Conclusie
1.Inleiding
franchiseketens (twee supermarkten en twee bouwmarkten) over de concernbepaling van art. 5.4(1) van de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen [1] (Wfsv) voor de indeling van werkgevers in premiesectoren naar gelang het werkloosheidsrisico in een sector van bedrijvigheid.
franchisenemer-supermarkt die op basis van de genoemde concernbepaling voor de premieheffing werknemersverzekeringen samen met haar mede-
franchiseesals één concern ingedeeld wil worden in één sector, nl. sector 19 (grootwinkelbedrijf). Niet in geschil is dat de gezamenlijke
franchiseeshet grootste bedrag verlonen in sector 17 (detailhandel), maar de belanghebbende en haar
franchisegenoten menen dat de Inspecteur zijn bevoegdheid had moeten gebruiken om hen ‘in verband met de maatschappelijke functie van het geheel van (hun) bedrijven’ in te delen in sector 19 (grootwinkelbedrijf), waar de premies in de litigieuze jaren lager waren dan in sector 17.
franchiseesin premiesector 19 (grootwinkelbedrijf) in te delen op basis van het ‘maatschappelijke functie’-criterium in art. 5.4(1) Regeling Wfsv, omdat (i) dat criterium betekenisloos is voor een keuze tussen die sectoren, het onderscheid waartussen immers uitsluitend bepaald wordt door een slechts cijfermatig loonsomcriterium dat mijns inziens irrelevant is voor de maatschappelijke functie van een winkelbedrijf; (ii) de gezamenlijke
franchiseesniet aangemerkt kunnen worden als één werkgever of één bedrijf en de concernbepaling daartoe ook niet strekt, en (iii) ook als dat anders zou zijn, de concernbepaling de Inspecteur door de rechter te respecteren beleidsruimte laat zowel bij de vraag of hij een verzoek om concernindeling honoreert als bij de vraag of –
alshij het verzoek honoreert - de maatschappelijke functie van het geheel van de bedrijven van de betrokken
franchiseesaanleiding geeft om hen niet in te delen volgens de wettelijke hoofdregel van het hoogste premieloon.
2.De (inmiddels gewijzigde) regelgeving
3.Feiten en geschil; prorogatie
4.Het geding in cassatie
franchisenemers aangesloten bij dezelfde
franchiseformule en eenzelfde verzoek hebben gedaan als de belanghebbende. De belanghebbende heeft op 25 september 2020 gerepliceerd; de Staatssecretaris heeft op 20 oktober 2020 gedupliceerd.
primairomdat de Inspecteur geen beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van de tweede volzin van art. 5.4(1) Regeling Wfsv, met name niet bij de vraag of de maatschappelijke functie van het geheel van de werkgevers die tot hetzelfde concern behoren tot aansluiting bij een andere sector leidt dan die van het grootste bedrag aan premieplichtig loon, en (ii)
subsidiairomdat als er beoordelingsvrijheid zou bestaan, de Inspecteur die te buiten is gegaan. De belanghebbende acht in dat verband het gelijkheidsbeginsel geschonden.
BNB2015/88 [6] (zie onderdeel 4.4 bijlage), dat over de eerste volzin van art. 5.4(1) Regeling Wfsv ging, heeft doorgetrokken naar de tweede volzin. Zij erkent dat de inspecteur niet verplicht is tot concernaansluiting, maar meent dat
alshij eenmaal tot concernaansluiting overgaat, zoals in haar geval, de tweede volzin van art. 5.4(1) Regeling Wfsv hem voorschrijft
hoehij moet indelen. Zij meent dat de zinsnede 'kan op aanvraag ... beslissen' alleen ziet op de eerste volzin en niet op de tweede. Het Hof had haars inziens niet afstandelijk, maar volledig moeten beoordelen of de maatschappelijke functie van het geheel van de
franchisewerkgevers aanleiding geeft tot aansluiting bij sector 19. Daartoe had het Hof volgens de belanghebbende de volgende drie rechtsvragen moeten beantwoorden, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten:
franchiseorganisatie die zich naar buiten toe als één grootwinkelbedrijf presenteert en meer dan 250 winkels exploiteert en wier maatschappelijke functie door de consument dan ook als één grootwinkelbedrijf wordt gezien. Die maatschappelijke functie is volgens haar niet anders dan bij andere
franchiseformules waarbij de grootste loonsom wél in sector 19 ligt doordat de
franchisegever toevallig zelf een groot aantal winkels exploiteert. Onderscheid op basis van zulke verschillen in
franchiseformule ligt volgens haar niet in de rede. Zij vervolgt:
franchiseformule door alleen te onderzoeken of het grootste deel van de gezamenlijke loonsom aan een hulpwerkzaamheid is betaald die niet kenmerkend is voor de maatschappelijke functie van de formule. Hij had de maatschappelijke functie van het geheel van de [A] -formule moeten onderzoeken en vaststellen, nl. een grootwinkelbedrijf dat de sector-19-grens vér overschrijdt. De Inspecteur heeft zijn beoordelingsvrijheid dus, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet redelijk ingevuld.
verweerbetoogt de Staatssecretaris dat de Inspecteur wel degelijk beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van de gehele in art. 5.4 Regeling Wfsv neergelegde concernregeling. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris:
franchisenemers heeft een premieloonsom onder de sector-19-grens, zodat de enige juiste indeling die in sector 17 is.
5.Beoordeling van het middel
franchiseesniet aangemerkt kunnen worden als één werkgever of één bedrijf en de concernbepaling daartoe ook niet strekt, (iii) ook als dat anders zou zijn, de concernbepaling de Inspecteur door de rechter te respecteren beleidsruimte laat zowel bij de vraag of hij een verzoek om concernindeling honoreert als bij de vraag of –
alshij het verzoek honoreert - de maatschappelijke functie van het geheel van de bedrijven van de betrokken
franchiseesaanleiding geeft om hen niet in te delen volgens de wettelijke hoofdregel van het hoogste premieloon, en (iv) de belanghebbende geen schending van het gelijkheidsbeginsel aannemelijk heeft gemaakt met haar vergelijking met een niet met haar vergelijkbaar geval: een franchisegever die een groot aantal formulewinkels zelf exploiteert, is één werkgever en één bedrijf; een verzameling zelfstandige kleine werkgevers met elk hun eigen ondernemersrisico is dat niet.
franchiseeen de samentelling van de > € 6 mio-gevallen resp. de ≤ € 6 mio gevallen zijn daarvan relevant. U zie de onderdelen 4.7, 4.8 en 5.1 van de bijlage.