Conclusie
primairtoewijzing op grond van het Albanese vonnis (‘pseudo-exequatur’) en
subsidiairop grond van een eigen beoordeling van de Nederlandse rechter. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen op de primaire grondslag; het hof wijst de vorderingen op beide grondslagen af. Volgens het hof is het Albanese vonnis op het punt van de hoogte van de schadevergoeding dermate onbegrijpelijk gemotiveerd, dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM Pro en erkenning van het vonnis in strijd zou komen met de openbare orde (toepassing
Gazprombank-criteria). De vorderingen zijn ook niet toewijsbaar op grond van de subsidiaire grondslag, een eigen beoordeling van het hof.
In cassatie wordt in verband met de primaire grondslag geklaagd over een onjuiste uitleg van het Albanese vonnis, over het niet juist toepassen van de
Gazprombank-criteria en over het niet uitputten van de nationale rechtsmiddelen in Albanië door Enel c.s. In verband met de subsidiaire grondslag wordt geklaagd dat het hof had moeten aanknopen bij het Albanese vonnis, voor zover daarin beslissingen zijn neergelegd die níet strijdig zijn bevonden met de openbare orde en dat het hof ten onrechte ervan uitgaat dat de reikwijdte van de herbeoordeling op grond van art. 431 lid 2 Rv Pro is begrensd door hetgeen door beide partijen is aangevoerd in de Albanese procedure. Ten slotte worden een aantal motiveringsklachten aangevoerd tegen de eigen beoordeling van het hof.
special purpose company’(SPC) met BEG en Enelpower als aandeelhouders voor respectievelijk 51% en 49%. Deze SPC zou de waterkrachtcentrale feitelijk gaan exploiteren. De door de waterkrachtcentrale opgewekte elektriciteit en de bijbehorende groencertificaten zouden door de SPC worden verkocht aan Enel, die de elektriciteit in Italië zou verhandelen. Voor zover van belang vermeldt de samenwerkingsovereenkomst het volgende:
2) Subject matter of the agreement
thoughts on the rebuttals concerning the expert report”van 19 maart 2007 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
On ALBAMs missing profit
VI On ALBAM’s missing profit
the essential expenses of building and maintaining the power station to produce and export energy. As a consequence, the conclusions the experts have reached, besides reflecting many defects and errors, are in no wise sufficient to determine the damage claimed by ALBAM.”
particularly mistakenas
regards the determination of the damage and its size as suffered by ALBAM, being determined without any support in any serious fact or evidence. During the trial we have deposited a detailed memorandum relating to all the rebuttals to the expert report and on which we stand foursquare in this complaint as well. (...) The consultants whom the Court cites word for word have specified a sum of 25,188,500.00 Euro as “the loss of opportunity to profit from the prices of the Green Certificate for 2004”. But they have completely failed to take into account: (i) the expected revenues from the energy sale price as the difference between incomes and expenditures, but only as gross income; (ii) the essential expenses of building and maintaining the power station to produce and export energy; (iii) “the plaintiffs gain” or the effective income which could come from marketing energy produced, even though the experts were specifically asked about this (...). The experts themselves calmly state that they confined themselves to calculating gross income,
without taking costs into account!!!! ”
Wetten die van toepassing zijn op de zaak in behandeling. (...)
particularly mistakenas
regards the determination of the damage and its size as suffered by ALBAM, being determined without any support in any serious fact or evidence. In both phases of the trial we have deposited a detailed memorandum relating to all the objections to the expert report and on which we stand foursquare in this complaint as well. (...) But what strikes one most of all in the surprise decision by the Tirana Court and later the Appeals Court is that these Courts
confined themselves solely to presenting the conclusions of the expert report which had been so disputed and opposed during the trial. (...)
without taking costs into account!!!! (...) In conclusion, and following on from the above arguments, there are more than adequate grounds for considering the expert report before the Tirana Judicial District Court and their presentations before the Appeals Court to be wholly inacceptable. ”
2.Procesverloop
primairgebaseerd op de veroordelingen van Enel c.s. in het Albanese vonnis (‘pseudo-exequatur’).
