Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
3.4 (…) De natuurlijke persoon ten aanzien van wie de faillietverklaring is verzocht, kan een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen zolang de behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten, met dien verstande dat zulks ook mogelijk is indien het faillissementsverzoek, nadat het door de rechtbank is afgewezen, in hoger beroep wordt behandeld. Is echter eenmaal het faillissement uitgesproken, dan kan de schuldenaar – ook indien hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis tot faillietverklaring – nog slechts binnen de in art. 15b Fw vermelde grenzen om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken (vgl. HR 18 februari 2000, nr. R99/174, LJN AA4878, NJ 2000, 296).”
F./Benfried) waarnaar de Hoge Raad verwijst in het hiervoor weergegeven citaat uit zijn uitspraak van 29 januari 2010, is overwogen: [5]
3.3 Art. 3a F. heeft naar zijn bewoordingen uitsluitend betrekking op het geval dat een vordering of verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling gelijktijdig in eerste aanleg aanhangig zijn. Er bestaat geen grond art. 3a lid 2 aldus uit te leggen, dat deze bepaling tevens van toepassing is in het geval dat het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling eerst is ingediend hangende het door de verzoeker tegen zijn faillietverklaring ingediende hoger beroep. Een dergelijke uitleg is bovendien onverenigbaar met zowel de in faillissementsprocedures geboden spoed en duidelijkheid, als de strikte beperkingen die art. 15b stelt aan de mogelijkheid om nadat een faillissement is uitgesproken alsnog toepassing van de schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen. (…)”
redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in artikel 3, eerste lid, geen verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend’. Dit is een extra drempel ten opzichte van het reguliere schuldsaneringsverzoek. De Hoge Raad spreekt van ‘
strikte beperkingen’. [7] Het verzoek op de voet van art. 15b Fw kan worden gedaan totdat de verificatievergadering is gehouden of totdat de rechter-commissaris een beschikking vereenvoudigde afwikkeling heeft gegeven.
De voorgestelde wijziging stelt buiten twijfel dat door het verzet de instantie heropend wordt. In de memorie van toelichting op artikel 148 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 119) is al opgemerkt dat dit uitgangspunt is voor de nieuwe regeling van verzet, anders dan voor de oude regeling is geoordeeld in het arrest Campina/Royal (HR 21 april 1995, NJ 1995, 682, m.nt. H.E. Ras).”
Het rechtsmiddel van verzet heeft als strekking dat het geding waarin verstek was verleend, wordt heropend en op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet."
HSK/ […]-arrest, waarin een onderscheid is gemaakt tussen hoger beroep en verzet tegen een vonnis tot faillietverklaring. [14] Bij
hoger beroepvan de schuldenaar tegen de faillietverklaring is het voldoen van de vordering van de aanvrager van het faillissement onvoldoende om het faillissement te vernietigen; de appelrechter moet steeds (ex nunc) beoordelen of de schuldenaar in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. [15] In het
HSK/ […]-arrest oordeelde de Hoge Raad dat die regel niet geldt bij
verzettegen de faillietverklaring; in dat geval is het voldoen van de vordering van de aanvrager van het faillissement door de schuldenaar wél voldoende om het faillissement te vernietigen. Overwogen werd het volgende: [16]
3.3.4 (…) Het rechtsmiddel van verzet heeft de strekking dat het geding waarin verstek was verleend, op tegenspraak in dezelfde instantie wordt voortgezet. Het biedt de gedaagde die niet was verschenen en daardoor zijn belangen bij de rechter niet kon verdedigen, daartoe alsnog de gelegenheid, hetgeen strookt met het beginsel van hoor en wederhoor (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1902, NJ 1993/559). Met die strekking van het rechtsmiddel van verzet en met de ingrijpende gevolgen die een faillietverklaring heeft, verdraagt zich niet dat de schuldenaar die zich tegen de bij verstek uitgesproken faillietverklaring wenst te verzetten, bijvoorbeeld met de stelling dat de vordering van de aanvrager niet of niet langer bestaat – welke stelling, indien juist, die aanvrager de bevoegdheid ontneemt het faillissement uit te lokken – bij dat verweer geen baat meer kan hebben.”
reeds uitgesproken faillissement. [17]
dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet bij verzetschrift ex art. 8 lid 2 kan Pro worden gedaan, nu op grond van het bepaalde in art. 284 daartoe Pro een afzonderlijk verzoekschrift bij de rechtbank moet worden ingediend voor welke procedure andere termijnen gelden.’ [20] Kennelijk gingen zowel rechtbank als hof er hier van uit dat het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer in de verzetprocedure kon worden gedaan.
met het uitspreken van het faillissement op 13 mei 2020, de behandeling van het verzoek daartoe is gesloten en dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling na een uitgesproken faillissement slechts mogelijk is binnen de grenzen van artikel 15b Fw’ en heeft hij aangevoerd dat hij in verzet nog kan verzoeken om op de voet van art. 3 Fw Pro te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. [21]