ECLI:NL:PHR:2020:969

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
21 oktober 2020
Zaaknummer
19/02236
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 27a SrArt. 6:4:20 SvArt. 6.2.7 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen en vermindert gevangenisstraf

In deze zaak stond het gebruik van valse geschriften (art. 225 Sr Pro) centraal, waarbij de verdachte door het hof was veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf en vervangende hechtenis opgelegd kreeg ter zake van niet-betaalde schadevergoedingsmaatregelen. De verdachte stelde cassatie in tegen de toepassing van vervangende hechtenis en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte vervangende hechtenis had toegepast in plaats van gijzeling conform art. 6:4:20 Sv Pro, zoals eerder vastgesteld in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:HR:2020:914). De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het vervangende hechtenis betrof en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Daarnaast werd vastgesteld dat de termijn voor het inzenden van cassatiestukken was overschreden, maar dit gaf geen aanleiding tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad besloot de gevangenisstraf te verminderen in de mate die passend werd geacht en verwierp het cassatieberoep voor het overige.

Deze uitspraak benadrukt de juiste toepassing van gijzeling in plaats van vervangende hechtenis bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen en bevestigt de grenzen van redelijke termijn in cassatieprocedures.

Uitkomst: Vervangende hechtenis vernietigd en vervangen door gijzeling; gevangenisstraf verminderd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02236
Zitting8 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Bij arrest van 1 mei 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle [1] , het onder 6 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. [2] Voorts zijn 16 schadevergoedingsmaatregelen te vervangen door hechtenis opgelegd als nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In een aanvullende schriftuur is het belang van verdachte bij cassatie toegelicht.
3. Het
eerste middelklaagt dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
4. Het hof heeft de verdachte verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de in het arrest genoemde aantallen dagen hechtenis.
5. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
6. Het
tweede middelklaagt dat in de cassatiefase de redelijke (inzend)termijn is overschreden.
7. “Vooropgesteld moet worden dat onder overschrijding van de redelijke termijn mede is begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is gesteld op acht maanden”, aldus r.o. 3.3. uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358 m.nt P. Mevis.
8. Verdachte heeft op 3 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 januari 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De onder randnummer 7 bedoelde termijn voor het inzenden van stukken is daarmee overschreden.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (1) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast alsmede (2) wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Na verwijzing als beslist in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544.
2.Voor zover aftrek als bedoeld in art. 27a Sr is bevolen, is thans art. 6.2.7 Sv van toepassing.