Conclusie
1.Feiten
SmartDocuments) is in 1994 opgericht door [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en heeft als doel, kort gezegd, ontwikkeling, levering en onderhoud van software ten behoeve van outputmanagement, documentcreatie en documentbeheer. Haar klanten zijn in het bijzonder overheidsinstanties, vooral gemeenten. [betrokkene 1] is indirect bestuurder van SmartDocuments. High Concept Holding B.V. (hierna:
High Concept) houdt alle aandelen in SmartDocuments (hierna met High Concept gezamenlijk:
SmartDocuments c.s.). [betrokkene 1] houdt indirect de aandelen in High Concept.
DocMinded) is opgericht door [verweerder 4] (hierna:
[verweerder 4]) en [verweerder 5] (hierna:
[verweerder 5]) op 24 februari 2009 en is sinds 30 maart 2010 100% aandeelhouder van Interaction Next B.V. (hierna:
Interaction Next) en sinds 11 januari 2012 van Xential B.V. (hierna:
Xential). Interaction Next biedt onder meer “xential software” (hierna:
xential) aan ten behoeve van “online” documentbeheer en -creatie. Deze software is concurrerend met de software van SmartDocuments.
webclient).
[verweerder 8]), [verweerder 9] (hierna:
[verweerder 9]), [verweerder 6] (hierna:
[verweerder 6]), [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) en [verweerder 7] (hierna:
[verweerder 7]) waren allen als werknemer in meer of mindere mate bij de reguliere software en/of webclient betrokken als ontwikkelaar of als verkoper.
ondernemingsplan, productie 30 bij de inleidende dagvaarding) per mail gestuurd aan [betrokkene 3] verbonden aan MKB Adviseurs. Dit stuk is in het bezit gekomen van [betrokkene 1] .
[betrokkene 4]). [betrokkene 4] was bestuurder van Beleggingsmaatschappij Molenbeek B.V. DocMinded heeft de aandelen Interaction Next overgenomen op 30 maart 2010.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
DocMinded c.s.) gedagvaard voor de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (hierna: de
rechtbank) en het volgende gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een en ander op straffe van een niet voor matiging vatbare dwangsom van € 100.000,-- per dag dat gedaagden (of een van hen) in gebreke blijft tijdig en correct aan één of meerdere van deze verplichtingen te voldoen;
eindvonnis), kort gezegd, de vorderingen van SmartDocuments c.s. jegens DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] toegewezen zoals weergegeven onder rov. 6.1 sub I t/m V van het dictum van het eindvonnis, [2] de vorderingen jegens [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] afgewezen (rov. 6.2), het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 6.3), en het eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard (rov. 6.4).
hof). Zij hebben gevorderd het eindvonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest:
Primair:
Subsidiair:I. Alle vorderingen van High Concept Holding B.V. af te wijzen;
II. Slechts dat deel van de vorderingen van SmartDocuments Nederland B.V., dat naar het oordeel van uw gerechtshof terecht is ingesteld, toe te wijzen;
III. In de gevorderde verklaring voor recht te bepalen dat Interaction Next c.s. vanaf zeker moment vrij stond klanten van SmartDocuments te benaderen en te bepalen dat dit moment:
Primair:
eindarrest), recht doende in hoger beroep in zaak 200.249.308/01 (door het hof in het eindarrest “zaak 308” genoemd) en in zaak 200.250.542/01 (door het hof in het eindarrest “zaak 542” genoemd): vernietigt het hof het eindvonnis, behoudens voor zover daarin (zie rov. 6.2 eindvonnis) de vorderingen tegen [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] zijn afgewezen, in zoverre bekrachtigt het hof het eindvonnis; en, overigens opnieuw rechtdoende, wijst het hof de vorderingen van SmartDocuments c.s. tegen DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] af, veroordeelt het hof SmartDocuments c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van DocMinded c.s. gevallen (zoals nader uiteengezet in het eindarrest), en wijst het hof het meer of anders gevorderde af.
“Plan van behandeling”(rov. 6.4 eindarrest)
Is sprake van onttrekking van software aan SmartDocuments (zaak 542, principaal hoger beroep, grief II)?” (rov. 6.5-6.16 eindarrest)
Oordeel rechtbank6.5 De rechtbank heeft geoordeeld (overweging 5.18 van het vonnis) dat door SmartDocuments c.s. onvoldoende onderbouwd is dat de software (webclient) van SmartDocuments is verwijderd en daarna is ingezet voor de ontwikkeling van xential.
ver in de tijd teruggeworpen". DocMinded c.s. hadden echter door hun handelwijze een zo goed als afgeronde versie van webclient tot hun beschikking. Die software hebben zij vervolgens zelf, als eigen product, op de markt gebracht ("
(...) voor eigen rekening (...) aan de markt geïntroduceerd en verkocht”, memorie van grieven onder 93).
Volgens mij kan je helemaal niet binnen zes maanden een dergelijk softwarepakket in elkaar draaien. Dat duurt tenminste een jaar of anderhalf jaar."
b. is software onttrokken aan SmartDocuments?6.10 SmartDocuments c.s. hebben hun stelling dat software is onttrokken aan SmartDocuments als volgt onderbouwd:
a. er zijn vele uren besteed aan de ontwikkeling van software, maar vanaf augustus 2008 is er nauwelijks gecommit.
b. er is veel software verzonden naar privé-accounts.
c. op 20 januari 2009 heeft [verweerder 6] het bestand 'extras' verwijderd.
d. toen [verweerder 6] niet meer op kantoor was bij SmartDocuments werd niet een werkende versie van webclient aangetroffen.
6.12 Niet in geschil is dat door [verweerder 6] op 20 januari 2009 het bestand 'extras' is verwijderd. Waar het in deze zaak om gaat, is niet zozeer de vraag of werknemer [verweerder 6] dat wel mocht doen. Deze zaak gaat - het is al eerder genoemd - om onrechtmatige concurrentie. De vraag is dus of de verwijdering van dit bestand ertoe heeft geleid dat SmartDocuments bij de verdere ontwikkeling van haar webclient op relevante achterstand werd gezet doordat zij, zoals zij het zelf formuleert, "
ver in de tijd werd teruggeworpen".
6.13 In het rapport van [betrokkene 6] (SD 137), waarop SmartDocuments c.s. zich beroepen, wordt geconstateerd dat in het versiebeheersysteem te zien is dat op 20 januari 2009 door [verweerder 6] een "
folder met inhoud” is verwijderd. Die inhoud bestaat uit "
64 Java-bestanden (...) die er afgerond uitzien als een werkende code". Het gaat, aldus [betrokkene 6] , om "
een waardevolle code die niet elders al opgeslagen is". Dat die folder van enig belang was voor de ontwikkeling van webclient valt in deze passages of elders in het rapport niet te lezen.
Door de FOS projecten te verwijderen is het dus niet langer meer mogelijk geweest om de gegenereerde EvoCore proxy classes uit te breiden met nieuwe proxies of om bestaande proxies aan te passen middels genereren. Vanzelfsprekend kan men deze oplossing daarmee ook niet meer voor nieuwe projecten inzetten (lees: genereren van proxies voor nieuwe projecten binnen SmartDocuments)”.
6.16 DocMinded c.s. van hun kant hebben voorts gemotiveerd betwist dat de verwijderde software niet meer ter beschikking van SmartDocuments stond én dat die software van belang was voor de doorontwikkeling van webclient. De slotsom op dit onderdeel is daarom dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is geweest van onttrekking van software aan SmartDocuments in die zin dat de software niet meer ter beschikking van SmartDocuments stond en daarin dus niet verder gewerkt kon worden aan de ontwikkeling van webclient met als gevolg dat SmartDocuments een achterstand in de ontwikkeling van haar product opliep. Bij deze stand van zaken kan in het midden gelaten worden of de verwijderde folder 'extras' niet, zoals DocMinded c.s. aanvoeren, toch ter beschikking van SmartDocuments c.s. is gebleven. Grief II in het principaal hoger beroep in zaak 542 faalt.”
Was sprake van onrechtmatige concurrentie (zaak 308, algemene grief en deelgrieven 2 tot en met 7)” (rov. 6.17-6.70 eindarrest)
Oordeel rechtbank6.17 De rechtbank heeft geoordeeld dat [verweerder 4] en [verweerder 5] - nog tijdens hun dienstverband met SmartDocuments c.s. - het vooropgezet plan hebben ontwikkeld om een concurrerende onderneming te beginnen. [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] (allen in dienst van SmartDocuments) werden door hen benaderd over te stappen naar die nieuwe onderneming en die overstap is vervolgens gerealiseerd. Ook klanten van SmartDocuments werden benaderd om over te stappen en dat is in veel gevallen succesvol geweest. Omdat [verweerder 4] en [verweerder 5] - ingevolge het vonnis in kort geding van 19 maart 2009 - zelf geen contact mochten hebben met medewerkers en klanten van High Concept werd [verweerder 6] als stroman gebruikt. Door [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] werd bovendien gebruik gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van SmartDocuments c.s., waaronder klantgegevens. Het bedrijfsdebiet van SmartDocuments werd aldus stelselmatig afgebroken. Door aldus te handelen hebben DocMinded c.s. onrechtmatig gehandeld jegens SmartDocuments c.s. [verweerder 4] en [verweerder 5] hebben daarnaast gehandeld in strijd met hun wettelijke verplichting ex artikel 2:9 BW Pro om te handelen in het belang van SmartDocuments c.s. [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] hebben voorts gehandeld in strijd met de eisen van goed werknemerschap (artikel 7:611 BW Pro). Zij hebben ook hun contractuele geheimhoudingsbeding geschonden, wat een toerekenbare tekortkoming is in de nakoming van hun arbeidsovereenkomst (artikel 6:74 BW Pro). De vordering tegen [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] is als zijnde verjaard afgewezen. De andere gedaagden in eerste aanleg zijn aansprakelijk geoordeeld voor de schade die veroorzaakt is door de hun verweten gedragingen.
