ECLI:NL:PHR:2021:104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid hof bij klaagschrift voortduring conservatoir beslag op grond van art. 94a Sv
De zaak betreft een klacht over voortduring van conservatoir beslag op goederen en geldbedragen die verband houden met een ontnemingsmaatregel en een strafzaak. Het hof Den Haag verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het klaagschrift en zond de zaak door naar de rechtbank Rotterdam.
De klager stelde dat het hof wel bevoegd was, omdat het beslag mede was gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen maatregel in een strafzaak die nog niet onherroepelijk was. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof wel bevoegd is voor zover het beslag is gelegd op grond van art. 94a, eerste lid, Sv, en de rechtbank voor zover het beslag is gelegd op grond van art. 94a, tweede lid, Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onbevoegd was en vernietigt de beschikking. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Den Haag voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift. De Hoge Raad benadrukt dat het hof bevoegd is voor het gedeelte van het beslag dat samenhangt met de strafzaak en de rechtbank voor het gedeelte dat samenhangt met de ontnemingszaak.
De Hoge Raad laat de vraag of het beslag ook mede is gelegd in de zaak van een derde partij buiten beschouwing, omdat dit een feitelijke beoordeling betreft die niet in cassatie aan de orde kan komen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift.