Conclusie
Inleiding en feiten
Indien ten aanzien van een canonherziening geen overeenstemming tussen partijen wordt bereikt zal de canon voor de eerstvolgende periode van vijf jaren worden vastgesteld door drie deskundigen, waarvan één zal worden benoemd door ieder der partijen, de derde door de beide partijen benoemde, of zo daarover geen overeenstemming wordt verkregen, door de Heer Kantonrechter te Amsterdam, op verzoek van de grondeigenaar.
Deze deskundigen zullen de canon bepalen op een percentage, gelijk aan het alsdan geldende gemiddelde percentage voor normale eerste hypothecaire geldleningen, van de door hen te taxeren reële waarde van de grond zonder de opstallen, telkenmale ten dage van de canonbepaling. De aan een dergelijke canonherziening verbonden kosten zijn geheel voor rekening van de erfpachter.”
Deze deskundigen zullen de canon bepalen op een percentage gelijk aan het alsdan geldende gemiddelde percentage voor normale eerste hypothecaire geldleningen, van de door hen te taxeren reeële waarde van de grond zonder de opstallen, telkenmale ten dage van de canonbepaling. De aan een dergelijke canonherziening verbonden kosten zijn geheel voor rekening van de erfpachter. (...)”
Deze deskundigen zullen de canon bepalen op een percentage gelijk aan het alsdan geldende gemiddelde percentage voor normale eerste hypothecaire geldleningen, van de door hen te taxeren reeële waarde van de grond zonder de opstallen, telkenmale ten dage van de canonbepaling. De aan een dergelijke canonherziening verbonden kosten zijn geheel voor rekening van de erfpachter. (...)”
2.Het verloop van de procedure
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ibetreft de gehanteerde toetsingsmaatstaf,
onderdeel IIbestrijdt het oordeel dat de wijzigingsbedingen onredelijk bezwarend zijn,
onderdeel IIIziet op de verwerping van het betoog van SVBN dat volledige vernietiging van deze bedingen haar onaanvaardbaar benadeelt, en
onderdeel IVbevat een veegklacht.
subonderdelen 1.1-1.3over rov. 3.5 en rov. 3.6 (alsmede, blijkens voetnoot 2 bij het onderdeel, rov. 3.2, 3.6, 3.9 en 3.14).
Subonderdeel 1.1klaagt, samengevat, dat het hof weliswaar in rov. 3.5 heeft geoordeeld dat de Richtlijn niet van toepassing is, maar dat uit het vervolg van het arrest blijkt dat het hof toch (de facto) heeft getoetst aan de Richtlijn (waar het criterium van ‘onevenwichtigheid’ centraal staat) en niet (louter) aan afdeling 6.5.3 BW (waarbinnen ‘onevenwichtigheid’ slechts een van de relevante gezichtspunten is). In rov. 3.6 overweegt het hof dat het evenwicht in de verplichtingen over en weer van de partijen bij een overeenkomst “een relevant gezichtspunt” vormt in het kader van de toetsing aan afdeling 6.5.3, maar vervolgens toetst het hof de wijzigingsbedingen enkel aan het - uit de Richtlijn afkomstige - criterium van onevenwichtigheid en sluit het zich zonder nadere motivering aan bij het oordeel van de rechtbank (rov. 3.2, 3.6, 3.9 en 3.14). Voorts wordt nergens in het arrest verwezen naar de specifieke artikelen in afdeling 6.5.3 BW waarop SVBN zich heeft beroepen, aldus de klacht.
Subonderdeel 1.2voegt daaraan toe dat voor zover het hof van oordeel is dat de toets uit hoofde van de Richtlijn (relevant) gelijk is aan een toets aan afdeling 6.5.3, dat oordeel onjuist is, omdat de toetsingsmaatstaven verschillend zijn met als gevolg dat toetsing aan afdeling 6.5.3 BW minder snel tot het oordeel van onredelijk bezwarendheid moet leiden dan wanneer toetsing aan de Richtlijn plaatsvindt.
Subonderdeel 1.3concludeert dat de bestreden overwegingen niet in stand kunnen blijven omdat het hof zich daarin heeft gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting over de te hanteren toetsingsmaatstaf.