Subsidiairheeft ABA haar vorderingen gebaseerd op een herbeoordeling ten gronde door de Nederlandse rechter. [3]
3.Inleidende opmerkingen
Gazprombank-arrest heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe het op art. 431 Rv Pro gebaseerde commune recht ten aanzien van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen luidt: [11]
Gazprombank-arrest opgesomde voorwaarden voor erkenning. In de tweede plaats kan een eiser om een nieuwe inhoudelijke behandeling van het geschil vragen, de ‘inhoudelijke art. 431-procedure’. In dat geval blijft buiten beschouwing of de buitenlandse rechterlijke beslissing voor erkenning in aanmerking komt. De twee routes kunnen ook worden gecombineerd, zoals volgt uit rov. 3.6.11 van het
Gazprombank-arrest. Bij toewijzing van het gevorderde levert het Nederlandse vonnis waarin deze procedure uitmondt, de in Nederland uitvoerbare executoriale titel op.
Gazprombank-voorwaarden is voldaan. In het arrest
Yukos Oilheeft de Hoge Raad deze voorwaarden herhaald. [13] Als aan de vier voorwaarden is voldaan, heeft de rechter geen beoordelingsruimte meer; hij
moethet buitenlandse vonnis (in beginsel) erkennen. [14]
Gazprombank-arrest (en eerder uit HR 23 januari 1976,
NJ1977/123).
overgedaan. [16] Het meest uitvoerig is dit toegelicht in het commentaar van Van Rossem/Cleveringa op art. 431 Rv Pro: [17]
Yukos Oilverduidelijkt dat de in het
Gazprombank-arrest onder (ii) en (iii) genoemde erkenningsvoorwaarden hetzelfde doel dienen: [24]
Yukos Oil-arrest, spreken van de ‘openbare orde-exceptie’ als (verkorte) aanduiding van de onder (ii) en (iii) genoemde erkenningsvoorwaarden.
inhoudin strijd komt met de openbare orde. Zie daarover ook het WODC-rapport: [35]
buitengrenscriteriumheeft een absoluut karakter en ziet op de inhoud van het buitenlandse recht of de inhoud van het buitenlandse vonnis. Het gaat daarbij om fundamentele beginselen en grondslagen van de eigen rechtsorde met een zo absoluut en onaantastbaar karakter, dat daarmee strijdig recht in alle gevallen buiten toepassing blijft. Erkenning van een daarmee strijdig vonnis kan in geen geval worden getolereerd, zelfs als de Nederlandse rechtssfeer niet of nauwelijks bij het concrete geval is betrokken. Dat geldt ook als de toepassing van het buitenlandse recht of erkenning van het buitenlandse vonnis leidt tot een resultaat dat op zichzelf beschouwd niet in strijd is met de openbare orde. [38] Bij strijd met het buitengrenscriterium kan worden gedacht aan buitenlands recht of een buitenlands vonnis dat strijdig is met grondrechten, het non-discriminatiebeginsel of de rechtsstatelijkheid. [39] Het
binnengrenscriteriumkomt in beeld als het vreemde recht of het buitenlandse vonnis de toets aan het buitengrenscriterium heeft doorstaan. Het binnengrenscriterium heeft een relatief karakter en ziet op de gevolgen van toepassing van het vreemde recht of erkenning van het buitenlandse vonnis. Bij dit criterium spelen de concrete omstandigheden van het geval en de mate van betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer wél een rol. De erkenning van een buitenlands vonnis dat naar zijn inhoud niet onaanvaardbaar is, blijft niettemin achterwege indien erkenning in het concrete geval zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet mag worden geduld. [40] In het WODC-rapport wordt als voorbeeld genoemd het geval waarin door de buitenlandse rechter excessief hoge
punitive damageszijn toegewezen, die geen verband houden met of in enige verhouding staan tot de werkelijk geleden materiële of immateriële schade en daarbovenop zijn gebaseerd op een bestraffend element. [41]
LBIO-arrest heeft de Hoge Raad in het kader van een exequaturprocedure op basis van het Nederlands-Oostenrijkse Executieverdrag [42] beslist dat erkenning van een buitenlandse beslissing niet met een beroep op de openbare orde kan worden uitgesloten, ‘
indien aan de wijze van totstandkoming van de beslissing van een buitenlandse rechter toegeschreven tekortkomingen - in dit geval: schending van de motiveringsplicht en schending van het beginsel van hoor en wederhoor - door het aanwenden van een rechtsmiddel hadden kunnen worden hersteld en niet is gebleken dat de door de beslissing bezwaarde procespartij tot het aanwenden van het rechtsmiddel niet in staat is geweest’. [43] Met andere woorden, het niet gebruiken van alle beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst staat in de weg aan een beroep op strijd met de openbare orde van de beslissing waarvan erkenning wordt verzocht. Dit wordt ook wel aangeduid als de ‘uitputtingsregel’.