Bezwaren DocMinded c.s.6.18 DocMinded c.s. betwisten dat sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie en voeren daartoe aan dat onvrede bestond over de wijze waarop de directeur/groot aandeelhouder van SmartDocuments, [betrokkene 1] , leiding gaf aan het bedrijf. [verweerder 4] en [verweerder 5] hebben hem toen aangeboden zijn aandelen over te nemen. Omdat [betrokkene 1] niet op dat aanbod wilde ingaan hebben zij besloten een eigen onderneming te beginnen. De voorbereiding daarvan heeft plaats gevonden tijdens de schorsing in de functie van bestuurder van SmartDocuments, maar is niet ten koste gegaan van SmartDocuments c.s. Zij hebben geen personeel benaderd om met hen mee te gaan. [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] , [verweerder 7] , [betrokkene 9] en [betrokkene 2] wilden na de schorsing en het ontslag van [verweerder 4] en [verweerder 5] zelf weg bij SmartDocuments, net als meerdere andere werknemers. Klanten en 'prospects' van SmartDocuments zijn niet bewogen om over te stappen. Op de condities van SmartDocuments afgestemde aanbiedingen zijn aan klanten niet gedaan. Van een misleidende of verwarrende voorstelling van zaken was geen sprake en van vertrouwelijke bedrijfsinformatie is geen gebruik gemaakt. Ook is niet verwezen naar het vroegere dienstverband met SmartDocuments. Al met al is er geen sprake van dat DocMinded c.s. het bedrijfsdebiet van SmartDocuments c.s. stelselmatig hebben afgebroken of anderszins onrechtmatig hebben gehandeld.
Beoordeling door het hof
NJ1956/157, A-G] ingezette bestendige rechtspraak over onrechtmatige concurrentie door ex-werknemers komt erop neer dat sprake is van onrechtmatige concurrentie indien de ex-werknemer het duurzame bedrijfsdebiet van zijn voormalig werkgever stelselmatig en substantieel afbreekt, en daarbij gebruik maakt van kennis en gegevens die hij bij zijn voormalig werkgever vertrouwelijk heeft verkregen. In de (lagere) jurisprudentie is eveneens aanvaard dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat, ook wanneer de gedragingen niet voldoen aan het zogenoemde Boogaard/Vesta-criterium, zij toch onrechtmatig zijn. Met denke bij dit laatste bijvoorbeeld aan bewuste misleiding bij de clientèle van de ex-werkgever.
1. het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments,
2. het afhandig maken van personeel van SmartDocuments,
3. het afhandig maken van klanten en prospects van SmartDocuments,
4. het doen van aanbiedingen aan klanten afgestemd op de condities van SmartDocuments met die klanten,
5. het geven van een misleidende of verwarrende voorstelling van zaken,
6. het gebruik van vertrouwelijke bedrijfsinformatie,
7. het verwijzen naar het vroegere dienstverband bij SmartDocuments.
6.22 Deze weergave is door DocMinded c.s. tot uitgangspunt genomen en hun nu besproken grieven richten zich, gezamenlijk, op de over die aspecten van de zaak - en de rol van de individuele procespartijen daarbij - door de rechtbank gegeven beoordeling. De juistheid van de weergave is door SmartDocuments c.s. niet betwist. De verschillende stellingen zullen daarom hierna, afzonderlijk, onder de loep genomen worden. Uiteindelijk zal echter de beoordeling of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie worden gebaseerd op zowel de bevindingen ten aanzien van de individuele stellingen als op het onderling verband tussen en gewicht van die bevindingen.”
ad 1in rov. 6.23-6.30,
ad 2in rov. 6.31-6.37,
ad 3in rov. 6.38-6.47,
ad 4in rov. 6.48-6.56,
ad 5in rov. 6.57-6.61,
ad 6in rov. 6.62-6.66 en
ad 7in rov. 6.67-6.69 (ik kom daarop terug, voor zover relevant, bij de bespreking van het cassatiemiddel onder 3.1-3.70 hierna). Daarbij komt het hof, kort gezegd, per behandeld onderdeel (dus 1 t/m 7) tot de slotsom dat de desbetreffende door SmartDocuments c.s. geponeerde stelling onvoldoende is onderbouwd:
6.30 Al met al geldt op dit onderdeel [ad 1, A-G] dat de voorbereidingen voor het oprichten van een eigen bedrijf als zodanig niet kunnen leiden tot de conclusie dat van onrechtmatige concurrentie sprake is geweest, dan wel van handelen in strijd met artikel 2:9 BW Pro en/of artikel 7:611 BW Pro. Dit wordt niet anders als van het door SmartDocuments c.s. daarover gestelde startmoment van eind augustus 2008 zou moeten worden uitgegaan.
(…)
6.37 Actieve werving van werknemers [ad 2, A-G] is al met al onvoldoende onderbouwd door SmartDocuments c.s.
(…)
6.47 De conclusie op dit onderdeel [ad 3, A-G] is dat SmartDocuments c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat DocMinded c.s. stelselmatig klanten van SmartDocuments hebben benaderd om over te stappen, dat het duurzaam bedrijfsdebiet van SmartDocuments c.s. daarbij is aangetast en dat bij het benaderen van de klanten gebruik is gemaakt van kennis en gegevens die de werknemers van DocMinded c.s. vertrouwelijk hadden verkregen bij SmartDocuments c.s. Evenmin zijn bijzondere omstandigheden gesteld die zouden moeten meebrengen dat voornoemde gedragingen, hoewel zij niet kwalificeren als gedragingen als bedoeld in de Boogaard/Vesta-jurisprudentie, desalniettemin als onrechtmatig handelen kwalificeren.
(…)
6.56 De conclusie op dit onderdeel [ad 4, A-G] is dat ook de stelling dat sprake was van afstemming op de financiële condities van SmartDocuments onvoldoende onderbouwd is.
(…)
6.61 De conclusie ook op het nu besproken onderdeel [ad 5, A-G] is dan ook dat de gestelde opzettelijke misleiding en/of opzettelijk gecreëerde verwarring onvoldoende is onderbouwd.
(…)
6.66 De conclusie ook op dit onderdeel [ad 6, A-G] is dat de geponeerde stelling (er is gebruik gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie) onvoldoende is onderbouwd.
(…)
6.69 De rechtbank heeft de essentie van dit verwijt [zoals door SmartDocuments c.s. in eerste aanleg gemaakt en weergegeven in rov. 6.68 eindarrest, A-G] aldus samengevat (rechtsoverweging 4.23) dat [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] het hebben doen vóórkomen alsof zij beter in staat waren dan SmartDocuments c.s. de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen. Die samenvatting is door SmartDocuments c.s. niet bestreden. Indien genoemde ex-werknemers van SmartDocuments c.s. zich al in de gewraakte zin hebben uitgelaten wordt met die enkele uitlating nog niet onderbouwd dat zij die betere dienstverlening slechts konden leveren dankzij bij SmartDocuments opgedane vertrouwelijke kennis en/of gegevens [dit betreft ad 7, A-G].”
algemene griefvan DocMinded c.s. alsmede de
deelgrieven 2 tot en met 7slagen.”
De overige grieven in zaak 308” (rov. 6.71-6.75 eindarrest)
grief 1(feitenvaststelling) hebben DocMinded c.s. geen belang. Het hof heeft hiervoor de feiten zelfstandig vastgesteld en daarbij rekening gehouden met wat in deze grief naar voren is gebracht. Ook bij
grief 8(beperking periode van onrechtmatige concurrentie) bestaat geen belang nu niet is komen vast te staan dat van onrechtmatige concurrentie sprake was.
grief 9(kwijting [verweerder 4] ) geldt hetzelfde. Bovendien geldt het volgende. Op 28 januari 2011 is tussen [verweerder 4] enerzijds en [A] Holding B.V. en High Concept anderzijds een overeenkomst van koop/verkoop gesloten. Onderwerp van de transactie was het aandelenpakket van [verweerder 4] in High Concept. In die overeenkomst is in artikel 7.2 expliciet opgenomen dat bekend is dat [verweerder 4] via een door hem gevoerde onderneming met SmartDocuments concurreert, waarna (in artikel 7.3) aan [verweerder 4] "absolute kwijting" is verleend voor eventueel onrechtmatig handelen. Uitzondering (artikel 7.4) is gemaakt voor "nieuwe feiten" op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat [verweerder 4] onrechtmatig heeft gehandeld. SmartDocuments c.s. voeren aan dat van nieuwe feiten sprake is, dat deze pas gebleken zijn tijdens de voorlopig getuigenverhoren in 2016 en dat de kwijting niet zag op de bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder 4] .
grieven 10 tot en met 15(schade, vereenzelviging, verstrekken bedrijfsinformatie en hoofdelijkheid) hebben DocMinded c.s. geen belang omdat aan die grieven ten grondslag ligt de gedachte dat het hof uitgaat van aansprakelijkheid van DocMinded c.s., maar dat niet het geval is en het vonnis waarvan beroep reeds om die reden zal worden vernietigd.
Grief 16, tenslotte, ziet op de kosten op de procedure in eerste aanleg. Die grief is terecht voorgedragen. SmartDocuments c.s. zullen in de kosten daarvan worden veroordeeld.”
Is wel sprake van verjaring van de vordering tegen [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] (zaak 542, principaal hoger beroep, grief I)” (rov. 6.76-6.81 eindarrest)
6.77 Hiervoor, in zaak 308, is geoordeeld dat de gestelde onrechtmatige concurrentie niet is komen vast te staan, ook niet ten aanzien van [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] . Wat daar is overwogen, geldt hier als herhaald en ingelast. Reeds daarom faalt de nu aangevoerde grief.
6.78 Bovendien is het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel juist. Op 20 november 2009 (DM 28) zijn [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] aansprakelijk gesteld voor, kort gezegd, alle schade die SmartDocuments c.s. lijden als gevolg van door hen gepleegde onrechtmatige concurrentie en schending geheimhoudingsplicht. Kennelijk waren SmartDocuments c.s. op dat moment bekend met de feitelijkheden (althans een substantieel deel daarvan) die de gemaakte verwijten konden onderbouwen. Op 21 juli 2011 gooien SmartDocuments c.s. er nog een schepje bovenop. De aansprakelijkstelling (DM 2) wordt herhaald en de onrechtmatigheid wordt nader benoemd: het benaderen van zeker 50 klanten, het onder druk zetten van klanten, de ontwikkeling van een soortgelijk product en daarbij voortborduren op bij SmartDocuments opgedane kennis en ervaring, aftroggelen van klanten met behulp van vertrouwelijk verkregen informatie en het aantasten van het bedrijfsdebiet van SmartDocuments c.s. (dat [verweerder 8] en [verweerder 9] dezelfde brief hebben gehad als [verweerder 7] , welke brief is overgelegd als DM 2, is niet in geschil).
6.79 Geen van beide brieven spreekt over een vermoeden. Integendeel, beide poneren stellig dat van onrechtmatige concurrentie en van schending van de geheimhoudingsplicht sprake is. Wellicht hebben de voorlopig getuigenverhoren van 2016 voor SmartDocuments c.s. meer duidelijkheid gebracht, maar dat neemt niet weg dat de bekendheid met de feiten in 2009 en 2011 in de visie van SmartDocuments c.s. zelf voldoende was om aansprakelijkstellingen de deur uit te doen. Vanaf de brief van 20 november 2009 moesten [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] dus rekening houden met een tegen hen ingestelde rechtsvordering.
