ECLI:NL:PHR:2020:968
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over diefstal uit woning en immateriële schadevergoeding trouwringen
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor meerdere diefstallen uit woningen, waaronder diefstal van trouwringen en een bankpas. De zaak betrof onder meer een poging tot diefstal waarbij verdachte en een mededader zich toegang verschaften tot een woning onder het mom van autopech en woninginspectie.
De verdediging voerde verweren aan tegen de bewezenverklaringen en de tijdsvolgorde van de feiten, met name over de onmogelijkheid van het fysiek aanwezig zijn op alle locaties binnen de gegeven tijd. Het hof verwierp deze verweren en achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig.
De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding voor de diefstal van trouwringen. Het hof kende deze toe zonder nadere motivering over de aard en ernst van de normschending en de gevolgen voor de benadeelde. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is en vernietigt dit deel van de uitspraak, verwijzend naar eerdere jurisprudentie over immateriële schadevergoeding bij aantasting in de persoon.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewezenverklaringen en verwerping van bewijsverweren omtrent de diefstallen niet onbegrijpelijk zijn. De zaak wordt deels vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de immateriële schadevergoeding. Verder is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, wat bij hernieuwde behandeling kan worden betrokken.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over immateriële schadevergoeding en verwijst terug voor hernieuwde beoordeling, bevestigt bewezenverklaringen diefstallen.