Diageo/Simiramidaheeft het HvJEU geoordeeld dat in het kader van de openbare orde-exceptie van (de voorloper van) art. 45 Brussel Pro I bis-Verordening de rechter van de aangezochte lidstaat die nagaat of sprake is van een kennelijke schending van de openbare orde, ermee rekening dient te houden dat, behoudens bijzondere omstandigheden die het te moeilijk of onmogelijk maken de rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst aan te wenden, de justitiabelen de plicht hebben alle rechtsmiddelen die in de lidstaat van herkomst van de beslissing beschikbaar zijn aan te wenden om een dergelijke schending in een eerder stadium te voorkomen. [44]
Diageo/Simiramidawordt afgeleid dat een beroep op de openbare orde-exceptie van art. 45 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Verordening in beginsel faalt, indien men heeft nagelaten om een beschikbaar rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing. [45] De ratio van deze ‘uitputtingsregel’ is het aan de Brussel I bis-Verordening ten grondslag liggende beginsel van het wederzijds vertrouwen binnen de Unie in elkaars rechtsstelsels en rechterlijke instanties: op basis van dit vertrouwen kan worden aangenomen dat het bestaande stelsel van rechtsmiddelen in elke lidstaat, aangevuld met de prejudiciële procedure van art. 267 VWEU Pro, de justitiabele voldoende waarborgen biedt om een onjuiste toepassing van nationaal recht of het Unierecht, te herstellen. [46]
Yukos Oil-arrest was aan de orde of voor de erkenning op grond van het commune recht – dus buiten verdrag of verordening – een vergelijkbare uitputtingsregel geldt als is vervat in het
LBIO-arrest dan wel het arrest
Diageo/Simiramida. [47] De Hoge Raad heeft daarover het volgende overwogen:
Yukos Oil-arrest niet dat de Hoge Raad een algemene uitputtingsregel heeft geformuleerd voor het commune internationaal privaatrecht. De Hoge Raad heeft alleen beslist welke algemene regel het commune internationaal privaatrecht
nietkent, namelijk de regel dat een beschikbaar rechtsmiddel moet worden aangewend als de betrokkene daartoe niet in staat is, ook als het aanwenden daarvan vermoedelijk ineffectief, kansloos of zinloos is. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter betekenis
kantoekennen aan de omstandigheid dat beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst van de beslissing niet zijn uitgeput en dat die omstandigheid in de weg
kanstaan aan het oordeel dat sprake is van schending van de (procedurele en materiële) openbare orde. Deze instructie aan de rechter gaat minder ver dan die in het kader van de openbare orde-exceptie van art. 45 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Verordening. In dat laatste geval
moetde rechter immers rekening houden met de omstandigheid dat de justitiabele de plicht heeft om alle beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst aan te wenden. Dit verschil laat zich verklaren door de omstandigheid dat voor de erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen onder het commune recht, anders dan voor erkenning op grond van de Brussel I bis-Verordening, niet het beginsel van wederzijdse vertrouwen in elkaars rechtsbedeling geldt.
Yukos Oilzo, dat het aan de feitenrechter is overgelaten om te beoordelen of het niet benutten van rechtsmiddelen in het land van herkomst door degene die zich verzet tegen erkenning van de buitenlandse beslissing, een beletsel is voor het honoreren van een weigeringsgrond voor erkenning. Bij dat oordeel kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen.