Voorts is ook voor de toetsing aan art. 6:233 onder Pro a BW (zonder richtlijnconforme uitleg) van belang of het omstreden beding het evenwicht van contractuele rechten en plichten verstoort. [24] Deze toetsing behoeft niet beperkter of minder streng te zijn dan bij toepasselijkheid van de Richtlijn.
subonderdelen 1.2 en 1.3, die uitgaan van voor de beoordeling van deze zaak relevante verschillen tussen beide maatstaven, kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 1.1) vervolgens in het arrest naar aanwijzingen waaruit zou blijken dat het hof louter heeft getoetst of sprake is van onevenwichtigheid, en verbindt daaraan de conclusie dat het hof enkel daaraan heeft getoetst.
Het onderdeel verliest daarbij uit het oog dat het hof overweegt dat het, voor zover relevant, acht slaat op alle argumenten die de erfpachters hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun betoog dat de wijzigingsbedingen ongeldig zijn; het hof verwerpt het standpunt van SVBN dat argumenten waaraan door een partij de conclusie is verbonden dat het evenwicht in de overeenkomst is verstoord, niet kunnen worden geacht te zijn aangevoerd in het kader van het beroep op onredelijk bezwarendheid (rov. 3.6, in zoverre in cassatie niet bestreden).
Argumenten die de rechtbank beoordeelde in het kader van de toets of de bedingen ‘oneerlijk’ in de zin van de Richtlijn zijn, komen bij het hof dus aan bod bij de toets of de bedingen onredelijk bezwarend zijn. Het partijdebat verklaart daarmee waarom in dit geval de door het hof voor de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van de wijzigingsbedingen gehanteerde argumenten betrekking hadden op de onevenwichtigheid van deze bedingen.
Anders dan
subonderdeel 1,1betoogt, is in dit verband niet relevant dat het hof niet verwijst naar art. 6:236 lid 1 onder Pro n of o BW. SVBN heeft op deze bepalingen gewezen en geconcludeerd dat zij niet van toepassing zijn in dit geval. [25] Het hof volstond met een toets aan de open norm van art. 6:233 onder Pro a BW en is aan een toets aan deze twee bepalingen op de zwarte lijst niet toegekomen. In zoverre berust onderdeel I op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het daarom feitelijke grondslag.
subonderdelen 2.1-2.5), de financieringsmogelijkheid (
subonderdelen 2.6-2.11), de opzegbaarheid (
subonderdelen 2.12-2.13), het initiatief tot canonherziening
(subonderdelen 2.14-2.16) en de kosten (
subonderdelen 2.17-2.18). Naar mijn mening dienen deze klachten te falen.
Onduidelijkheid over toekomstige lastenontwikkeling
subonderdelen 2.1-2.5bestrijden het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat het in 2011 ontstane probleem om bij reguliere banken een financiering van particuliere erfpacht te verkrijgen een gevolg is van met name het feit dat de wijzigingsbedingen niet voorzien “
in een consistente en bepaalbare wijze van aanpassing van de canon, doordat de akte noch voor de grondslag van de canon noch voor het percentage objectieve richtsnoeren bevat”. Volgens het hof is deze onduidelijkheid van de toekomstige lastenontwikkeling een inherent kenmerk van de wijzigingsbedingen, zodat deze kan worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het beding al dan niet onredelijk bezwarend is, ook al heeft het probleem zich pas geopenbaard toen SVBN al vier jaar bloot eigenaar was.
subonderdelen 2.1 en 2.2klagen, samengevat, dat het hof, door te oordelen dat de wijzigingsbedingen niet voorzien in een consistente en bepaalbare wijze van aanpassing van de canon en dat sprake is van onduidelijkheid van de toekomstige lastenontwikkeling, geen blijk heeft gegeven van toepassing van het juridische kader dat volgt uit HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:796, rov. 4.2.2, namelijk dat aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan ‘als aan de hand van de inhoud van de overeenkomst de inhoud van de verbintenis kan worden bepaald dan wel de overeenkomst een procedure bevat waarlangs dit laatste kan plaatsvinden, zoals een nadere vaststelling van de inhoud van de verbintenis door een derde’. Een bepaling strekkende tot herziening van de canon door deskundigen voldoet aan dit vereiste, ook indien geen concrete criteria zijn genoemd.
