ECLI:NL:PHR:2021:1063

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
20/04255
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 358 lid 3 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 415 SvArt. 25a lid 3 onderdeel d Wet op het voortgezet onderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van leerplichtige jongere wegens ongeoorloofd schoolverzuim

De verdachte, een leerplichtige jongere, werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf wegens het niet nakomen van de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs in de periode van 25 maart 2019 tot en met 12 juli 2019. Het hof oordeelde dat het door verdachte gevoerde verweer, dat neerkwam op een beroep op afwezigheid van alle schuld (AVAS), werd weerlegd door de aanwezige bewijsmiddelen.

Verdachte had aangevoerd dat hij zich op Bonaire had geprobeerd in te schrijven op een middelbare school, maar dat dit mislukte vanwege een langdurige inschrijving bij de gemeente. Na circa twee maanden keerde hij terug naar Nederland en ging niet terug naar zijn oude school omdat hij daar geen zicht had op een diploma. De verdediging pleitte primair vrijspraak en subsidiair het niet opleggen van straf wegens goede wil.

De Hoge Raad stelt dat het aan de feitenrechter is om het verweer uit te leggen en dat het hof het verweer niet als een schulduitsluitingsgrond heeft opgevat. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk omdat de aangevoerde feiten geen schulduitsluitingsgrond opleveren voor het schoolverzuim in de bewezenverklaarde periode. Het cassatiemiddel faalt en wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens niet nakomen van de leerplicht blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04255 J

Zitting16 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomen” veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.
De zaak hangt samen met zaak 20/04254, waarin ik vandaag ook concludeer.
Namens de verdachte hebben mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft gereageerd op een door of namens of namens de verdachte gevoerd verweer dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een beroep op afwezigheid van alle schuld waarop gerespondeerd dient te worden op grond van art. 358, derde lid, Sv jo. art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv jo. art. 415 Sv Pro. Volgens de stellers van het middel schieten de overwegingen van het hof, dat het verweer weerlegging vindt in de bewijsmiddelen en dat er geen omstandigheid is waaruit is gebleken of aannemelijk is geworden dat de verdachte niet strafbaar zou zijn, daarom tekort in het licht van het aangevoerde.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 25 maart 2019 tot en met 12 juli 2019 te Zutphen meermalen, als jongere, die als leerling of deelnemer van een school of instelling, te weten [A] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan zijn verplichting het volledige onderwijsprogramma, het volledige programma van de combinatie leren en werken en/of het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 25a, derde lid onderdeel d en/of 58a, derde lid, onderdeel d van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door die school of instelling werd aangeboden, te volgen, terwijl ten aanzien van hem de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was beëindigd en hij de leeftijd van 18 jaar niet had bereikt en hij geen startkwalificatie had behaald”.
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met bijlagen, opgesteld door [verbalisant 1] , leerplichtambtenaar van de gemeente Zutphen, gesloten d.d. 31 juli 2019, p. 1-7, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
‘Ik, leerplichtambtenaar, heb vastgesteld in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat: de jongere zelfverantwoordelijk is voor het schoolverzuim en de ouder(s) verantwoordelijk is voor het schoolverzuim’
‘Verdachte(n): [betrokkene 1] (vader van [verdachte] )(..) en [verdachte] , geboortedatum en plaats [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ’
Tevens heb ik vastgesteld dat (..) jongere geen startkwalificatie heeft of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend onderwijs’.
‘ [verdachte] is vanaf 25 maart 2019 niet meer op zijn school, de [A] , verschenen. Aangezien er geen inschrijving van een andere school is en ook geen vrijstelling is verleend door leerplicht, wordt zijn afwezigheid als ongeoorloofd gezien’.
‘De leerplichtambtenaar van Bonaire laat op 22-05-2019 weten dat [verdachte] per 26-3-2019 is aangekomen op Bonaire, echter is hij niet ingeschreven in de bevolkingsregister van het Openbaar Lichaam Bonaire en is er in de keten niets over hem bekend.’
‘Leerplicht controleert de inschrijving BPR en ontdekt dat [verdachte] per 29-05-2019 weer ingeschreven staat in de gemeente Zutphen.’
2.
Als schriftelijk bescheid, een bij voorgenoemd proces-verbaal gevoegd afschrift van de kennisgeving (vermoedelijk) ongeoorloofd schoolverzuim (DUO melding) en verzuimstaten, p. 8-11, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
‘Aanwezigheidsregistratie detail [verdachte] ,
[A] :
12-07-2019: ongeoorloofd
(..)
25-03-2019: ongeoorloofd
Uren ongeoorloofd afwezig: 419 uren’
3.
Als schriftelijk bescheid, een bij voorgenoemd proces-verbaal gevoegd afschrift van de BRP uitdraai van [verdachte] en van [betrokkene 1] , p. 12-15.
4.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 24 november 2020,voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
‘Het liep stuk op het formeel inschrijven bij de gemeente. Als het inschrijven was gelukt, was het allemaal goed gekomen. (..)’
7. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs verder het volgende overwogen:
“De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak in ieder geval voor de periode tot de terugkomst van haar cliënt in Nederland. Haar cliënt en zijn ouders hebben er alles aan gedaan om hem in Bonaire naar school te laten gaan.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
8. Het hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen:
“Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
9. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 24 november 2020 heeft de verdachte – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd:
“De leerplichtambtenaar [verbalisant 2] had verteld dat ik geen vrijstelling nodig had om naar Bonaire te gaan. Ook hebben we contact gehad met het juridisch loket van de overheid, waar werd gezegd dat het oké was en ik alleen de kindertoeslag niet zou krijgen. Ik heb geprobeerd me op Bonaire in te schrijven op een normale middelbare school. Ik had zelfs een inschrijfformulier. Vanuit Nederland had ik met die middelbare school al contact. Om mij in te schrijven voor die middelbare school, moest ik me eerst inschrijven bij de gemeente en dat duurde daar enorm lang. Het liep stuk op het formeel inschrijven bij de gemeente. Als het inschrijven was gelukt, was het allemaal goed gekomen.
U, voorzitter, houdt mij voor dat de [A] erg tevreden was en ik binnen een jaar een diploma had kunnen hebben en vraagt mij waarom ik niet terug ging naar de [A] toen ik eind mei weer in Nederland was en het dus nog geen zomervakantie was. Op de [A] had ik geen zicht op een diploma en ik wilde daarom niet terug toen ik in Nederland was. Op Bonaire had ik de kans om eerder mijn diploma te halen. De overheid en het juridisch loket hebben gezegd dat dit zou kunnen. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik pas op 31 juli ben uitgeschreven bij de [A] . Ik ben minder dan twee maanden op Bonaire geweest en was toen terug in Nederland. In de zomervakantie kan je niet zomaar een school regelen. Na de zomervakantie was ik bijna achttien en kon ik niet meer bij scholen aangenomen worden. Ik heb geen contact gehad meer met de [A] , maar wel met andere scholen.”
10. Uit het proces-verbaal blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte tijdens die terechtzitting onder meer het volgende heeft aangevoerd:
“Hij verdient geen straf. […] Er is op Bonaire uitgelegd aan mijn cliënt wat er nodig was voor een inschrijving. Vader heeft toen een afspraak gepland voor een inschrijving op school en heeft ook de benodigde documenten geregeld. De gemeente was echter enorm langzaam. Toen mijn cliënt besefte dat het te lang ging duren, is hij teruggekomen naar Nederland.
[…] Ik bepleit primair vrijspraak. Het gaat dan in ieder geval in de periode tot zijn terugkomst, omdat mijn cliënten er alles aan hebben gedaan om zijn inschrijving voor school te regelen. Subsidiair bepleit ik mijn cliënten niet te bestraffen, omdat zij niet onverantwoordelijk zijn geweest en goede wil hadden.”
11. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De uitleg van een verweer is voorbehouden aan de feitenrechter, maar die uitleg moet wel begrijpelijk zijn. [1] Als het gaat om een schulduitsluitingsgrond gaat de Hoge Raad bij zijn toetsing van die begrijpelijkheid allereerst aan de hand van het proces-verbaal ter terechtzitting en de eventuele pleitnota na óf er een beroep op een schulduitsluitingsgrond is gedaan. [2] In dat kader onderzoekt hij of door of namens de verdachte voldoende feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd die bij gebleken juistheid een schulduitsluitingsgrond opleveren. [3] Daarbij is niet vereist dat een etiket op het feitelijke betoog is geplakt. [4]
12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd:
(i) dat de leerplichtambtenaar heeft verteld dat de verdachte geen vrijstelling nodig had om naar Bonaire te gaan;
(ii) dat het juridisch loket van de overheid heeft gezegd dat het oké was en de verdachte alleen de kindertoeslag niet zou krijgen;
(iii) dat de verdachte heeft geprobeerd zich op Bonaire in te schrijven op een normale middelbare school;
(iv) dat de verdachte daarvoor een inschrijfformulier heeft gehad;
(v) dat de verdachte al vanuit Nederland met die middelbare school contact heeft gehad;
(vi) dat de verdachte zich eerst moest inschrijven bij de gemeente om zich te kunnen inschrijven voor die middelbare school;
(vii) dat deze inschrijving bij de gemeente enorm lang duurde;
(viii) dat het stukliep op het formeel inschrijven bij de gemeente;
(ix) dat de verdachte na twee maanden is teruggekomen naar Nederland toen hij besefte dat het te lang ging duren;
(x) dat de verdachte, toen hij eind mei weer in Nederland was, niet naar de [A] is teruggegaan omdat hij op die school geen zicht had op een diploma.
13. Uit de overwegingen van het hof die onder de randnummers 7 en 8 zijn vermeld, kan worden afgeleid dat het hof het door of namens de verdachte ter terechtzitting aangevoerde kennelijk niet heeft opgevat als een AVAS-verweer waarop een met redenen omklede beslissing moet volgen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, omdat het door of namens de verdachte aangevoerde – ook indien het feitelijk juist is – geen schulduitsluitingsgrond oplevert voor het schoolverzuim van de verdachte in de periode vanaf het moment van zijn terugkeer in Nederland in mei 2019 tot en met het einde van de bewezenverklaarde periode op 12 juli 2019. Het verweer kan daarmee niet afdoen aan het oordeel van het hof dat de verdachte strafbaar is wegens het niet nakomen van de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs in de bewezenverklaarde periode.

Slotsom

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst,
2.A.J.A. van Dorst,
3.A.J.A. van Dorst,
4.A.J.A. van Dorst,