Yukos Oil-arrest schrijft hij daarover het volgende (onder 3.14):
prima facie-onderzoek, maar in de praktijk blijkt dat het onderzoek ook meer gedetailleerd kan zijn en de beslissing soms ook vrij uitvoerig is gemotiveerd. [53]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
arbitrary and manifestly unreasonableen dat de Albanese rechtsgang daarmee niet voldoet aan de op grond van art. 6 EVRM Pro te stellen eisen. Dit brengt mee dat het Albanese vonnis tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die niet voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Bovendien zou de erkenning van het Albanese vonnis tot gevolg hebben dat Enel c.s. in Nederland gehouden zou kunnen worden tot nakoming van een willekeurige en evident onjuiste en onredelijke rechterlijke beslissing, hetgeen in strijd is met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde. De erkenning van het op bovengenoemde wijze tot stand gekomen vonnis is strijdig met de openbare orde, zowel wat het procedurele aspect als wat het materiële aspect betreft (rov. 3.33).
subonderdelen 1.1 en 1.2klagen dat bovengenoemde oordelen onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van een aantal door ABA aangevoerde essentiële stellingen (door haar aangeduid onder 1a tot en met 1h), waarop het hof ten onrechte niet (kenbaar) is ingegaan. Daarbij wordt aangevoerd (bij subonderdeel 1.2) dat ABA in de Albanese procedure steeds vergoeding heeft gevorderd van de winst over de gehele concessieperiode van 30 jaar. De Rechtbank Tirana heeft dat onderkend en deskundigen benoemd om de gederfde winst over de gehele concessieperiode te berekenen. De deskundigen konden alleen voor 2004 de gederfde winst berekenen, omdat zij alleen voor dat jaar over de relevante marktprijzen beschikten. Vervolgens heeft de Rechtbank Tirana op basis van het deskundigenrapport een
schattinggemaakt van de schade over de periode 2005-2011 (zeven jaren), ter grootte van de over 2004 gederfde winst, hoewel de concessieperiode 30 jaar bedroeg.
schattenderwijsis vastgesteld; de over de
geheleconcessieperiode van 30 jaar toegewezen schade zou schattenderwijs zijn begroot op een bedrag ter hoogte van de winst over zeven jaar. Om die reden zou moeten worden aangenomen dat toch rekening is gehouden met de kosten van de bouw en het onderhoud van de waterkrachtcentrale, en dat wel een onderscheid is gemaakt tussen bruto omzet en winst.
nietheeft verdisconteerd in het toegewezen schadebedrag en dat de toegewezen schadevergoeding, anders dan door ABA is aangevoerd, [54] geen betrekking heeft op de totale gederfde winst over de
geheleconcessieperiode. Gegeven die uitleg, was er geen aanleiding voor het hof om te responderen op de hiervoor onder (i) – (iv) vermelde stellingen van ABA.
schattingis van de door ABA gevorderde schade. Evenmin blijkt daaruit dat het gaat om een vergoeding voor over de
gehele concessieperiodegeleden schade. Zie (de Nederlandse vertaling van) het dictum van het vonnis, in samenhang gelezen met de daaraan voorafgaande overwegingen op pagina 27-28 van het vonnis (mijn onderstrepingen): [55]
buitencontractuele schade voor het jaar 2004te betalen, schade die door de deskundigen op 25.1885.500 euro is berekend. Aangezien
de waarde van de schade en de gederfde winst voor de periode 2005 - 2011 niet kan worden berekend, omdat de verkoopprijs van de elektrische energie mede door andere factoren wordt beïnvloed die op dit moment niet kunnen worden voorspeld, zal de waarde van de opbrengsten uit de elektrische energie voor de overige jaren voor elk jaar afzonderlijk worden berekend volgens de formule die in het deskundigenrapport is bepaald, op basis van de prijzen die zich op de markt hebben bewezen, Vn = (Q x Pn) + (Q x Pcn), waar (n) staat voor het betrokken jaar, V staat voor de totale inkomsten, de opbrengst uit de verkoop van elektrische energie, Q is de hoeveelheid die zou worden geëxporteerd in de jaren 2005 - 2006 - 2007- 2008 - 2009 - 2010 – 2011, die gelijk zou zijn aan 371 miljoen kWh / jaar, P is de verkoopprijs van de elektrische energie volgens de markt, Pc is de prijs van de groene certificaten voor de komende jaren volgens de MSE (Italian Electricity System Operator) S.p.A.