Subonderdeel 2.3klaagt subsidiair dat het bestreden oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.5(subonderdeel 2.4 bespreek ik later) herhaalt en verwijst naar deze klachten.
onderdeel IIbestreden overweging betreft niet de bepaalbaarheid van de wijzigingsbedingen, maar een andere vraag, namelijk of de wijzigingsbedingen onredelijk bezwarend zijn. In het kader van de beantwoording van deze vraag nam het hof in rov. 3.8 in aanmerking dat het ontbreken in de erfpachtakte van objectieve richtsnoeren voor de grondslag van de canon en het percentage de voornaamste oorzaak is van het vrijwel onmogelijk worden om bancaire financiering voor particuliere erfpacht te verkrijgen, omdat onduidelijkheid bestaat over de toekomstige lastenontwikkeling van de erfpachter. Ook indien uit het genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat de wijzigingsbedingen voldoen aan het bepaalbaarheidsvereiste van art. 6:227 BW Pro, dan geeft de in rov. 3.8 door het hof gevolgde redenering geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [26] Bij de toetsing aan art. 6:233 onder Pro a BW dient immers te worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Het hof behoefde daarom niet in te gaan op de stellingen van SVBN over de bepaalbaarheid van de wijzigingsbedingen.
subonderdeel 2.4is het oordeel ook onvoldoende gemotiveerd gelet op de stellingen van SVBN dat beide partijen zich bij het afsluiten van het erfpachtrecht hebben blootgesteld aan het risico dat een mogelijke waardedaling of -stijging invloed zou kunnen hebben op de canon en dat in dat kader altijd sprake is van onvoorzienbaarheid, alsmede dat bij het vaststellen van de nieuwe hypotheekrente na het verstrijken van de rentevaste periode eveneens substantiële verschillen tussen de renteverplichtingen kunnen bestaan zonder dat die als onvoorzienbare wijziging worden gekwalificeerd.
Subonderdeel 2.5herhaalt en verwijst naar deze klachten.
Financieringsmogelijkheden
subonderdelen 2.6-2.11zijn gericht tegen de overweging in rov. 3.2 dat het wijzigingsbeding het erfpachtrecht niet of moeilijk financierbaar maakt en de overweging in rov. 3.7 dat financiering vrijwel onmogelijk is door middel van een gewone “eigenwoninghypotheek” en dat dit voor particuliere huiseigenaren/erfpachters een serieus probleem vormt.
Subonderdeel 2.6noemt deze overwegingen onbegrijpelijk in het licht van vier stellingen van SVBN, die achtereenvolgens in de
subonderdelen 2.7-2.10worden uitgewerkt.
Subonderdeel 2.11bevat een op de subonderdelen 2.1-2.5 voortbouwende klacht. Deze klacht faalt in het voetspoor van die subonderdelen.
Ter bespreking resteren de
subonderdelen 2.6-2.10voor zover gericht tegen rov. 3.7.
een gewone ‘eigenwoninghypotheek’”) vrijwel onmogelijk is geworden.
In een brief van SVBN aan [verweerders 1a en 1b] van 31 januari 2011 staat: “
Sinds begin 2010 is het praktisch onmogelijk geworden huizen op particuliere erfpacht te verkopen. Dit in verband met het feit dat banken voor het aankopen van dergelijk onroerend goed geen financiering meer verstrekken.” (rov. 2.1.4).
Het Nederlands Instituut voor Erfpacht B.V. heeft aan de hand van de criteria van de NVB voor de financierbaarheid van particuliere erfpacht een ‘rode opinie’ ten aanzien van het erfpachtrecht van [verweerders 1a en 1b] gegeven (rov. 2.1.7 met een weergave van de voor deze opinie gegeven motivering).
Alle door [verweerders 1a en 1b] in 2016 geraadpleegde hypotheekaanbieders en -adviseurs hebben medegedeeld dat in het geval van particuliere erfpacht hoe dan ook geen hypothecaire financiering zou worden verleend, dan wel alleen als daarvoor een volledig ‘groene opinie’ was afgegeven (rov. 2.1.8).
