gericht.
1.Feiten en procesverloop
Ik en mijn partner zijn ons ervan bewust dat we laks zijn geweest en alles hebben laten verslonzen. Zonder hulp redden wij het momenteel niet. Ik ben voor deze zitting wel begonnen met het opzoeken van stukken en hoop deze binnenkort aan de bewindvoerder te kunnen overhandigen. Op uw vraag hoe het staat met de nalatenschap van de moeder van mijn partner kan ik u zeggen dat dit ook niet soepel verloopt.”
3.5. (…) Met betrekking tot de nalatenschap van de moeder van [schuldenaar 2] merken [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] op dat de nagelaten koopwoning inmiddels te koop is gezet en dat er ook al mensen zijn komen kijken. De taxatiewaarde van deze woning is € 185.000,00 bij een maandelijkse hypotheeklast van ongeveer € 60,00. De vraagprijs is € 205.000,00. Nu er naast [schuldenaar 2] verder nog maar één erfgenaam is, heeft zij in principe recht op 50% van de verkoopopbrengst. (...)
Resteert door u te ontvangen € 153.348,16
6. Het verdere verloop van de procedure
7.De beoordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2019 zijn de toepassing van de schuldsaneringsregelingen op schuldenaren tussentijds beëindigd. In dit vonnis is abusievelijk bepaald dat geen faillissement zal volgen. Nu is gebleken dat er voldoende baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen verkeren schuldenaren van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan en dient de rechtbank een rechter-commissaris en een curator te benoemen. De rechtbank zal derhalve haar vonnis op deze punten als volgt aanpassen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
van rechtswegebij tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
dat er baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen’; alleen dán ‘
verkeert de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement’. Het stellen van deze aanvullende voorwaarde had tot doel het voorkomen van onnodige werklast voor de rechtbanken en curatoren in faillissementen die direct – wegens gebrek aan baten – opgeheven kunnen worden. Als er geen baten in de boedel zitten, is een faillissement immers zinloos. [19] In de memorie van toelichting bij art. 340 Fw Pro is hierover het volgende te lezen: [20]
In het vierde lid wordt het automatisme opgeheven waarmee een schuldenaar
Zijn er in het geval van beëindiging wegens een van de genoemde gronden wel baten aanwezig, dan verkeert de schuldenaar van rechtswege in staat van
Tussentijdse beëindiging en faillissement van rechtswege
van rechtswegein staat van faillissement verkeert – zó moet worden begrepen dat daar geen rechterlijk vonnis voor nodig zou zijn, maar dat het faillissement van de schuldenaar in die situatie rechtstreeks, ‘automatisch’ zou voortvloeien uit de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. [23]
van rechtswegein staat van faillissement verkeren niet
kanbetekenen dat het faillissement van de schuldenaar rechtstreeks voortvloeit uit het zijn voldaan aan de voorwaarden van art. 350 lid 5 Fw Pro, wordt ondersteund door het feit dat in alle andere situaties voor een faillissement ook steeds een rechterlijke uitspraak is vereist. Dat is het geval voor het gewone faillissement (art. 1 lid 1 Fw Pro), maar ook voor het faillissement dat volgt op de afwijzing van een verzochte surseance (art. 218 lid 5 Fw Pro) of op een door de rechter ingetrokken surseance (art. 242 lid 4 Fw Pro). In laatstgenoemde bepalingen is neergelegd dat de rechtbank die het verzoek tot surseance afwijst c.q. intrekt,
bij dezelfde beschikkingde schuldenaar in staat van faillissement kan verklaren. Daarnaast vereist ook de toepassing van de schuldsaneringsregeling een rechterlijke uitspraak (art. 287 Fw Pro), net als het verlenen van voorlopige of definitieve surséance (artt. 215 lid 2 en 218 lid 2 Fw).