6.80 [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] zijn met een brief van 18 januari 2016 door SmartDocuments c.s. opgeroepen als getuige (SD 80). In die brief staat:
"
...dient U onder meer getuigenis af te leggen over de ontwikkeling van de zogeheten "webclient" van verzoeksters, het verwijderen en/of onjuist opslaan van bedrijfsgegevens en know how van verzoeksters, het versturen van bedrijfsgegevens en know van verzoeksters naar derden en/of naar privégegevensdragers, de oprichting van DocMinded en haar dochterondernemingen, het contact tussen DocMinded B. V, Interaction Next B.V., Xential B.V, [verweerder 5] , [verweerder 4] enoverige toenmalige werknemers(onderstreping hof) van verzoeksters in 2009, de totstandkoming van de zogeheten "Xential software", en het benaderen van werknemers en (toenmalige) klanten van verzoeksters."
6.81 Wil deze brief als een stuitingshandeling gezien kunnen worden, dan moet daaruit, al dan niet in combinatie met de eerdere brieven van 20 november 2009 en 21 juli 2011, blijken dat SmartDocuments c.s. zich ondubbelzinnig het recht op schadevergoeding hebben voorbehouden. Daarvan is geen sprake. Meer dan een oproep om als getuige te verschijnen en te verklaren over de genoemde kwesties staat daarin niet. Na de ferme taal in, laatstelijk, de brief van 21 juli 2011 en de bijna vijf jaren radiostilte daarna, mocht verwacht worden dat de oproep vergezeld zou zijn gegaan van de mededeling dat ook de aansprakelijkstelling van [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] werd gehandhaafd en dat het voorlopig getuigenverhoor ook ten aanzien van hen ertoe strekte die aansprakelijkstelling nader te onderbouwen. Daarvan is echter geen sprake. De woorden "
en overige werknemers" zijn in hun beknoptheid, bij gebreke van verdere uitwerking en gegeven de opname in een brief waarin wordt opgeroepen als
getuigeop te treden onvoldoende om daarin handhaving van aansprakelijkstelling jegens hen te kunnen lezen. Niet bestreden is voorts het argument dat de rechtbank in dit verband ook nog heeft gehanteerd, te weten dat in het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor wel is aangekondigd dat de verweerders in die zaak een schadevordering tegemoet konden zien, maar [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] niet als partij (verweerder) genoemd zijn in dat verzoekschrift. De brief kan daarom niet worden aangemerkt als een stuitingsbrief. Grief I faalt.”
Was sprake van inbreuk op het auteursrecht van SmartDocuments (zaak 542, principaal hoger beroep, grief III)” (rov. 6.82-6.83 eindarrest)
6.83 Die grief II is hiervoor, in de overwegingen 6.5 tot en met 6.16, besproken. Wat daar is overwogen, geldt als hier herhaald en ingelast. De conclusie daar was en is nu hier dat de gestelde onttrekking van software en/of openbaarmaking/vermenigvuldiging daarvan door DocMinded c.s. onvoldoende is onderbouwd. Ook grief III faalt.”
Het incidenteel hoger beroep in zaak 542” (rov. 6.84-6.85 eindarrest)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“In het verlengde daarvan” is ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 6.29 eindarrest dat SmartDocuments c.s. niet kan worden gevolgd in het betoog dat de handelwijze van [verweerder 6] , [verweerder 7] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [betrokkene 2] wijst op een voorgekookte gecoördineerde actie, nu het hof ook daar niet in aanmerking neemt dat deze medewerkers zich niet alleen in korte tijd na elkaar ziek hebben gemeld, maar ook zich in korte tijd na elkaar beter hebben gemeld, om vervolgens allen in dienst te treden bij Interaction Next.
De rechtbank heeft feitelijk vastgesteld dat [betrokkene 2] zich op 16 januari 2009 ziek meldde, [verweerder 8] zich op 19 januari 2009 ziek meldde, [verweerder 9] en [verweerder 6] zich op 23 januari 2009 ziek meldden en [verweerder 7] zich op 9 februari 2009 ziek meldde (rov. 2.13 eindvonnis), dat [verweerder 6] zich beter meldde enkele dagen voordat hij op 31 maart 2009 bij SmartDocuments uit dienst trad en daarna in dienst trad bij Interaction Next (rov. 2.14 eindvonnis), dat [verweerder 9] zich op 4 mei 2009 beter meldde, [verweerder 7] op 14 mei 2009, [verweerder 8] op 15 mei 2009 en [betrokkene 2] op 31 juli 2009 (rov. 2.15 eindvonnis), dat [verweerder 9] op 1 juli 2009 in dienst trad bij Interaction Next, en [verweerder 7] , [verweerder 8] en [betrokkene 2] alle drie op 1 augustus 2009 (rov. 2.16 eindvonnis), en dat Interaction Next op 11 juni 2009 is opgericht, Xential op 11 januari 2012 is opgericht, de oprichters van Interaction Next [verweerder 6] en [betrokkene 4] waren, [betrokkene 4] bestuurder was van Beleggingsmaatschappij Molenbeek B.V. en DocMinded de aandelen in Interaction Next heeft overgenomen op 30 maart 2010 (rov. 2.17 eindvonnis).
Het hof neemt rov. 2.14-2.15 eindvonnis niet over, maar stelt vast, onder “4. De feiten in beide zaken”, dat [betrokkene 2] zich op 16 januari 2009 ziek meldde, [verweerder 8] zich op 19 januari 2009 ziek meldde, [verweerder 9] en [verweerder 6] zich op 23 januari 2009 ziek meldden en [verweerder 7] zich op 9 februari 2009 ziek meldde (rov. 4.10 eindarrest), dat Interaction Next op 11 juni 2009 is opgericht, Xential op 11 januari 2012 is opgericht, de oprichters van Interaction Next [verweerder 6] en [betrokkene 4] waren, [betrokkene 4] bestuurder was van Beleggingsmaatschappij Molenbeek B.V., DocMinded de aandelen in Interaction Next heeft overgenomen op 30 maart 2010 (rov. 4.11 eindarrest), en dat [verweerder 9] in dienst trad bij Interaction Next op 1 juli 2009, en [verweerder 7] , [verweerder 8] en [betrokkene 2] alle drie op 1 augustus 2009 (rov. 4.12 eindarrest).
Anders dan het subonderdeel aanvoert, miskent het hof hiermee niet de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep (welke werking ook aan bod komt in bijvoorbeeld rov. 6.4 eindarrest) door te oordelen “dat deze feiten niet vaststaan”, en doet zich evenmin de situatie voor waarin het hof deze feiten wel als vaststaand heeft aangemerkt, maar “van oordeel is geweest dat deze feiten niet relevant zijn voor het geschil”, zoals bedoeld in het subonderdeel.
[verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] hebben in hun memorie van grieven in het incidenteel appel tegen rov. 2.14-2.15 eindvonnis een grief gericht (grief 1), inhoudende dat de rechtbank ten onrechte in rov. 2.14-2.15 eindvonnis data heeft vastgesteld waarop verschillende medewerkers zich weer beter zouden hebben gemeld terwijl die data niet als vaststaand kunnen worden aangemerkt, waarbij door hen ter toelichting is aangevoerd dat [betrokkene 2] in ieder geval in april 2009 heeft gewerkt, dat geïntimeerden niet beschikken over de ziek- en betermeldingen van [betrokkene 2] , dat deze ook niet zijn ingebracht, dat bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat [betrokkene 2] zich ziek heeft gemeld op 16 januari 2009 en dat hij ziek is gebleven tot 31 juli 2009, dat [verweerder 9] , [verweerder 7] en [verweerder 8] niet meer precies weten wanneer zij zich beter hebben gemeld, dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat dit op de door SmartDocuments c.s. gestelde data is gebeurd, dat bij gebrek aan wetenschap [verweerder 9] , [verweerder 7] en [verweerder 8] die data betwisten, dat zij zelf niet meer beschikken over e-mails of andere gegevens uit die tijd waaruit blijkt dat zij zich op de gestelde data weer (volledig) beter hebben gemeld en dat [verweerder 8] zich in ieder geval herinnert dat hij niet van de ene op de andere dag weer hersteld was en er waarschijnlijk sprake was van een traject van gedeeltelijk werken en gedeeltelijk ziek zijn. [4] SmartDocuments c.s. hebben hiertegen bij memorie van antwoord in het incidenteel appel ingebracht dat [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] bij gebrek aan wetenschap betwisten dat de data van de betermeldingen juist zijn, dat zij echter niet verder komen dat een blote stelling en geen bewijs van die stelling leveren, dat ze niets tegenover de door SmartDocuments c.s. genoemde data stellen en niet aangeven wat er dan onjuist zou zijn, dat aan de hand van de administratie van SmartDocuments en de gegevens van de Arbo-arts valt te herleiden dat [verweerder 9] zich volledig beter heeft gemeld op 4 mei 2009, dat [verweerder 7] zich op 14 mei 2009 volledig beter heeft gemeld, [verweerder 8] toevallig net een dag daarna op 15 mei 2009, en dat voor [betrokkene 2] eveneens toevallig hetzelfde geldt en ook hij zich weer volledig beter meldde op 15 mei 2009. [5] SmartDocuments c.s. verwijzen hierbij niet naar producties, maar herhalen in feite slechts hetgeen zij reeds bij inleidende dagvaarding ongemotiveerd maar ook onbestreden stelden, namelijk dat [verweerder 9] zich beter meldde op 4 mei 2009, [verweerder 7] op 14 mei 2009 en [verweerder 8] op 15 mei 2009. Anders dan bij memorie van antwoord in incidenteel appel, stelden zij bij inleidende dagvaarding over [betrokkene 2] dat hij zich op 31 juli 2009 beter meldde. [6] De data van betermeldingen van [betrokkene 2] , [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] waren in hoger beroep dus (wel) in geschil. Het hof kon daarom ter zake niet als vaststaand van de door SmartDocuments c.s. gestelde data uitgaan in lijn met de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep (wat het hof dus ook niet doet), noch oordelen (wat het hof dus evenmin doet) dat hier sprake is van vaststaande feiten, maar deze feiten niet relevant zijn voor het geschil. Dat, zoals blijkt uit rov. 6.85 eindarrest, het hof de grieven van [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] verder onbesproken heeft gelaten, doet hieraan niet af. Daarmee valt namelijk niet weg dat [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] rov. 2.14-2.15 eindvonnis bestreden hebben met hun grief 1 en dat de data van betermeldingen dus tussen partijen in geschil waren in hoger beroep, terwijl overigens de reden waarom het hof de grieven van [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] verder onbesproken laat, gegeven ook rov. 6.85 eindarrest, goed navolgbaar is. Gelet op hetgeen het hof verder overweegt in het eindarrest (en zoals ook uit het navolgende blijkt, wordt daartegen niet met vrucht opgekomen door SmartDocuments c.s. in cassatie), bestond er voor het hof ook geen aanleiding nader op dit punt in te gaan. Kortom, het hof had de ruimte dit aldus te doen.