SVBN heeft ter zitting te kennen gegeven zich te realiseren dat uit de door [verweerders 1a en 1b] overgelegde verklaringen van hypotheekverstrekkers blijkt dat financiering bij reguliere bancaire instellingen vrijwel onmogelijk is (rov. 3.7).
Het voorgaande geldt ten aanzien van alle erfpachters (zie rov. 3.6, slot, en 3.7).
subonderdelen 2.6-2.10genoemde stellingen van SVBN doen hieraan niet af.
subonderdelen 2.6 en 2.7) dat uit door haar overgelegde leveringsaktes blijkt dat financiering voor erfpacht wel mogelijk is, niet in de weg aan het oordeel dat het verkrijgen van financiering van een bank (“een gewone ‘eigenwoninghypotheek’”) vrijwel onmogelijk is geworden.
Hetzelfde geldt voor de in deze subonderdelen bedoelde stelling van SVBN dat gelet op het tekort aan woonruimte en de hoeveelheid particulier geld op de markt, in combinatie met de locaties van de onderhavige erfpachtrechten, financiering bij de bank in veel gevallen niet nodig zal zijn. Het hof is hierover, niet onbegrijpelijk, van oordeel dat de alternatieve financieringsmogelijkheden minder kopers opleveren en dat dit een drukkende werking heeft op de verkoopopbrengst (rov. 3.7).
subonderdelen 2.6 en 2.8) dat voor zover financiering lastig is, dit niet voortvloeit uit de erfpachtvoorwaarden maar uit algemene ontwikkelingen op de woningmarkt. SVBN heeft gesteld dat banken over de gehele linie (dus ook voor de financiering van eigendom) inbreng van eigen geld verlangen, dat financiering steeds meer op alternatieve wijze plaats vindt, dat wijziging van bancaire regelgeving niet volledig in de risicosfeer van grondeigenaren kan liggen en dat moeilijk financierbaar niet hetzelfde is als onoverdraagbaarheid.
SVBN heeft voorts gesteld (volgens
subonderdelen 2.6 en 2.10) dat de eventuele problemen van erfpachters met financiering voortvloeien uit de aard van het erfpachtrecht, omdat de initiële erfpachter en grondeigenaar zich hebben blootgesteld aan het risico dat een waardedaling of -stijging invloed kan hebben op de canon. Het hof heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom de financieringsmogelijkheden niet ‘gewoon’ het gevolg zijn van de intrinsieke kernmerken van het erfpachtrecht (en waarom de negatieve gevolgen daarvan in het nadeel van SVBN zijn uitgelegd). Evenmin is het hof ingegaan op de stelling van SVBN dat een wijzigingsbeding zoals hier aan de orde is opgenomen in het erfpachtmodel voor particuliere erfpacht.
subonderdelen 2.6 en 2.9wijzen op de stelling van SVBN dat geen sprake is van concrete problemen. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom in het geval van
dezeerfpachters sprake is van beperkte financieringsmogelijkheden (of sterker: onverkoopbaarheid) en heeft ten onrechte geen beslissende betekenis toegekend aan het gegeven dat [verweerder 2] en [verweerders 3a en 3b] niet van plan zijn te verhuizen, aldus de klacht.
Opzegbaarheid erfpachtrecht
subonderdelen 2.12 en 2.13zijn gericht tegen de rov. 3.9 en 3.10, voor zover het hof in zijn beoordeling heeft betrokken dat de erfpachter niet de bevoegdheid heeft om het erfpachtrecht op te zeggen.
Subonderdeel 2.13voegt toe dat het eigen karakter van het erfpachtrecht meebrengt dat het erfpachtcontract in beginsel eeuwigdurend en naar zijn aard niet opzegbaar is.
tegen de eenzijdige bevoegdheid van de grondeigenaar tot (in de praktijk:) verhoging van de canon”. Bij een te hoge canon heeft de erfpachter nu “
geen andere mogelijkheid dan (proberen te) verkopen”. De overweging betreft de beoordeling van het evenwicht van de rechten en plichten van de partijen bij de erfpachtakte. Het is naar mijn mening niet onbegrijpelijk dat het hof in dat kader het ontbreken van een opzegmogelijkheid voor de erfpachter relevant acht. Het gaat immers om toetsing aan art. 6:233 onder Pro a BW waarbij gelet dient te worden op alle omstandigheden van het geval. Hieraan doet niet af de stelling dat het uitsluiten van de opzegbaarheid door de erfpachter strookt met art. 5:87 lid 1 BW Pro en zeer gebruikelijk is, [28] en ook niet dat de mogelijkheid tot opzegging door de grondeigenaar slechts beperkt is. De klachten van
subonderdelen 2.12 en 2.13gaan niet op.