van rechtswegeeindigt (art. 312 lid 2 Fw Pro) is logisch, omdat beide regimes niet naast elkaar van toepassing kunnen zijn en er na het uitspreken van het faillissement dus geen ruimte is voor een afzonderlijke toetsing of de schuldsaneringsregeling wel of niet zou moeten eindigen. Dat is precies het verschil met een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering, omdat dan juist níet steeds een faillissement volgt (anders dan onder het tot 1 januari 2008 geldende recht). Overigens zal ook bij een faillietverklaring van de schuldenaar op de voet van art. 312 lid 1 Fw Pro de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in het rechterlijke vonnis moeten worden neergelegd.
vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het hofarrest van 16 april 2020 en daarmee het beëindigingsvonnis van de rechtbank 5 augustus 2019’. Het onderdeel is bovendien gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.2.3, dat [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] geen belang hebben bij hun hoger beroep ‘
omdat zij met hun hoger beroep niet ongedaan kunnen maken dat zij van rechtswege in staat van faillissement zijn komen te verkeren’.
Onder 1bwordt geklaagd dat de genoemde beslissingen van het hof in ieder geval onbegrijpelijk zijn.
3.2.3 (…) Het hof had dan ook in zijn vorig arrest van 16 april 2020 niet alleen de niet-ontvankelijkheid van [schuldenaren] moeten uitspreken, maar tevens moeten constateren dat [schuldenaren] na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van 16 april 2020, van rechtswege in staat van faillissement kwamen te verkeren. Het gevolg hiervan had moeten zijn dat het hof, ter naleving van het bepaalde van art. 350 lid 5 Fw Pro, vervolgens de zaak had moeten verwijzen naar de rechtbank om terstond een curator en rechter-commissaris te benoemen. (…)”
als automatismevolgt uit de beëindiging van de schuldsaneringsregeling per 5 augustus 2019 en daarmee heeft aangenomen dat de rechterlijke vaststelling dat schuldenaren in staat van faillissement verkeren geen constitutief vereiste is om in de toestand van faillissement te verkeren (rov. 3.2.2), is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (zie onder 2.11-2.15).
verbetert het vonnis van 5 augustus …’.
een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent’ als bedoeld in art. 31 Rv Pro. Vergelijk ook wat Ten Kate & Wesseling-van Gent schrijven over art. 31 Rv Pro: [29]
De fout moet mede in het licht van de stellingen van partijen niet voor redelijke twijfel vatbaar en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn. De regeling is bedoeld voor zeer duidelijke verschrijvingen of (reken)fouten waarvan buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking wilde brengen en die zich ook voor eenvoudig herstel lenen. Het gaat om gevallen waarin het evident is dat en welk ‘steekje’ de rechter heeft laten vallen.”
verzwijgenvan de baten uit de nalatenschap door [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] . Reeds in het eerste verslag van de voormalige bewindvoerder is te lezen dat tijdens het huisbezoek is gebleken dat de moeder van [schuldenaar 2] was overleden en dat in de nalatenschap de woning van moeder viel. [32] Ook in het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is melding gemaakt van de nalatenschap (zie hiervoor onder 1.3). Op de zitting heeft de rechtbank vragen gesteld over de nalatenschap (zie onder 1.4). Tijdens de mondelinge behandeling bij het gerechtshof op 9 oktober 2019 is opnieuw gesproken over de nalatenschap (zie onder 1.7). [33] Na deze zitting heeft de bewindvoerder namens de boedel de nalatenschap beneficiair aanvaard. [34] Het hof heeft in zijn tussenuitspraak van 17 oktober 2019 overwogen dat het in de lijn der verwachtingen ligt dat de schuldenaren binnen afzienbare tijd kunnen beschikken over een aanzienlijke erfenis zodat het hof de afwikkeling van die nalatenschap wenst af te wachten alvorens verder te beslissen (zie onder 1.7). Het hof heeft vervolgens volstaan met het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep, nadat dit was ingetrokken door [schuldenaar 1] en [schuldenaar 2] .
onderdeel 2wordt geen klacht naar voren gebracht, maar wordt aangevoerd dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Nu de rechtbank ten onrechte en op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan art. 31 Rv Pro, moet zowel het arrest van het hof als het rectificatievonnis worden vernietigd.