Wat betreft de betermelding van [verweerder 6] geldt dat DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] bij memorie van grieven in het principaal appel hebben aangevoerd dat [verweerder 6] zich op 23 januari 2009 ziek meldde vanwege spanningen en stress op de werkvloer, dat [betrokkene 1] hem in zijn ziekteperiode vroeg wanneer hij terug zou komen, dat [verweerder 6] weer aan het werk is gegaan toen de stress weer wat minder was geworden, dat het voor [verweerder 6] toen duidelijk werd dat er geen toekomst voor hem was bij High Concept, dat hij op 23 februari 2009 zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd met inachtneming van een maand opzegtermijn, en dat hij zich tot zijn uitdiensttreding steeds heeft ingezet voor High Concept door bijvoorbeeld nog en nieuwe programmeur in te werken. [7] Deze stellingen zijn onverenigbaar met de stelling van SmartDocuments c.s. in de inleidende dagvaarding dat [verweerder 6] pas enkele dagen voor zijn uitdiensttreding, per 31 maart 2009, zich weer beter meldde, [8] en de daarop gebaseerde feitenvaststelling door de rechtbank in rov. 2.14 eindvonnis. Bij memorie van antwoord in het principaal appel hebben SmartDocuments c.s. hier nog tegenovergesteld dat [verweerder 6] zich op 23 januari 2009 voor het eerst ziek meldde, dat hij op 23 februari 2009 zijn dienstverband opzegde met een opzegtermijn van een maand, dat hij zich na een aanvankelijke betermelding op 17 maart 2009 wederom ziek meldde, en dat een reden voor zijn ziekmelding was dat hij problemen had met de aanwezigheid van de medewerkers van CapGemini en hij zich daarvoor moest verantwoorden. [9] Ook op het punt van de betermelding van [verweerder 6] bestond er tussen partijen dus discussie in hoger beroep, hetgeen meebracht dat het hof ter zake niet als vaststaand van het door SmartDocuments c.s. gestelde kon uitgaan in lijn met de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep (wat het hof dus ook niet doet), noch kon oordelen (wat het hof dus evenmin doet) dat hier sprake is van vaststaande feiten, maar deze feiten niet relevant zijn voor het geschil. Of in de hierboven weergegeven stellingen van DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] in hoger beroep een grief valt te lezen is in beginsel aan het hof voorbehouden als feitenrechter. Dat het hof in zijn feitenvaststelling niet van de door de rechtbank vastgestelde datum van betermelding van [verweerder 6] is uitgegaan, wijst erop dat het hof de stellingen als een grief tegen rov. 2.14 eindvonnis heeft gelezen (wat ook strookt met grief 1 van [verweerder 7] , [verweerder 8] en [verweerder 9] , waarover hiervoor, alsmede met rov. 6.71 eindarrest). [10] Dit is m.i. niet onbegrijpelijk. [11] Gelet op hetgeen het hof verder overweegt in het eindarrest (en zoals ook uit het navolgende blijkt, wordt daartegen niet met vrucht opgekomen door SmartDocuments c.s. in cassatie), bestond er voor het hof ook geen aanleiding nader op dit punt in te gaan. Ook hier geldt dat, kortom, het hof de ruimte had dit aldus te doen.
Hierop stuit het subonderdeel af wat betreft de klacht over de feitenvaststelling door het hof.
Het hof beoordeelt in rov. 6.23-6.30 eindarrest, kort gezegd, of tijdens het dienstverband bij SmartDocuments voorbereidingen zijn getroffen tot de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming en of hiermee sprake is van onrechtmatige concurrentie dan wel handelen in strijd met art. 2:9 BW Pro en/of art. 7:611 BW Pro. Het hof overweegt, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik keer nu terug naar het subonderdeel, voor zover gericht tegen rov. 6.29 eindarrest. Voor zover dit deel van het subonderdeel (vanaf “In het verlengde daarvan”, etc.) voortbouwt op het eerste deel ervan (tot “In het verlengde daarvan”, etc.), dat faalt (zie onder 3.4 hiervoor), deelt het in het lot daarvan. Daarbij komt dat het subonderdeel niet laat blijken dat SmartDocuments c.s., ter onderbouwing van het door het hof in rov. 6.29 eindarrest behandelde betoog - in de woorden van het subonderdeel: “dat de handelwijze van [verweerder 6] , [verweerder 7] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [betrokkene 2] wijst op een voorgekookte gecoördineerde actie” (tegen ’s hofs weergave van dat betoog richt het subonderdeel geen klacht) - in feitelijke instanties (ook) hebben gesteld dat (een of meer van) die medewerkers zich korte tijd na elkaar beter hebben gemeld, om daarna allen in dienst te treden bij Interaction Next, op welke stellingname het hof ter zake (met een daarop gerichte, nadere motivering) had moeten responderen, zodat het subonderdeel in dit opzicht niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan te stellen eisen. [12] Ik laat verder daar dat het subonderdeel niet bestrijdt ‘s hofs oordeel in rov. 6.29 eindarrest dat het betoog van SmartDocuments c.s., waarvan onderdeel uitmaakt dat geen sprake is van werkelijke arbeidsongeschiktheid, onvoldoende onderbouwd is (waarbij het hof dus onder meer betrekt dat op zich niet onaannemelijk is dat de schorsing van [verweerder 4] en [verweerder 5] en hun naderend ontslag voor een aantal werknemers onzekerheid en spanningen zal hebben opgeleverd), zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de desbetreffende medewerkers daadwerkelijk arbeidsongeschikt waren, bij welke stand van zaken, zonder toelichting, die ontbreekt, te minder valt in te zien waarom de ziek- en betermeldingen, met het veelvuldige onderlinge telefonische contact, zouden wijzen op een voorgekookte, tussen de desbetreffende medewerkers gecoördineerde actie. [13] Hierop stuit het subonderdeel ook voor het overige af.
De mensen zijn ook bereid om mee te gaan” (de ‘Personeels Top 8’ van SmartDocuments werknemers met de meeste expertise bestaat uit [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 9] , [verweerder 8] , [betrokkene 9] , [verweerder 6] , [betrokkene 2] en [verweerder 7] , aldus het subonderdeel);
Vanaf 1 mei zullen er 6 mensen instappen” (deze zes mensen zijn [verweerder 9] , [verweerder 8] , [betrokkene 9] , [verweerder 6] , [betrokkene 2] en [verweerder 7] , aldus het subonderdeel).
Zoals zakelijk weergegeven onder 3.5 hiervoor, overweegt het hof in rov. 6.24 eindarrest dat uit het ondernemingsplan blijkt dat het de bedoeling was met een eigen product de overheids- en mkb-markt te bedienen en dat het ook de bedoeling was in het bedrijf op te nemen de op dat moment nog in dienst van SmartDocuments zijnde [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 9] , [verweerder 8] , [verweerder 6] , [verweerder 7] , [betrokkene 9] en [betrokkene 2] , en oordeelt het hof, mede op basis hiervan, in rov. 6.25 eindarrest dat uit deze gang van zaken geredelijk kan worden afgeleid dat [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] nog tijdens hun dienstverband met SmartDocuments voorbereidingen hebben getroffen voor het oprichten van een eigen bedrijf, maar dat SmartDocuments c.s. niet hebben onderbouwd in welk opzicht met het enkele treffen van die voorbereidingen het duurzaam bedrijfsdebiet van SmartDocuments c.s. (al) werd afgebroken dan wel anderszins onrechtmatig werd gehandeld. Deze oordelen worden in cassatie niet (met vrucht) bestreden.
Het subonderdeel maakt evenmin duidelijk dat SmartDocuments c.s. de thans betrokken stelling, erop neerkomend dat uit het ondernemingsplan volgt dat [verweerder 6] , [verweerder 7] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [betrokkene 2] (en [betrokkene 9] ) [16] zullen overstappen naar DocMinded, in feitelijke instanties aan het door het hof in rov. 6.29 eindarrest behandelde betoog van SmartDocuments c.s. - in de woorden van het subonderdeel: “dat de handelwijze van [verweerder 6] , [verweerder 7] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [betrokkene 2] wijst op een voorgekookte gecoördineerde actie” (tegen ’s hofs weergave van dat betoog richt het subonderdeel geen klacht) - ten grondslag hebben gelegd, op welke stellingname het hof ter zake (met een daarop gerichte, nadere motivering) had moeten responderen. [17] , [18] Overigens geldt nog dat ook als daaraan zou worden voorbijgegaan, en hetgeen het hof overweegt in rov. 6.29 eindarrest wordt bezien in het licht (ook) van rov. 6.24 en 6.34 eindarrest inzake het ondernemingsplan, dat wat het subonderdeel aanvoert, specifiek de daarin genoemde inhoud van het ondernemingsplan (waarop aansluit hetgeen het hof overweegt in rov. 6.24 en 6.34 eindarrest inzake het ondernemingsplan), [19] het oordeel van het hof in rov. 6.29 eindarrest in elk geval nog niet (bij gebreke aan een nadere motivering) onbegrijpelijk maakt. Het gegeven dat het ondernemingsplan melding ervan maakt, kort gezegd, dat de desbetreffende medewerkers (dus [verweerder 6] , [verweerder 7] , [verweerder 8] , [verweerder 9] , [betrokkene 2] en [betrokkene 9] ) “instappen” en “bereid zijn om mee te gaan” naar DocMinded, rechtvaardigt op zichzelf immers nog niet de conclusie dat (toch wel) sprake was van, wat het hof in rov. 6.29 eindarrest noemt (welke weergave in cassatie dus niet wordt bestreden), “een voorgekookte,
tussen hengecoördineerde actie” [20] [onderstreping toegevoegd, A-G] inzake geregisseerde ziekmeldingen zoals daar bedoeld, waarbij ik ook betrek:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof oordeelt in rov. 6.29 eindarrest, zakelijk weergegeven, dat het desbetreffende betoog van SmartDocuments c.s. - zoals weergegeven in rov. 6.29, eerste twee zinnen eindarrest, waaronder “de veelvuldige onderlinge telefonische contacten” - niet kan worden gevolgd, omdat het door DocMinded c.s. gemotiveerd is weersproken en verder van onderbouwing (dus door SmartDocuments c.s.) verstoken is gebleven, zodat het betoog niet meer is dan speculatie (waaraan het hof nog toevoegt dat nu daarnaast op zich niet onaannemelijk is dat de schorsing van [verweerder 4] en [verweerder 5] en hun naderend ontslag voor een aantal werknemers onzekerheid en spanningen zal hebben opgeleverd (zie rov. 6.36 eindarrest), het hof aan deze stellingname als onvoldoende onderbouwd voorbijgaat en dit bedoelde voorbereidingen nog niet laakbaar maakt).