Initiatief tot canonherziening
subonderdelen 2.14-2.16zijn gericht tegen de rov. 3.9 en 3.10, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat alleen de bloot eigenaar (SVBN) het initiatief kan nemen tot een canonherziening bijdraagt aan het onevenwichtig karakter van de regeling.
Subonderdeel 2.15klaagt dat onbegrijpelijk is dat volgens het hof de erfpachters geheel zijn ‘overgeleverd’ aan SVBN en SVBN slechts beslissingen in hun nadeel zal nemen, gelet op de stelling van SVBN dat in de erfpachtvoorwaarden een nauwkeurige procedure voor de canonherziening is overeengekomen en deze herziening dus niet ‘zomaar’ eenzijdig door SVBN plaats vindt.
Subonderdeel 2.16klaagt dat onbegrijpelijk is waarom de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid onredelijk bezwarend is, gelet op de stelling van SVBN dat de wijzigingsbevoegdheid tot doel heeft om de hoogte van de canon na verloop van tijd te kunnen aanpassen aan gewijzigde verhoudingen, opvattingen en inzichten, en dat de afspraken tussen partijen gebruikelijk zijn en voortvloeien uit de aard van het erfpachtrecht.
subonderdelen 2.14-2.16niet. Het hof heeft in rov. 3.9 (rov. 3.10 gaat niet expliciet in op dit punt) geconcludeerd dat de bepaling dat alleen de bloot eigenaar het initiatief tot een canonherziening kan nemen, bijdraagt aan het onevenwichtige karakter van de wijzigingsbedingen. Het hof redeneerde − op zich in cassatie onbestreden − dat op grond van deze bepaling aannemelijk is dat de bloot eigenaar de canon ongemoeid zal laten als de hypotheekrente en grondprijzen (de factoren die de hoogte van herziene canon bepalen) laag zijn en dat mede om die reden de canon hoogstwaarschijnlijk nooit zal dalen. Een canonherziening zal dus zelden in het voordeel van de erfpachter uitpakken. Deze redenering is m.i. geenszins onbegrijpelijk.
Dat volgens de procedure van het wijzigingsbeding uiteindelijk niet de eigenaar maar deskundigen de herziene canon bepalen, dwong het hof niet tot aanvulling van de gegeven motivering. Zoals blijkt uit het gebruik van de formulering “hoogstwaarschijnlijk” onderkent het hof de mogelijkheid dat de deskundigen, ondanks voor de eigenaar gunstige marktomstandigheden, op een lagere herziene canon uitkomen, maar het hof acht dit een zeldzame uitzondering. [29] Of een beding dat alleen de eigenaar de bevoegdheid geeft om een canonherziening in gang te zetten gebruikelijk is, kon het hof in het midden laten, omdat dit voor zijn redenering niet van belang is. Hierop stuit
subonderdeel 2.14af.
Het hof heeft, terecht, rekening gehouden met de nadelen waaraan de wijzigingsbedingen de erfpachters blootstellen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de procedure die in deze bedingen is beschreven, voor zover het betreft het initiatief van de erfverpachter. Het hof heeft niet geoordeeld dat de erfpachters in deze zaken zijn ‘overgeleverd’ aan een erfverpachter die ‘zomaar’ een wijzigingsvoorstel doet. Hierop stuit
subonderdeel 2.15af.
De stelling van
subonderdeel 2.16ziet eraan voorbij dat het oordeel van het hof dat de wijzigingsbedingen onredelijk bezwarend zijn, berust op de verschillende elementen van de onderhavige bedingen.