de waarde van de schade en het winstverlies voor de jaren 2005 – 2011zal zijn en enkel de formule voor de berekening van dergelijke schade voor zich heeft, oordeelt de rechtbank en geeft de eisende partij de opdracht om, op het moment dat ze de tenuitvoerlegging van deze uitspraak zal eisen over
de waarde van de schade voor de periode 2005 – 2011(voor het jaar 2004 zijn leges voor de vordering voldaan), vooraf executiekosten te betalen over het bedrag dat zal worden vastgesteld aan de hand van de berekening die de deskundigen voor deze jaren zullen maken.
buitencontractuele schade voor de hoeveelheid elektrische energie van 371.000.000 kWh per jaar, voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011volgens de formule Vn = (Q x Pn) + (V x Pcn), als omschreven in het deskundigenrapport, dat integraal deel van dit vonnis uitmaakt, te betalen.”
geheleconcessieperiode te begroten. Daarmee is er ook geen grond voor de gedachte dat de toegewezen schadevergoeding een schattenderwijs vastgestelde vergoeding is voor die gehele periode.
achtjaar. [56] Die eisvermeerdering was ingegeven door het feit dat in het deskundigenrapport de schade was begroot op acht jaren aan gederfde omzet. Het door de Rechtbank Tirana toegewezen schadebedrag over acht jaren (2004 en 2005-2011) sluit dus precies aan bij die vordering van ABA.
Gazprombank-voorwaarden voldoet, of art. 6 EVRM Pro is geschonden en of tenuitvoerlegging van het Albanese vonnis in strijd komt met de Nederlandse openbare orde. Aangevoerd wordt dat de omstandigheid dat een uitspraak ‘evident’ in strijd is met het materiele toepasselijke recht of dat een rechter nalaat een essentieel verweer te onderzoeken en daarop met zoveel woorden in zijn uitspraak te responderen, de uitspraak wellicht vatbaar maakt voor vernietiging door een hogere rechter, maar dat dit niet (zonder meer) meebrengt dat de gehele procedure in strijd is met de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtsgang of dat (tenuitvoerlegging van) de uitspraak in strijd komt met de openbare orde. Volgens het onderdeel geldt dit temeer omdat het hof niet heeft beoordeeld of het kostenverweer van Enel c.s. tot een lagere schadevergoeding had behoren te leiden.
ten minstesamenvallen met de criteria voor een ‘fair trial’ als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.24 overwogen dat uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat sprake kan zijn van strijd met beginselen van een behoorlijke rechtspleging (het recht op een
fair trial, als vastgelegd in art. 6 EVRM Pro), indien een rechterlijke beslissing
willekeurigof
manifest onredelijkis. [57] Het hof heeft tevens rechtspraak van het EHRM geciteerd waaruit onder meer volgt dat een gerecht op grond van art. 6 EVRM Pro de verplichting heeft om behoorlijk onderzoek te doen naar de standpunten van partijen [58] en de essentiële kwesties die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd moet adresseren. [59] De door het hof tot uitgangspunt genomen (uitleg van de) rechtspraak van het EHRM is niet bestreden.
gevolgenvan de erkenning in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde, en dat daarvan geen sprake is bij erkenning van een (beweerdelijk qua omvang ontoereikend gemotiveerde) veroordeling tot betaling van schadevergoeding (althans niet op de daartoe door het hof voldoende geachte gronden).
nietkan worden vastgesteld dat het EHRM Enel c.s. niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege kennelijke ongegrondheid van de door hen aangevoerde klachten als bedoeld in art. 35 lid 3 onder Pro a EVRM.
