Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in nr. 1.2.1) dat in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag ervan moet worden uitgegaan dat is afgesproken dat Werkneemster vier en niet vijf dagen per week werkt, zoals Werkneemster heeft gesteld, omdat het hof niet heeft beoordeeld wat moet worden verstaan onder “minimaal vier werkdagen per week” in artikel 17 van Pro de arbeidsovereenkomst.
tegende door de Werkneemster gestelde versie van de afspraken pleit. In dat oordeel ligt besloten dat het hof het standpunt van FBD volgt, dat artikel 17 van Pro het arbeidscontract steeds leidend is geweest, namelijk dat Werkneemster minimaal vier dagen, dus zo nodig ook vijf dagen per week beschikbaar moet zijn.
nr. 1.2.3dat uit rov. 3.13 volgt dat FBD heeft bevestigd dat is overeengekomen dat Werkneemster op woensdag vrij is en zich erop beroept dat dit is overeengekomen onder de ontbindende voorwaarde dat Werkneemster weer werkzaam zou zijn. Volgens het subonderdeel brengt dit mee dat de stelplicht en de bewijslast inzake de wekelijkse vrije woensdag rust op FBD (en niet op Werkneemster), omdat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een ontbindende voorwaarde ligt bij de partij die zich op (het vervuld zijn van) deze voorwaarde beroept.
nr. 1.2.2is aangevoerd dat blijkens rov. 3.4 vast staat dat een maximum van 10 uur per dag inclusief reistijd onderdeel is van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ten slotte wordt in
nr. 1.2.4gesteld dat FBD geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van Werkneemster dat is overeengekomen dat zij vier uur per week thuis werkt en dat het hof hiervan op grond van art. 149 Rv Pro had dienen uit te gaan.
om die reden” geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van FBD”. Het ernstig verwijtbaar handelen kan ook op andere gronden gebaseerd zijn, aldus het subonderdeel. Onder verwijzing naar artikel 17 en Pro artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst stelt het subonderdeel dat ook zonder de stellingen van Werkneemster vaststaat dat “minimaal vier dagen per week” is overeengekomen en dat “werktijden in onderling overleg worden vastgesteld”. Daardoor kan de wens tot en het vasthouden aan vijf werkdagen wel degelijk leiden tot een mogelijk ernstig verwijtbaar handelen.
onderdelen 2 t/m 4kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Hetzelfde geldt voor de voortbouwklacht van
onderdeel 5.