ECLI:NL:PHR:2020:943

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
12 oktober 2020
Zaaknummer
20/02034
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 221 SvArt. 223 SvArt. 445 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens beëindiging gijzeling getuige

De betrokkene werd op 22 juni 2020 gegijzeld omdat hij als getuige zonder wettige grond weigerde te antwoorden op vragen van de rechter-commissaris. De rechtbank bekrachtigde op 24 juni 2020 het gijzelingsbevel voor maximaal 12 dagen. De betrokkene stelde hiertegen hoger beroep in, maar het hof verklaarde dit op 1 juli 2020 niet-ontvankelijk omdat tegen een gijzelingsbevel geen rechtsmiddel openstaat, tenzij de betrokkene verzoekt om ontslag uit gijzeling, wat niet was gebeurd.

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat hij niet had verzocht om ontslag uit gijzeling. De Procureur-Generaal adviseert echter het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, omdat uit detentiegegevens blijkt dat de gijzeling op 4 juli 2020 is beëindigd.

De Hoge Raad volgt het advies en verwijst naar een eerdere beschikking uit 1997 waarin werd bepaald dat een getuige die al uit gijzeling is ontslagen niet-ontvankelijk is in cassatie tegen afwijzing van een verzoek tot ontslag uit gijzeling. De betrokkene is sinds 4 juli 2020 niet langer gegijzeld, waardoor het cassatieberoep geen belang meer heeft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang omdat de gijzeling van de getuige is beëindigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02034 B
Zitting27 oktober 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 1 juli 2020 het hoger beroep van de betrokkene tegen een beschikking van de rechtbank ex art. 223 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard.
Het gaat in deze zaak om de gijzeling van de betrokkene op 22 juni 2020 omdat hij naar het oordeel van de rechter-commissaris als opgeroepen getuige had geweigerd ‘’zonder wettigen grond’’ op de gestelde vragen te antwoorden als bedoeld in art. 221 lid 1 Sv Pro. De rechtbank heeft het bevel van de rechter-commissaris vervolgens op 24 juni 2020 ingevolge art. 221 lid 2 Sv Pro op 24 juni 2020 bekrachtigd en beslist dat de betrokkene in gijzeling zal worden gehouden voor maximaal 12 dagen. De betrokkene heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de betrokkene op 1 juli 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat op grond van art. 445 Sv Pro tegen een bevel tot gijzeling geen rechtsmiddel open staat en uit de stukken niet blijkt dat de betrokkene de rechtbank op grond van art. 223 Sv Pro heeft verzocht om te worden ontslagen uit de gijzeling, in welk laatste geval wel hoger beroep had opengestaan.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben op 16 september 2020 één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de vaststelling van het hof dat de betrokkene niet heeft verzocht om uit de gijzeling te worden ontslagen. Tot bespreking van dit middel kom ik gelet op het volgende echter niet toe.
De Hoge Raad heeft in een beschikking van 7 oktober 1997 bepaald dat een getuige, die reeds uit de gijzeling is ontslagen, niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ontslag uit de gijzeling, wegens gebrek aan belang. [1] Uit namens mij ingewonnen detentiegegevens is gebleken dat de gijzeling van betrokkene met ingang van 4 juli 2020 is beëindigd. [2] Dat betekent dat de betrokkene dus niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 7 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB9988, NJ 1998/227, zie met name de uitgebreide hieraan voorafgaande nadere conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Machielse ECLI:NL:PHR:1997:AB9988, waar hij ingaat op de klacht dat de rechtsmiddelen die aan de gegijzelde getuige zijn gegeven in feite een wassen neus zijn omdat in veel gevallen de gijzeling reeds zal zijn beëindigd voordat de Hoge Raad aan de beoordeling van het cassatieberoep toekomt.
2.Op de zich bij de Hoge Raad bij de stukken bevindende registratiekaart staat vermeld dat betrokkene tussen 11 juni en 22 juni 2020 ingesloten was op de titel ‘UAVI’, oftewel n.a.v. een vordering Uitstel of Achterwege laten van Voorwaardelijke Invrijheidstelling, met betrekking tot parketnummer 99-000934-44. Betrokkene is vervolgens op de titel ‘’GEVN’’ (gevangenneming) met betrekking tot parketnummer 16-105179-29 ingesloten geweest van 22 juni tot 4 juli. Deze gegevens komen overeen met door de rechtbank bevolen maximale termijn van 12 dagen gijzeling en één van de twee door de rechtbank in haar beschikking genoemde parketnummers van de strafzaken waarin de getuige werd gehoord (met uitzondering van het een-na-laatste cijfer dat kennelijk een misslag is). Sinds 4 juli 2020 is de betrokkene weer gedetineerd op de titel ‘UAVI’ ter zake van parketnummer 99-000934-44. De gijzeling is dus sindsdien geëindigd.