Kosten vaststelling nieuwe canon
subonderdelen 2.17-2.18zijn gericht tegen rov. 3.11, waarin het hof de bepaling uit de wijzigingsbedingen dat bij een canonherziening de kosten van de drie deskundigen geheel voor rekening van de erfpachters komen, in zijn beoordeling heeft betrokken.
subonderdeel 2.17is de aanname van het hof dat SVBN ‘misbruik’ zal maken van de wijzigingsbedingen onbegrijpelijk in het licht van de stelling van SVBN dat deze bedingen in een uitgebreide regeling voorzien over hoe de canonherziening tot stand moet komen en altijd tot een redelijk voorstel moeten leiden.
geeft blijk van een grote partijdigheid in het voordeel van de bloot eigenaar”). Het hof behoefde dit oordeel niet uitgebreider te motiveren om het begrijpelijk te doen zijn. Het hof heeft voorts niet geoordeeld dat de erfverpachter ‘misbruik’ zal maken van de wijzigingsbedingen.
subonderdeel 2.18is het hof ten onrechte niet ingegaan op het betoog van SVBN dat de bepaling over de deskundigenkosten een ondergeschikt punt betreft en eventueel kan leiden tot een aanpassing van de wijzigingsbedingen maar niet tot een volledige vernietiging van deze bedingen.
van de in die artikelen beschreven canonherzieningsregeling, zodat niet met een partiële vernietiging kan worden volstaan”. [30]
subonderdelen 3.1-3.4over de verwerping in rov. 3.14 van het betoog van SVBN dat integrale vernietiging van de wijzigingsbedingen haar onaanvaardbaar benadeelt.
subonderdeel 3.2is het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd voorbij gegaan aan het ingrijpende gevolg dat SVBN de canon in het geheel niet meer kan herzien. Daarbij heeft het hof niet gereageerd op de stellingen van SVBN (i) dat dit onredelijke gevolg rechtstreeks ingaat tegen hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben afgesproken; en (ii) dat de erfpachters door de vernietiging ten onrechte in een veel gunstiger uitgangspositie geraken dan bij de verwerving van het erfpachtrecht. Voorts is het oordeel in strijd met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro), althans had het hof ambtshalve de rechtsgronden moeten aanvullen en op grond van de redelijkheid en billijkheid tot een ander oordeel moeten komen.
Subonderdeel 3.3vervolgt dat het hof niet is ingegaan op het beroep van SVBN op haar continue bereidheid om naar een praktische oplossing te zoeken en dat gezien deze stelling het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat SVBN in 2007 had moeten begrijpen dat de canonherzieningsregeling onvoldoende evenwichtig was. Volgens
subonderdeel 3.4heeft het hof niet kenbaar gereageerd op de stelling van SVBN over de mogelijkheid van partiële nietigheid.
subonderdeel 3.2) worden aangevoerd, betreffen echter gevolgen die in beginsel inherent zijn aan vernietiging van de wijzigingsbedingen. Het hof heeft daarop voldoende gereageerd met zijn overwegingen in rov. 3.12 en 3.14.
Ten overvloede merk ik op dat het hof kennelijk, en niet onbegrijpelijk in de stellingen van SVBN, althans gezien de in het middel genoemde vindplaatsen, geen gemotiveerd beroep heeft gelezen op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 BW Pro. Het hof had daarom geen aanleiding om te onderzoeken of na vernietiging van de wijzigingsbedingen een leemte in de rechtsverhouding tussen partijen zou bestaan die aanvulling op basis van de redelijkheid en billijkheid vereist dan wel of een beroep op de vernietigbaarheid van de wijzigingsbedingen door de erfpachters naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn – een en ander nog afgezien van de vraag of daartoe in deze zaken rechtens aanleiding zou zijn geweest. [33] Het argument van
subonderdeel 3.3, dat SVBN bereid was om naar een praktische oplossing te zoeken, wat daarvan zij, staat los van de vraag of SVBN bij aankoop van de bloot eigendom heeft kunnen begrijpen dat de wijzigingsbedingen problematisch waren en de aankoopprijs daarop heeft kunnen afstemmen.
Subonderdeel 3.4mist, zoals gezegd, feitelijke grondslag omdat het hof is ingegaan op de mogelijkheid van partiële vernietiging.
onderdelen I-IIIslagen niet, zodat ook het daarop voortbouwende
onderdeel IVniet slaagt. Het cassatieberoep dient daarom te worden verworpen. Ik zag in het middel geen klachten die het nodig maken dat de Hoge Raad antwoord geeft op vragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.