nietkan worden vastgesteld dat het EHRM – zoals door ABA was gesteld onder verwijzing naar opinies van twee voormalig raadsheren van het EHRM [60] – de klachten van Enel c.s. niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat deze kennelijk ongegrond waren als bedoeld in art. 35 lid 3 onder Pro a EVRM. In rov. 3.20 voegt het hof daaraan toe dat de klachten van Enel c.s. niet op inhoudelijke gronden zijn afgewezen (waarmee het hof kennelijk doelt op afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid), maar op grond van het oordeel van de rechter-poortwachter dat de klachten niet aan de drempel-criteria voor ontvankelijkheid van art. 34 en Pro 35 EVRM voldoen. Daarbij heeft het hof in het midden gelaten op welke van de in art. 34 en Pro art. 35 EVRM Pro genoemde ontvankelijkheidseisen het beroep van Enel c.s. dan wel niet-ontvankelijk is verklaard. De juistheid van het betoog van Enel c.s. (dat eveneens met opinies van voormalig EHRM-rechters was onderbouwd), [61] dat zij niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat niet eerst alle beschikbare rechtsmiddelen in Albanië zijn uitgeput (art. 35 lid 1 EVRM Pro), is daarmee eveneens in het midden gelaten.
subonderdeel 2.2 onder cwordt geklaagd dat het hof in rov. 3.20 ten onrechte heeft aangenomen dat de toetsing van de ontvankelijkheid met betrekking tot de kennelijke ongegrondheid, geen inhoudelijke toetsing betreft.
LBIO-arrest voortvloeiende uitputtingsregel niet is overtreden omdat Enel c.s. redelijkerwijs konden menen dat van het buitengewone rechtsmiddel van beroep bij het Constitutionele Hof van Albanië geen
effective remedyte verwachten viel in dit geval. In de tweede plaats heeft het hof geoordeeld dat rekening gehouden dient te worden met de aard en het gewicht van de geconstateerde schending van de openbare orde en dat dit betekent dat, voor zover van dit buitengewone rechtsmiddel toch nog enig effect viel te verwachten, het enkele onbenut laten daarvan in de gegeven omstandigheden niet ertoe kan leiden dat aan het vonnis jegens Enel c.s. in Nederland gezag zou kunnen worden toegekend.
effective remedyte verwachten viel van een klacht bij het Albanese Constitutionele Hof, onbegrijpelijk is (
onderdeel 2.3 onder a). Dat is temeer het geval nu Enel c.s. (blijkens haar eigen klacht bij het EHRM en haar eigen uitleg van haar niet-ontvankelijkverklaring door het EHRM) heeft erkend dat zij voor de door het hof geconstateerde schending van art. 6 EVRM Pro bij het Constitutionele Hof terecht kon (
onderdeel 2.3 onder c). Daarnaast stelt ABA dat het oordeel uit gaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof het beroep op de uitputtingsregel heeft verworpen omdat het Constitutionele Hof de zaak niet zelf had kunnen afdoen, maar had moeten terugverwijzen naar lagere instanties (
onderdeel 2.3 onder b). Ten slotte klaagt ABA dat het oordeel van het hof, voor zover het heeft geoordeeld dat het onbenut laten van het rechtsmiddel van beroep bij het Constitutionele Hof niet aan Enel c.s. kan worden tegengeworpen vanwege de aard en het gewicht van de schending van de openbare orde, blijk geeft van een onjuiste opvatting over de uitputtingsregel, dan wel ontoereikend gemotiveerd is (
onderdeel 2.3 onder d).
Yukos Oil-arrest blijkt dat de rechter in de erkenningsprocedure van art. 431 lid 2 Rv Pro betekenis
kantoekennen aan de omstandigheid dat beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst van de beslissing niet zijn uitgeput en dat die omstandigheid in de weg
kanstaan aan het oordeel dat sprake is van schending van de (procedurele en materiele) openbare orde. Dit brengt mee dat de rechter de discretionaire bevoegdheid heeft om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, niet een dergelijk gevolg te verbinden aan het onbenut laten van beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst. De klacht slaagt dan ook niet.
fair hearingzijn geschonden, terwijl het niet kenbaar kunnen maken van haar standpunt niet het probleem was. Onder die omstandigheden, zo is het hof klaarblijkelijk van oordeel, kan het (enkele) onbenut laten van de rechtsgang bij het Constitutionele Hof niet worden tegengeworpen aan Enel c.s. Het hof houdt daarbij dan tevens nog rekening met de aard en het gewicht van de geconstateerde schending. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
subonderdelen 3.1 t/m 3.3zijn gericht tegen rov. 2.14 en 2.15 van het eindarrest. Het hof heeft in rov. 2.14 vooropgesteld dat bij de inhoudelijke herbeoordeling alle door ABA ter onderbouwing van haar vordering gestelde feiten en rechten en de daartegen door Enel c.s. (en haar dochters) gevoerde verweren opnieuw dienen te worden beoordeeld. Volgens het hof volgt uit de aard van de procedure op grond van art. 431 lid 2 Rv Pro dat dit artikel geen bevoegdheid creëert en dus geen ruimte bestaat voor een beoordeling van nieuwe vorderingen en nieuwe feiten die niet reeds in de Albanese procedure zijn gesteld. Het geschil zoals dat thans voorligt wordt, behalve door de vorderingen en hetgeen daar feitelijk en rechtens aan ten grondslag is gelegd, ook begrensd door hetgeen daarover aan beide zijden is aangevoerd in de Albanese procedure, met dien verstande dat ruimte bestaat om deze stellingen nader uit te werken en toe te lichten. In rov. 2.15 heeft het hof geoordeeld dat het standpunt van ABA, dat het hof zich dient te beperken tot de schadebegroting en zich voor het overige moet richten naar het oordeel van de Albanese rechter, onjuist is. Weliswaar staat de wijze waarop de schade is begroot in de weg aan erkenning, maar aan de omstandigheid dat dit aspect beslissend is geweest voor het weigeren van het pseudo-exequatur komt volgens het hof niet het door ABA gestelde gevolg toe. Nu eenmaal is beslist dat de Albanese beslissingen tot stand zijn gekomen in een gerechtelijke procedure die niet voldoet aan de eisen van een met behoorlijke waarborgen omklede rechtspleging en dat deze als strijdig met de Nederlandse openbare orde niet erkend kunnen worden, treft dat de gehele beoordeling van de vordering door de Albanese rechter en zullen alle aspecten van de vordering, binnen de onder rov. 2.14 bedoelde grenzen, opnieuw worden beoordeeld, aldus het hof.
onder a) dat bij een daadwerkelijke herbeoordeling door de Nederlandse rechter ruimte moet bestaan voor de inbreng van nieuwe feiten, vorderingen en verweren.
subonderdeel 3.2 onder bgesteld dat het hof heeft miskend dat zijn (in de rov. 2.7-2.7.4) op de artikelen 2 en 6 Brussel I bis-Verordening gebaseerde bevoegdheid in verband met de artikelen 23 en 24 Rv meebrengt dat geoordeeld dient te worden over al hetgeen ABA in deze procedure heeft gevorderd en dat daarbij al hetgeen ABA daaraan in deze procedure ten grondslag heeft gelegd moet worden betrokken.
subonderdeel 3.3vitiëren de subonderdelen 3.1 en 3.2 ook rov. 2.15. Verder klaagt het subonderdeel dat het hof in rov. 2.15 heeft miskend dat aan een buitenlandse uitspraak, ook voor zover die niet in haar geheel kan worden erkend, toch bewijswaarde kan toekomen, en dat die bewijswaarde van oordeel tot oordeel moet worden beoordeeld. Het subonderdeel klaagt voorts dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op de door ABA ingeroepen bewijskracht van de niet door niet door artikel 6 EVRM Pro neergelegde beginselen gevitieerde onderdelen van de Albanese uitspraken.
subonderdeel 3.4wordt geklaagd dat het hof niet de beslissing (of het ontbreken van een motivering ervan) van de Albanese rechters over het kostenverweer van Enel c.s. heeft herbeoordeeld. Het hof heeft een geheel andere beslissing herbeoordeeld, namelijk het oordeel van de Albanese rechters dat Enel c.s. onrechtmatig jegens ABA heeft gehandeld. Deze beoordeling(swijze) van het hof is onjuist, omdat (a) het hof slechts op het punt van het kostenverweer van Enel c.s. het Albanese vonnis moest herbeoordelen. Het door de Albanese rechters niet onderzoeken en niet in de motivering responderen op het verweer van Enel c.s., was immers de enige reden voor het hof om het Albanese vonnis niet te erkennen. Bovendien (b) heeft het hof de vorderingen van ABA ten onrechte afgewezen, nu in cassatie moet worden uitgegaan van het – niet gemotiveerd verworpen – betoog van ABA, dat het in het Albanese vonnis toegewezen bedrag overeenstemt met haar gederfde winst over de gehele concessieperiode, zodat het toegewezen bedrag dus niet te hoog is.
oneigenlijkebezwaren opwierp niet heeft verworpen, moet volgens het subonderdeel van de juistheid van die stelling worden uitgegaan, op zijn minst veronderstellenderwijs. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat Enelpower zich om elke haar moverende reden terug mocht trekken uit de samenwerking niet begrijpelijk is in het licht van de volgende stellingen van ABA, die het hof niet (kenbaar) bij de beoordeling zou hebben betrokken:
precontractuele fasete goeder trouw te gedragen en wanneer in het algemeen in deze fase sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Uit de daarop volgende alinea’s van de pleitnota blijkt dat dit juridische kader door ABA is geschetst ten behoeve van haar standpunt dat Enel zich in deze precontractuele fase ten opzichte van ABA niet te goeder trouw heeft gedragen. Dat is een andere stelling.
geenoneigenlijke bezwaren heeft opgeworpen om zich terug te trekken uit de samenwerkingsovereenkomst met BEG. Ook hierop stuit de klacht af.
dissenting opinionvan slechts één Albanese rechter in eerste instantie (rechter Enkela Bajo) en het hof niet heeft gemotiveerd hoe het zijn van rechter Bajo overgenomen oordeel verenigt met de oordelen van de drie Albanese rechterlijke instanties en daarmee overeenstemmende (door ABA in het geding gebrachte) opinies. Het subonderdeel stelt dat het hof met name niet is ingegaan op de motivering van Bajo voor haar (niet-bindende) afwijking van de (wel-bindende) oordelen van alle andere rechters en de door ABA overgelegde opinies. In dat verband wordt aangevoerd dat Bajo haar opinion mede heeft gebaseerd op de feitelijke onjuiste (en door Enel c.s. niet verdedigde) veronderstelling dat BEG en Enelpower op 25 september 2000 een nieuwe overeenkomst zouden hebben gesloten, waarin dezelfde clausule over ‘withdrawal’ zou zijn opgenomen als in de samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2000.
dissenting opinionvan Bajo [64] , maar op een eigen beoordeling van de tussen partijen bestaande rechtsverhoudingen naar Albanees recht. Op basis van deze eigen beoordeling heeft het hof in rov. 2.25.2 geoordeeld dat de in rov. 2.25.1 weergegeven analyse van Bajo met betrekking tot het beweerde onrechtmatige handelen of nalaten van Enelpower jegens ABA in haar
dissenting opinionwordt onderschreven. Uit de genoemde rechtsoverwegingen blijkt niet dat het hof enige betekenis heeft toegekend aan de in de
dissenting opiniongenoemde ‘agreement’ van 25 september 2000 en de daarin opgenomen clausule over ‘withdrawal’. De suggestie dat de
dissenting opinionvan rechter Bajo (vooral) zou zijn gebaseerd op de hiervoor bedoelde overeenkomst van 25 september 2000 is bovendien onjuist. Zoals ook blijkt uit het in rov. 2.25.1 opgenomen citaat, steunt de in die overweging weergegeven en door het hof onderschreven opinie met name op een uitleg van (artikel 9 van Pro) de tussen BEG en Enelpower gesloten samenwerkingsovereenkomst van 2 februari 2000.
voorstellen te bekijkenvoor de afname van elektriciteit. Het gaat dus niet om een toezegging waaruit ABA het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat Enel met haar een PPA en PTA zou sluiten.
onder abouwt voort op subonderdeel 3.7 en kan daarom reeds niet slagen.
onder bdat de verwerping van het bewijsaanbod ook overigens onjuist of ontoereikend is gemotiveerd. ABA heeft in feitelijke instanties de volgende stellingen aangevoerd die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat Enel tijdens de bespreking van 13 februari 2003 bij ABA het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij de PPA en PTA (alsnog) zou sluiten: