ECLI:NL:PHR:2021:1075

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
19/05632
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 321 SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 88 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over maximale duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel en wetswijzigingen

In deze zaak stond de toepassing van de maximale duur van gijzeling als vervangende sanctie bij een schadevergoedingsmaatregel centraal. De verdachte was door het hof veroordeeld wegens valsheid in geschrift en verduistering, met een schadevergoedingsmaatregel waarbij vervangende hechtenis van 365 dagen werd opgelegd bij niet-nakoming.

Na de veroordeling trad op 1 januari 2020 de Wet USB in werking, die vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen verving door gijzeling. De Hoge Raad stelde vast dat de wetswijziging ook de definitie van een jaar wijzigde naar 360 dagen (12 maal 30 dagen). Later werd deze definitie door een spoedreparatiewet weer teruggedraaid.

De Hoge Raad oordeelde dat voor de duur van gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel de meest gunstige regeling voor de verdachte geldt, namelijk een jaar van 360 dagen. Dit betekent dat de eerder opgelegde vervangende hechtenis van 365 dagen moet worden omgezet in gijzeling van maximaal 360 dagen.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de vervangende hechtenis betrof, en tot bevestiging van de rest van het arrest. De zaak illustreert de toepassing van sanctierechtelijke regels en wetswijzigingen in lopende procedures en de bescherming van verdachten bij gunstige wetswijzigingen.

Uitkomst: De vervangende hechtenis van 365 dagen wordt omgezet in gijzeling van maximaal 360 dagen conform de wetswijziging en jurisprudentie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05632
Zitting5 oktober 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 11 december 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ en ‘verduistering, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede 180 uren taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nr. 19/05633. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gesteld wordt dat deze zal moeten worden vervangen door gijzeling voor de (maximale) duur van 360 dagen.
Het hof heeft bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis van 365 dagen wordt toegepast. Op 1 januari 2020, en dus nadat het hof arrest heeft gewezen, is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) in werking getreden, die ertoe heeft geleid dat de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel plaats heeft gemaakt voor gijzeling. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914,
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde kan Uw Raad bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling kan worden toegepast. [1]
6. De steller van het middel gaat ook in op de (maximale) duur van de gijzeling. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr beloopt de duur van de gijzeling ten hoogste één jaar. Die maximale duur gold tot 1 januari 2020 ingevolge art. 36f, achtste lid, (oud) Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ook voor de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Bij de inwerkingtreding van de Wet USB is art. 88 Sr Pro evenwel gewijzigd. In dat artikel wordt een omschrijving van enkele in het wetboek voorkomende tijdseenheden gegeven die onder meer van belang is voor de berekening van de duur van een sanctie. Tot 1 januari 2020 luidde de bepaling als volgt:
“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
Vanaf 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr Pro:
“Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
7. Door deze toevoeging van de omschrijving van de duur van een jaar werd één jaar in het materiële strafrecht 360 dagen (12 keer dertig dagen).
8. Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking. [2] Op grond van art. II, onderdeel G, van deze wet is art. 88 Sr Pro komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde. Daarmee is de definitie van ‘jaar’ komen te vervallen.
9. De wijziging van art. 88 Sr Pro per 1 januari 2020 is in de onderhavige zaak mede bepalend voor de toepasselijke maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling. Derhalve behelst deze wijziging een verandering van regels van sanctierecht. Daaromtrent heeft Uw Raad in het genoemde arrest van 26 mei 2020 – onder verwijzing naar HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878,
NJ2012/78, m.nt. Keijzer – het volgende overwogen:
‘Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en - voor zover van toepassing - artikel 49 lid 1 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (...).’
10. In de onderhavige zaak doet zich de bijzondere situatie voor dat een regel van sanctierecht na het begaan van het feit ten gunste van de verdachte is gewijzigd, maar die wijziging in de loop van de procedure weer is teruggedraaid.
11. Een vergelijkbare gang van zaken deed zich voor in HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812. Ook in die zaak had het hof vóór 1 januari 2020 uitspraak gedaan en werd nadien in cassatie geklaagd over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Uit het arrest kan worden afgeleid dat in zo’n geval art. 88 Sr Pro zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest van toepassing is, omdat deze bepaling voor de verdachte ‘
of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige is. [3] Uw Raad overwoog dat ‘als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband – in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak voor 1 januari 2020 is gewezen – onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan’.
12. Dat betekent dat Uw Raad op grond van het voorgaande kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen gijzeling van ten hoogste een jaar kan worden toegepast.
13. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en tot het bepalen door Uw Raad dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van ten hoogste een jaar kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Wet van 22 februari 2017,
2.Wet van 24 juni 2020,
3.Zie de conclusie van A-G Bleichrodt voor het arrest van 1 juni 2020, randnummers 24-26, onder verwijzing naar EHRM 17 september 2009, appl.nr. 10249/03 (Scoppola tegen Italië), par. 119. Uw Raad verwees in het arrest naar – onder meer – deze randnummers in de conclusie.