SmartDocuments c.s. hebben in eerste aanleg onder meer het volgende aangevoerd:
productie 39).” [24]
Prod 48is een overzicht van de telefonische contactmomenten tussen [verweerder 5] en [verweerder 4] met de medewerkers die in het Businessplan zijn genoemd. Ondanks het verbod zijn alleen al in de periode van 19-3-2009 tot en met 30-06-2009 maar liefst 142 contactmomenten (bel of sms) geweest zijn tussen medewerkers (welke in het bedrijfsplan worden genoemd) en [verweerder 4] en [verweerder 5] . (…) De navolgende producties tonen aan welke contacten hebben plaatsgevonden kort na de non-actiefstelling van [verweerder 5] en [verweerder 4] en hoe zij de ziekmeldingen door een aantal andere werknemers van Smartdocuments hebben geregisseerd. De producties laten zien dat er sprake is van een welbewuste samenspanning van gedaagden om concurrerende activiteiten op te starten en onrechtmatig te handelen jegens Smartdocuments.
Prod 49: op 23 januari 2009 om 10.07 uur, kort nadat [verweerder 5] en [verweerder 4] op non-actief zijn gezet, belt [verweerder 4] met [verweerder 6] waarna [verweerder 4] contact opneemt met zijn advocaat (...). Na het contact met zijn advocaat belt [verweerder 4] met [verweerder 6] .
Prod 50: op dezelfde datum, 23 januari 2009, meldt [verweerder 6] zich ziek, enkele minuten na contact te hebben gehad met [verweerder 4] . (...)
Prod 52: Ook op dezelfde dag, 23 januari 2009, om 9.47 uur deelt [verweerder 9] aan de gehele organisatie mee dat hij ziek is. (...).
Prod 53: Om 10:00:40 belt [verweerder 9] met [verweerder 5] , om 10:05:05 met [verweerder 6] . Tevens heeft hij die dag dan ook nog contact met [verweerder 8] en [verweerder 4] .” [25] “We zien veelvuldig overleg in de “verboden periode” tussen de 6 leden van de top 8 onderling en met [verweerder 5] en [verweerder 4] . Vooral ook rond belangrijke momenten (ziekmeldingen, ontslag, toezenden vertrouwelijke gegevens, presentatie investeerder). Sluit aan bij wat Veenvliet verklaart: [verweerder 4] en [verweerder 5] niet uit beeld. Over aan boord komen zijn afspraken gemaakt. “Daarna zouden we verder gaan”.” [26]
productie 13). Echter, zoals blijkt uit de producties die eerder bij akte in het geding zijn gebracht, blijkt dat tussen de verschillende gedaagden in eerste aanleg - waaronder [verweerder 5] - zeer nauw contact en overleg was en dat alle stappen nauwgezet met elkaar zijn afgestemd.” [34]
productie 54).” [36]
productie 59). (…) Uit de bellijsten blijkt dat [verweerder 7] op 22 april 2009 een tweetal keren heeft gebeld met [betrokkene 4] ( [telefoonnummer] ) (
productie 60). (…) Ook na dit contact met [betrokkene 4] neemt [verweerder 7] zeer kort daarna contact op met [verweerder 4] en [verweerder 5] (
productie 61).” [37]
Productie 151in het geding heeft gebracht en dat hiervoor reeds kort is toegelicht.” [39]
23 januari 2009. Zij hebben zich als eerste van de groep ziekgemeld en dat vonden de betrokken leden van het kernteam kennelijk een hele belangrijke stap in het proces van het afwerven van het bedrijfsdebiet van SmartDocuments, want we zien achteraf dat er op die datum opvallend veel overleg is geweest tussen eigenlijk alle groepsleden (
Productie 154). (…) Opvallend zijn met name de gesprekken vroeg op de ochtend tussen [verweerder 5] en [verweerder 4] (om 09:21:11) en vervolgens tussen [verweerder 4] en [verweerder 6] (om 09:22:50). [verweerder 4] en [verweerder 5] hebben de eerste ziekmeldingen eerst voor besproken en meteen daarna heeft [verweerder 4] met [verweerder 6] gebeld om aan te geven hoe hij moest handelen en wat hij het beste kon zeggen. Goed om voor ogen te houden is ook dat [verweerder 6] zich rond 10:00 uur in de ochtend ziek heeft gemeld en dat [verweerder 4] [verweerder 6] rond die tijd tot driemaal toe kort heeft gesproken, namelijk om 10:00, om 10:07 en om 10:18. (…) [verweerder 9] heeft zich rond lunchtijd ziek gemeld en ook hij heeft kort daarvoor met [verweerder 4] gesproken, namelijk om 12:14. Men dient zich hierbij steeds te realiseren dat [verweerder 5] en [verweerder 4] reeds daarvoor geschorst waren en zich derhalve niet mochten bemoeien met het besturen van de onderneming. (…) Laat op de avond wordt er veel onderling ge-sms’t”. [40]
9 februari 2009(
Productie 155). Op die datum heeft hij veel contact gehad met met name [verweerder 5] (in totaal vijf contactmomenten). Daartoe was geen enkele legitieme reden, want [verweerder 5] was toen al geruime tijd op non-actief gesteld. (…) Wat onder meer opvalt is dat [verweerder 7] [verweerder 5] om 15:20 kennelijk dringend moet bereiken, want hij probeert het eerst twee keer en wanneer hij [verweerder 5] om 15:22 te pakken krijgt, spreken ze elkaar meteen lang, namelijk ruim 24 minuten. Dat is opvallend, omdat die urgentie niet overeenstemt met het standpunt van [verweerder 7] dat hij en [verweerder 5] gewoon goede vrienden zijn en elkaar daarom vaak spreken. Qua timing is het gesprek vroeg op de ochtend om 08:55, vlak voordat [verweerder 7] bij SmartDocuments binnenstapte, ook opvallend.” [41]
19 februari 2009, de datum van ziekmelding door [verweerder 8] (
Productie 156). Opvallend is dat er toen veel minder is gebeld tussen de groepsleden. Blijkbaar hadden ze inmiddels al genoeg ervaring opgedaan met de gefingeerde ziekmeldingen. (...). Vermeldenswaard is tenslotte nog het extreem grote aantal gesprekken dat
[verweerder 7] tijdens zijn ziekteperiode van 9 februari t/m 14 mei 2009met met name [verweerder 5] heeft gevoerd (Productie 157). [verweerder 7] heeft toen nagenoeg iedere dag contact gehad met [verweerder 5] ! Hij sprak verder ook meermaals met [verweerder 6] , [verweerder 9] en [verweerder 4] . Dat blijkt wel uit het onderstaande. Opvallend daarbij is ook de kennelijke urgentie waarmee wordt gebeld. Blijkbaar was het telkens heel dringend dat [verweerder 7] met de andere groepsleden sprak, want als die niet opnemen probeert hij het vele malen achter elkaar. Ook dat duidt erop dat dit gesprekken waren om zaken met elkaar af te stemmen in plaats van privé gesprekken.” [42]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel doet (mede) beroep op de stellingen van SmartDocuments c.s. in de memorie van grieven, nrs. 88, 92, 166, 172-174. SmartDocuments c.s. hebben daar onder meer het volgende aangevoerd:
Mede bezien tegen deze achtergrond, oordeelt het hof in rov. 6.11 eindarrest:
SmartDocuments c.s. hebben in eerste aanleg onder meer het volgende gesteld. Een werknemer is op de voet van art. 7:611 BW Pro gehouden zich als een goed werknemer te gedragen. Werknemers zijn op grond van het beginsel van goed werknemerschap verplicht zich te onthouden van nevenwerkzaamheden waardoor een concrete schending van de gerechtvaardigde belangen van de werkgever plaatsvindt. Van een schending van deze belangen is al snel sprake in het geval van concurrentie door een werknemer. [71] [verweerder 6] heeft het bestand ‘extras’ op de server van SmartDocuments verwijderd. Het betreft vermoedelijk de broncode van webclient. Hierdoor heeft de ontwikkeling van “de webclient van SmartDocuments” ernstige vertraging opgelopen. Deze handeling kan worden aangemerkt als sabotage en levert onrechtmatige werknemersconcurrentie op. [72] De rechtbank heeft het betoog van SmartDocuments c.s., blijkens rov. 4.31 eindvonnis, zo opgevat dat [verweerder 6] art. 7:611 BW Pro onder meer heeft geschonden door, kort gezegd, tijdens zijn dienstverband gegevens en bestanden van de servers van SmartDocuments te verwijderen. In rov. 5.10 eindvonnis heeft de rechtbank een opsomming gegeven van de door SmartDocuments c.s. gemaakte verwijten, waaronder het in strijd handelen met art. 7:611 BW Pro vanwege het beweerde verwijderen van essentiële bouwstenen van de webclient/Evolution software applicaties uit de gegevensdragers van SmartDocuments. [73] In rov. (5.15-)5.18 eindvonnis gaat de rechtbank echter, als onvoldoende onderbouwd gesteld, voorbij aan de stelling van SmartDocuments c.s. dat de webclient software van SmartDocuments is verwijderd (en daarna is ingezet voor de ontwikkeling van xential), wat dus ook terugslaat op genoemd verwijt inzake art. 7:611 BW Pro. [74] Tegen rov. 5.18 eindvonnis zijn SmartDocuments c.s. in hoger beroep opgekomen met grief II. Ter toelichting hebben zij onder meer gesteld: dat [verweerder 6] op 20 januari 2009 “het bestand “extras” [heeft] verwijderd, met daaronder de FOS core en FOS suite”; [75] dat een zeer belangrijk deel van webclient opnieuw diende te worden vervaardigd, teneinde webclient weer werkend te krijgen; [76] en dat geïntimeerden, onder wie dus [verweerder 6] , wel degelijk belangrijke software van de servers van SmartDocuments hebben verwijderd, waarna er in geen enkel opzicht een functionerende webclient meer beschikbaar was bij SmartDocuments. [77] Het slot van grief II bevat een verwijzing naar onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW Pro, “handelen in strijd met goed werknemerschap”, bestuurdersaansprakelijkheid en een auteursrechtelijke inbreuk. [78] DocMinded c.s. hebben grief II van SmartDocuments c.s. bestreden. [79] Zij hebben onder meer aangevoerd dat de conclusie die SmartDocuments c.s. trekken, [80] dat er software is verwijderd en dat die software belangrijk was, onjuist en ongefundeerd is, alsmede dat deze stelling in hoger beroep nog steeds onvoldoende onderbouwd is. Er is alleen bewijs van het verwijderen van “de map “Extra’s””, terwijl vaststaat “dat er verder
nietsis verwijderd”, dat die map “niet de gehele code” betrof, dat die map “buiten het bestand FOS niets belangrijks bevatte”, en dat aangezien “het bestand FOS géén functie had voor de webclient van SmartDocuments”, er “ook geen voor de webclient ‘essentiële’ onderdelen zijn verwijderd door [verweerder 6] ”, reden waarom het bewijsmateriaal aantoont “dat de stellingen van SmartDocuments c.s. over het verwijderen van software onwaar zijn”. [81] DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] zijn met grief 5 opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.38 eindvonnis dat [verweerder 6] in strijd heeft gehandeld met art. 7:611 BW Pro. Uit de toelichting op deze grief blijkt dat zij begrijpen dat [verweerder 6] wordt verweten in strijd met art. 7:611 BW Pro te hebben gehandeld, onder meer door het beweerde verwijderen van essentiële bouwstenen van de webclient/Evolution software applicaties uit de gegevensdragers van SmartDocuments. [82] Zij bestrijden onder meer hetgeen SmartDocuments c.s. hebben aangevoerd bij inleidende dagvaarding, door aan te voeren dat de stelling dat het bestand ‘extras’ de broncode van webclient zou zijn iedere basis mist en dat [verweerder 6] de broncode of essentiële onderdelen daarvan niet heeft verwijderd. [83] SmartDocuments c.s. hebben grief 5 van DocMinded, Interaction Next, Xential, [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] bestreden. Zij hebben onder meer aangevoerd dat rov. 5.10 eindvonnis alle handelingen bevat die door SmartDocuments c.s. naar voren zijn gebracht en dat de rechtbank in het verdere vervolg alle in rov. 5.10 eindvonnis naar voren gebrachte aspecten beoordeeld heeft. [84] De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat [verweerder 6] software heeft verwijderd. [85] [verweerder 6] heeft echter wel degelijk belangrijke software verwijderd. SmartDocuments noch CapGemini is ooit op de hoogte gesteld van de verwijderactie van het bestand ‘extras’ door [verweerder 6] . De wel aangetroffen code was niet consistent en werkte niet als een samenhangende webbased documentgenerator. Daardoor heeft men niet door kunnen werken aan de bestaande code, maar het besluit moeten nemen om geheel opnieuw te beginnen. Hierdoor is een aanzienlijke achterstand ontstaan in de ontwikkeling van het product (webclient). [86] Uit het voorgaande blijkt dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat SmartDocuments c.s. aan de vermeende schending van art. 7:611 BW Pro door [verweerder 6] , voor zover ingeroepen in feitelijke instanties en hier relevant (want wat betreft software/het bestand ‘extras’, waarvan het subonderdeel dus uitgaat), naar de kern genomen ten minste ten grondslag hebben gelegd (het verwijt) dat hij met dat bestand ‘extras’ voor webclient belangrijke software heeft verwijderd (in welk verband zij ook hebben aangevoerd dat daardoor SmartDocuments een aanzienlijke achterstand heeft opgelopen in de verdere ontwikkeling van haar product (webclient)), wat de rechtbank, mede gelet op rov. (5.10 en) 5.18 eindvonnis, dus ook niet heeft gemist.
Het hof overweegt ter zake de in rov. 6.10 eindarrest bedoelde punten c en d (zie ook onder 3.14 hiervoor), zakelijk weergegeven:
tijdens dienstverbandvan een concurrerende onderneming een handeling is die indruist tegen het belang van de werkgever en beoogt de werkgever te benadelen en derhalve als zodanig onrechtmatig kan zijn.
In rov. 6.23-6.30 eindarrest gaat het hof in op het onderdeel “1. het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments”, in het bredere kader van de vraag naar de vraag of sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie rov. 6.17-6.70 eindarrest). Dit moet worden bezien in het licht van rov. 6.19-6.22 eindarrest, waaruit onder meer volgt, in cassatie onbestreden, dat het hof de in rov. 6.21 eindarrest bedoelde stellingen onder 1 t/m 7 (nadien ook wel aspecten en onderdelen van de zaak genoemd) daarna afzonderlijk onder de loep neemt, wat gebeurt in rov. 6.23-6.69 eindarrest (met dien verstande dat de beoordeling of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie uiteindelijk zal worden gebaseerd op zowel de bevindingen ten aanzien van de individuele stellingen als op het onderling verband tussen en het gewicht van die bevindingen, wat gebeurt in rov. 6.70 eindarrest). Zoals hieruit volgt, komen die stellingen onder 2 t/m 7 [90] niet (ook) aan bod in rov. 6.23-6.30 eindarrest: het gaat daarin (alleen) om het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments. Het hof oordeelt in rov. 6.25 eindarrest als volgt:
Zoals gezegd (zie onder 3.23 hiervoor), gaat het hof in rov. 6.23-6.30 eindarrest in op het onderdeel “1. het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments”, in het bredere kader van de vraag naar de vraag of sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie rov. 6.17-6.70 eindarrest). Dit moet dus worden bezien in het licht van rov. 6.19-6.22 eindarrest, waaruit onder meer volgt, in cassatie onbestreden, dat het hof de in rov. 6.21 eindarrest bedoelde stellingen onder 1 t/m 7 (nadien ook wel aspecten en onderdelen van de zaak genoemd) daarna afzonderlijk onder de loep neemt, wat gebeurt in rov. 6.23-6.69 eindarrest (met dien verstande dat de beoordeling of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie uiteindelijk zal worden gebaseerd op zowel de bevindingen ten aanzien van de individuele stellingen als op het onderling verband tussen en het gewicht van die bevindingen, wat gebeurt in rov. 6.70 eindarrest). Zoals hieruit dus volgt, komen die stellingen onder 2 t/m 7 [97] niet (ook) aan bod in rov. 6.23-6.30 eindarrest: het gaat daarin, zoals gezegd, (alleen) om het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments, waarop het hof zich dan logischerwijs specifiek richt. Anders dan het subonderdeel het doet voorkomen, gaat het hof in het eindarrest, met inbegrip van het hier bestreden oordeel, niet ervan uit dat in deze zaak aan de orde is dat [verweerder 4] , [verweerder 5] , [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] “enkel” voorbereidingen voor het oprichten van een eigen, concurrerende onderneming hebben getroffen, waarbij het is gebleven. Daarmee strookt bijvoorbeeld ook de vaststelling in rov. 6.24 eindarrest dat op 24 februari 2009 het bedrijf DocMinded werd opgericht (waarvan de mogelijke structuur in het ondernemingsplan was beschreven) en dat op 11 juni 2009 door [verweerder 6] Interaction Next werd opgericht, [98] alsmede de vaststelling in rov. 4.12 eindarrest dat [verweerder 9] op 1 juli 2009 in dienst trad bij Interaction Next, gevolgd door [verweerder 7] , [verweerder 8] en [betrokkene 2] op 1 augustus 2009. [99] Iets anders is dat het hof de andere aspecten die in deze zaak aan de orde zijn elders in het eindarrest behandelt, waarbij wat betreft de vraag of sprake was van onrechtmatige concurrentie dus in het bijzonder gekeken dient te worden naar rov. 6.17-6.70 eindarrest, waarvan rov. 6.23-6.30 eindarrest (over het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments, als het daar relevante, te behandelen onderdeel van de zaak) dus slechts een onderdeel is. Voor zover het subonderdeel niet reeds vastloopt op een onjuiste lezing van het eindarrest, daarmee feitelijke grondslag missend, volgt uit het voorgaande dat wat het subonderdeel aanvoert niet meebrengt dat ’s hofs daarin bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn gemotiveerd.
Hierop stuit het subonderdeel af.
SmartDocuments c.s. hebben bij inleidende dagvaarding onder de kop “Onrechtmatige en inbreukmakende activiteiten”, en vervolgens de tussenkop “Oprichting concurrerend bedrijf (onder dienstverband)”, onder meer het volgende aangevoerd:
productie 26). In deze e-mailwisseling wordt gesproken over de previewfunctionaliteit: “Ik ga het nu ook snel intypen op de wiki zodat ik het over een jaar nog weet”. Deze preview functionaliteit vormt later een van de onderscheidende functionaliteiten van de Xential software. [verweerder 4] en [verweerder 6] waren klaarblijkelijk onder werktijd bezig met het bedenken van functionaliteiten voor de webclient die zij niet met SmartDocuments deelden, maar achterhielden om op een later moment zelf te gebruiken.” [101]
(…) In het kader van het handelen in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid is er sprake van onrechtmatige concurrentie indien de ex-werknemer
“het duurzame bedrijfsgebied[dit staat zo in het origineel, A-G]
van zijn voormalig werkgever stelselmatig en substantieel afbreekt en daarbij gebruik maakt van kennis en gegevens die hij zijn voormalige werkgever vertrouwelijk heeft verkregen.
”In dit concreet geval hebben gedaagden zich schuldig gemaakt aan de navolgende omstandigheden die op basis van de jurisprudentie van belang zijn bij het beoordelen van de onrechtmatigheid van de gedragen [dit staat zo in het origineel, A-G] en het samenstel aan gedragingen:
A. het voorbereiden van concurrentie tijdens het dienstverband;
B. het werven onder de clientèle van de voormalig werkgever;
C. het afhandig maken van personeel;
D. het doen van voordelige aanbiedingen;
E. het geven van een misleidende of verwarrende voorstelling van zaken;
F. het schenden van vertrouwen door middel van het gebruik van onder meer vertrouwelijke gegevens;
G. het verwijzen naar het vroegere dienstverband.
Bij memorie van grieven, waarin ook de kern van het geschil wordt geduid, [111] zijn SmartDocuments c.s. met grief II opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 5.11-5.18 eindvonnis [112] dat SmartDocuments c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat webclient is verwijderd en ontvreemd en daarna is ingezet voor de ontwikkeling van xential. Ter toelichting op deze grief is door SmartDocuments c.s. onder meer het volgende aangevoerd:
Productie 26) Terzijde: De preview functionaliteit blijkt later een van de onderscheidende functionaliteiten te zijn van het product Xential.” [113]
laterook nog weet’. De woordkeuze ‘over een jaar’ houdt niet in dat [verweerder 6] dacht dat hij over exact een jaar weer met een previewfunctie bezig zou zijn en al helemaal niet dat dat dan voor een ander bedrijf zou zijn.” [115]
oprichtenvan een nieuw concurrerend bedrijf. Oprichtingshandelingen zijn handelingen die de oprichting van een bedrijf bewerkstellingen. Pas wanneer dergelijke handelingen concreet worden voorbereid, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen tijdens diensttijd. Het moge duidelijk zijn dat het in de wiki van SmartDocuments plaatsen van informatie voor later gebruikt door SmartDocuments, niet kan worden aangemerkt als onrechtmatige voorbereidingshandeling.” [118]
Productie 90) Terzijde: deze preview-functionaliteit wordt later door IN voor wat betreft haar eigen product als onderscheidende functionaliteit aan klanten gecommuniceerd.” [119]
Productie 26) Terzijde: De preview functionaliteit blijkt later een van de onderscheidende functionaliteit te zijn van het product Xential.” [120]
productie 26) over een preview functionaliteit. [verweerder 4] mailt (o.a.) naar [verweerder 6] :
“Stel ik heb een vragenscherm voor me met twee vragen en ik vul de eerste vraag in. Ik ga naar de tweede vraag en ben aan het typen. Ondertussen verschijnt aan de linkerkant een jpg met daarin een word document met de eerste vraag ingevuld. (preview). Is dit iets?”[verweerder 6] reageert daarop met onder andere:
“Als we dit bouwen denk ik dat we gewoon in een nieuwe editor ervoor zorgen dat een document ook als html wordt opgeslagen, dan hoeft er runtime helemaal niets te worden geconverteerd…”. Vervolgens mailt [verweerder 6] :
“vond ik ook wel, ik ga het nu ook snel intypen op de wiki zodat ik het over een jaar ook nog weet :-)”. (…) Anders dan DocMinded doet voorkomen gaat het hier wel degelijk om de vastlegging van een functionaliteit ten behoeve van de nieuwe onderneming. Uit de mailwisseling blijkt duidelijk dat het om een preview gaat. Deze preview functionaliteit vormt, zoals aangegeven in de dagvaarding, later een van de onderscheidende functionaliteiten van de Xential software. DocMinded weerspreekt dit ook niet. Als DocMinded aannemelijk had willen maken dat [verweerder 4] iets in de wiki vastlegde ten behoeve van SmartDocuments, had het op de weg van DocMinded gelegen daadwerkelijk te laten zien dat [verweerder 4] deze functionaliteit op zijn minst onder de aandacht heeft gebracht van SmartDocuments. Dat is echter niet gebeurd. [verweerder 4] heeft de preview functionaliteit vastgelegd, niet ingebracht in SmartDocuments en vervolgens gebruikt ten behoeve van de Xential software.” [121]
productie 26). In deze e-mailwisseling wordt gesproken over de preview functionaliteit:
“Ik ga het nu ook snel intypen op de wiki zodat ik het over een jaar ook nog weet.”Deze preview functionaliteit vormt, zoals eerder in deze Memorie van Antwoord besproken, later een van de onderscheidende functionaliteiten van de Xential software. [verweerder 4] en [verweerder 6] waren klaarblijkelijk onder werktijd bezig met het bedenken van de functionaliteiten voor de webclient die zij niet met SmartDocuments deelden, maar achterhielden om op een later moment zelf te gebruiken. Dit bleek overigens ook al uit de inleiding van deze Memorie van Antwoord.” [122]
SmartDocuments c.s. hebben dus aangevoerd, in het kader van het voorbereiden van de oprichting van een nieuwe, concurrerende onderneming tijdens het dienstverband bij SmartDocuments (aan bod komend bij [verweerder 4] en [verweerder 6] in verband met art. 6:162 BW Pro, art. 2:9 BW Pro en art. 7:611 BW Pro) en kort gezegd, dat [verweerder 4] en [verweerder 6] gedurende hun dienstverband bij SmartDocuments onder werktijd bezig waren met een onderscheidende softwarematige functionaliteit die zij niet met SmartDocuments deelden, maar achterhielden om op een later moment zelf te gebruiken. In dat verband hebben zij primair gewezen op een e-mailwisseling tussen [verweerder 4] en [verweerder 6] . In reactie op deze stellingname van SmartDocuments c.s. is door DocMinded c.s. dus gemotiveerd betwist dat de desbetreffende functionaliteit onderscheidend was en aangevoerd, onder meer:
Bij deze stand van zaken geldt ten eerste dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat SmartDocuments c.s. hun stellingname in dit verband, [126] afgezet ook tegen hetgeen daar tegenover is gesteld in feitelijke instanties, al met al onvoldoende hebben onderbouwd. Daaraan zij toegevoegd, bezien tegen de achtergrond van het voorgaande, dat het bepaald voor de hand ligt dat het hof in rov. 6.23-6.30 eindarrest niet voorbijziet aan deze stellingname van SmartDocuments c.s., maar mede met het oog daarop vaststelt, in het bijzonder in rov. 6.25-6.28 eindarrest, dat SmartDocuments c.s. het daar bedoelde inzake onrechtmatig handelen (onrechtmatige concurrentie) dan wel strijd met art. 2:9 BW Pro en/of art. 7:611 BW Pro niet of onvoldoende hebben onderbouwd, wat het hof gelet op het partijdebat ter zake (waarover dus hiervoor) ook afdoende kenbaar doet, en welk oordeel gelet op dat partijdebat (zie tevens eerstgenoemd punt hiervoor) ook verder geenszins onbegrijpelijk is. Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het eindarrest, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof dus wel afdoende kenbaar ingaat op deze stellingname van SmartDocuments c.s., wat, gegeven het voorgaande, dus geen nadere motivering behoefde.
Hierop stuit het subonderdeel af.
zoudenovergaan naar hun nieuw op te richten onderneming. Het ondernemingsplan d.d. 6 februari 2009 weet immers: “De mensen zijn ook bereid mee te gaan” en “Vanaf 1 mei zullen er 6 mensen instappen”. Daarmee is onverenigbaar dat de desbetreffende werknemers “later” en “uit eigen beweging” zijn overgestapt zonder dat actief geworven is, zoals het hof in rov. 6.36 eindarrest heeft overwogen.
Het hof oordeelt in rov. 6.34 eindarrest, volgend op rov. 6.32-6.33 eindarrest (waarin het hof onder meer overweegt dat het zelfstandig te beoordelen heeft “of [verweerder 4] en [verweerder 5] (al dan niet in strijd met het verbod van de voorzieningenrechter) actief hebben geworven onder het personeel van SmartDocuments c.s.”) en rov. 6.31 eindarrest (waarin het hof vooropstelt dat de eerste te beantwoorden vraag is “of [verweerder 4] en [verweerder 5] - het nu besproken verwijt treft in het bijzonder hen - actief tot werving van [verweerder 6] , [verweerder 8] , [verweerder 9] en [verweerder 7] en eventuele anderen zijn overgegaan”), dat uit de daarin door het hof geciteerde tekst van “het ondernemingsplan van DocMinded (SD 30)” niet meer valt af te leiden dan dat het van meet af aan de bedoeling was om de werknemers “mee te nemen” naar dat nieuwe bedrijf en dat van actieve werving uit die tekst niet blijkt. Het draait om die laatste vaststelling, dus dat uit deze passage uit dit ondernemingsplan van 6 februari 2009 niet blijkt van actieve werving (van de desbetreffende mensen, op dat moment personeel van SmartDocuments c.s., door [verweerder 4] en [verweerder 5] ). Dit is geen onbegrijpelijke uitleg van deze passage, nu hetgeen daarin staat vermeld (de daar vermelde bewuste keuze, inzetbaarheid en bereidheid), zonder meer, niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat ‘dus’ actief is geworven. Daaraan doet niet af, anders dan het subonderdeel suggereert, dat [verweerder 4] en [verweerder 5] er op dat moment - en gelet ook op die bereidheid - al zeker van waren dat de desbetreffende personen op enig moment [128] zouden overstappen naar dat nieuwe bedrijf, nu daarmee zulk actief werven nog niet gegeven is; het kenbaar maken aan [verweerder 4] en [verweerder 5] van het voornemen tot die overstap kan door de desbetreffende personen evenzogoed uit eigen beweging zijn geschied, en op het tegendeel wijst die passage niet. Daarmee zijn naar de aard evenmin onverenigbaar, anders dan het subonderdeel nog suggereert, ’s hofs overwegingen in rov. 6.36 eindarrest dat uit de in rov. 6.35 eindarrest genoemde feiten en omstandigheden (waaruit niet blijkt van een concrete wervingsactiviteit) veeleer het beeld rijst dat (onder meer) ook in de visie van de later overgestapte werknemers [129] [betrokkene 1] de oorzaak van alle problemen was en dat (onder meer) dit meer aansluit bij het verweer van DocMinded c.s. dat inhoudt dat de later overgestapte werknemers uit eigen beweging zijn overgestapt en dat actieve werving daarvoor niet nodig was, dan bij de stelling van SmartDocuments c.s. dat actief geworven is.
Hierop stuit het onderdeel af.
Het subonderdeel wijst op de volgende stellingen van SmartDocuments c.s. uit feitelijke instanties:
productie 40). Hiermee heeft [verweerder 4] misbruik gemaakt van bedrijfsinformatie van SmartDocuments. Dit is een bijkomende omstandigheid die leidt tot onrechtmatige concurrentie. [verweerder 4] beschikte toen, maar ook na einde van zijn dienstverband met SmartDocuments, over alle commerciële informatie van SmartDocuments.” [135]
SD 16, 40 en 45), IN exact wist welke bedragen SD bij welke klant rekende. Voor volledigheid: licentie- en onderhoudsfees geen openbare informatie! Zij nog gewezen op het zeer grote aantal bestanden dat de deurwaarder tijdens de beslaglegging heeft aangetroffen op de servers van IN met ‘SmartDocuments’ in de bestandnaam (
SD 74). Ook dat laat zien dat IN ook jaren later nog veel documenten van SD op haar server had.” [136]
productie 32 en 33. Uit deze producties blijkt dat DocMinded onderhoud en support aanbood voor exact dezelfde prijs. De prijs van SmartDocuments voor een licentie bedroeg € 22.999,- en de prijs voor het jaarlijks onderhoud bedroeg € 4.997,1. De prijs van IN voor een licentie bedroeg € 22.750,- en € 5.330,- voor jaarlijks onderhoud. (…) Verder blijkt uit
productie 32 en 33dat Docminded een licentie om niet aanbod. De reden was duidelijk: omdat men wist dat Tiel net de software bij SmartDocuments had aangeschaft en niet dat bedrag opnieuw wilde betalen. Tiel hoefde zo alleen onderhoud te betalen. Het betreft hier geen normale commerciële offerte.” [138]
Hetgeen het subonderdeel aanvoert, brengt niet mee dat het bestreden oordeel van het hof dat van afstemming geen sprake is, omdat DocMinded c.s. geen licentiekosten in rekening brachten, ontoereikend is gemotiveerd, anders dan het subonderdeel wil. [140] Het hof overweegt in rov. 6.49 eindarrest dat Interaction Next, anders dan SmartDocuments, geen licentiekosten in rekening bracht bij de gemeente Tiel. Dit blijkt ook uit de door SmartDocuments c.s. ingebrachte producties 32-33. Het hof overweegt dat het niet in rekening brengen van licentiekosten alleen al maakt dat van afstemming op de condities van SmartDocuments - dat € 22.999,- in rekening bracht voor de licentie - geen sprake is. [141] Dit behoefde, gegeven ’s hofs uitleg in rov. 6.48 eindarrest van het betoog van SmartDocuments c.s. (in cassatie onbestreden), waarover hiervoor, geen nadere motivering: uit deze (forse) discrepantie tussen de aan de gemeente Tiel in rekening gebrachte licentiekosten (€ 0,-- door Interaction Next tegenover € 22.999,- door SmartDocuments) volgt immers dat zo’n
volledigeafstemming, waarvan het hof dus uitgaat, [142] hier niet aan de orde is. Dit wordt niet anders door hetgeen het subonderdeel aanvoert, [143] nu het door SmartDocuments c.s. gestelde (zoals in het subonderdeel bedoeld) omtrent, kort gezegd:
onlinedocumentbeheer en -creatie die door Interaction Next wordt aangeboden, concurrerend is aan de software van SmartDocuments. Dat het om een concurrerend product gaat, volgt bovendien ook uit het ondernemingsplan en de omstandigheid dat het product voorziet in dezelfde behoefte als het product van SmartDocuments c.s. Klanten die zijn overgestapt naar de producten van DocMinded c.s. gebruiken immers niet langer de producten van SmartDocuments c.s.
Het subonderdeel is gericht tegen rov. 6.49, voor-voorlaatste zin eindarrest, gelijk het geval is met subonderdeel 5.3 (zie onder 3.39-3.40 hierna). [148] Subonderdeel 5.4 bevat enkel een voortbouwende klacht, gericht tegen rov. 6.63 eindarrest (zie onder 3.41-3.42 hierna). Zoals uiteengezet onder 3.36 hiervoor faalt subonderdeel 5.1, waarmee gegeven is dat in cassatie niet met vrucht zijn bestreden rov. 6.49, eerste drie zinnen eindarrest, welke overwegingen zelfstandig dragend zijn voor ’s oordeel in rov. 6.49 eindarrest dat ten aanzien van de gemeente Tiel geen sprake is van afstemming op de financiële condities van SmartDocuments c.s. Dit is voor het subonderdeel al fataal, omdat SmartDocuments c.s. bij het slagen daarvan geen belang hebben, reden waarom het subonderdeel geen verdere behandeling behoeft. [149] Hierop stuit het subonderdeel af.
SmartDocuments c.s. hebben geen belang bij het slagen van het subonderdeel, gelijk het geval is ten aanzien van subonderdeel 5.2, waarover onder 3.38 hiervoor. Dit brengt reeds mee dat het subonderdeel geen verdere behandeling behoeft. [152] Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel wijst op stellingen uit de memorie van antwoord in het incidenteel appel die zijn aangevoerd onder de tussenkop “Werven klanten voor DocMinded/InteractionNext onder werktijd”. SmartDocuments c.s. hebben daar onder meer het volgende aangevoerd:
Docminded/ [verweerder 5]. [verweerder 5] heeft onder ede hierover verklaard: “Een ander klant van DM was [betrokkene 13]. [betrokkene 13] staat ook genoemd op pagina, (ongenummerd) 6 ervan, waar staat dat een eerste offerte aan die klant is uitgebracht. In mijn herinnering liep het offerte traject in elk geval op dat moment al met die klant” (
productie 13). Een en ander is bevestigd door [verweerder 9] in zijn getuigenverklaring: “U zegt mij dat [verweerder 5] heeft verklaard dat [betrokkene 13] een andere klant van Docminded (DM) was. Ik verklaar daaromtrent dat ik daarbij betrokken was (...).“(
productie 36).” [159]
SmartDocuments c.s. hebben verder bij memorie van antwoord, onder de kop “Het geven van een misleidende of verwarrende voorstelling van zaken”,onder meer het volgende aangevoerd
:
productie 74 Ablijkt dat [betrokkene 13] een prospect is van SD.
Productie 74 Aen 40 laten zien dat [verweerder 9] contactpersoon is. Hij is langs geweest rond 30 januari 2009. Opmerkelijk is dat in bezoekverslag (pag 3) als vervolghandelingen staan: “
Profiel opsturen van nieuw bedrijf+ CV medewerker”. Opmerkelijk is ook dat het bezoekverslag niet wordt afgegeven op naam van SD maar op naam van “Docreative”. Niet moeilijk om te zien wat hier mee bedoeld wordt: Docminded/IN. Het vervolg is bekend: de opdracht wordt aan [verweerder 5] verstrekt (
productie 13) en de opdracht wordt ook vermeld in het Businessplan (onderaan pag. 7
productie 30). Hieruit blijkt allereerst concurrentie tijdens dienstbetrekking door [verweerder 9] en [verweerder 5] en het niet naar waarheid verklaren van [verweerder 9] (
productie 36).” [161]
Bij inleidende dagvaarding hebben SmartDocuments c.s., onder de tussenkop “ [verweerder 9] ”, onder meer het volgende aangevoerd:
productie 13). [verweerder 9] heeft dus ook nog tijdens zijn dienstverband bij SmartDocuments actief opdrachten geworven voor een directe concurrent van SmartDocuments.” [166]
151,
154 t/m 158,
160en
161) - [verweerder 9] onder meer beticht.” [169]
Het afhandig maken van klanten c.q. prospects tijdens dienstverband”:) “In een bezoekverslag van [verweerder 9] aan [betrokkene 13] d.d. 30 januari 2009 staan alle contactpersonen van [betrokkene 13] en de klantvraag. In dit verslag staat dat de offerte voor deze klant voor 6 februari 2009 binnen moet zijn. Het ging daarbij niet om een offerte van SmartDocuments, maar om een offerte van zijn toekomstige werkgever DocMinded. [betrokkene 13] is klant geworden van Docminded. [verweerder 5] heeft tijdens de getuigenverhoren bevestigd dat Interaction Next ook daadwerkelijk voor [betrokkene 13] aan de slag is gegaan. [verweerder 9] heeft dus ook nog tijdens zijn dienstverband bij SmartDocuments actief opdrachten geworven voor een directe concurrent van SrnartDocuments.” [171]
en het oordeel daarin dat het verwijt van onrechtmatige concurrentie onvoldoende onderbouwd is” [cursivering toegevoegd, A-G], [175] belang mist bij dat incidenteel hoger beroep (daaraan toevoegend dat dit hoger beroep overigens ook nodeloos is ingesteld, omdat de vordering jegens hem op grond van verjaring in eerste aanleg is afgewezen en zijn andere verweren, bij een slagen van de grieven van SmartDocuments c.s. omtrent het gehonoreerde beroep op verjaring, op grond van de devolutieve werking in hoger beroep onderzocht zouden zijn),
Bij inleidende dagvaarding hebben SmartDocuments c.s. onder meer het volgende aangevoerd:
productie 40). Hiermee heeft [verweerder 4] misbruik gemaakt van bedrijfsinformatie van SmartDocuments. [verweerder 4] beschikte toen, maar ook na het einde van zijn dienstverband met SmartDocuments, over alle commerciële informatie van SmartDocuments.” [179]
productie 34). In 2008 heeft [verweerder 4] diverse tests uitgevoerd met online-backups (zie bijv.
productie 35). De back-ups die [verweerder 4] maakte in oktober en december 2008 waren ook tests. Dat er niets geheim of onrechtmatig was aan de back-ups blijkt wel uit het feit dat [verweerder 4] desgevraagd openlijk bevestigde dat hij online back-ups maakte (zie productie 18 bij dagvaarding).” [180]
Het subonderdeel spitst zich dus toe (zie onder 3.53 hiervoor) op hetgeen SmartDocuments c.s. hebben gesteld omtrent het door [verweerder 4] laten versturen van de bedrijfsadministratie van SmartDocuments (c.s.) naar zijn privé-e-mail (zie hiervoor), waarop het hof ook respondeert in rov. 6.65 eindarrest en waarop ik mij hier in het bijzonder richt. Mede gelet op het hiervoor weergegeven partijdebat, en op ’s hofs vooropstellingen in rov. 6.62 eindarrest (in cassatie onbestreden) [184] en rov. 6.63 eindarrest (in cassatie niet met vrucht bestreden), [185] alsmede ’s hofs uiteenzettingen omtrent kennis van het klantenbestand van SmartDocuments in rov. 6.64 eindarrest (in cassatie onbestreden), [186] is geenszins onbegrijpelijk ’s hofs vaststelling in rov. 6.65 eindarrest dat evenmin is onderbouwd “
dat en hoede naar de privé-e-mailadressen gezonden bestanden”, waaronder de bedrijfsadministratie, “
zijn gebruiktom het duurzaam bedrijfsdebiet van SmartDocuments c.s. af te breken dan wel anderszins onrechtmatig te handelen” [cursivering toegevoegd, A-G], uitmondend in de conclusie dat ook op dit onderdeel “de geponeerde stelling (er is gebruik gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie)” onvoldoende is onderbouwd (rov. 6.66 eindarrest). Daarbij zij opgemerkt dat uit de genoemde (en door het hof onderkende) stellingen van SmartDocuments c.s. wat betreft zulk
gebruikdoor DocMinded c.s. van die bedrijfsadministratie van SmartDocuments (c.s.) inderdaad niet meer blijkt dan dat “[z]ij haar offertes volledig op de prijzen van SmartDocuments [kon] afstemmen, hetgeen zij ook gedaan heeft (zoals elders in de processtukken ook is aangetoond)”, wat het hof dus al beoordeelt en verwerpt in het kader van rov. 6.48-6.56 eindarrest. Het subonderdeel beperkt zich ook - en dit is illustratief - tot het benadrukken dat, naar is aangevoerd door SmartDocuments c.s., [verweerder 4] , doordat hij die bedrijfsadministratie naar zijn privé-e-mail heeft laten versturen, na het einde van zijn dienstverband bij SmartDocuments c.s. alsnog over de bedoelde commerciële informatie van SmartDocuments c.s. “kon beschikken”, en [verweerder 5] en [verweerder 4] daardoor “[o]ok beschikten”, buiten de administratie van SmartDocuments om, over een exact overzicht van welke software bij welke klanten aanwezig was en wat die klanten daarvoor per jaar betaalden; geen woord over zulk gebruik daarvan. Het moge duidelijk zijn dat wat het subonderdeel aanvoert, zo dit al feitelijke grondslag heeft (want onderkent wat het hof doet in onder meer rov. 6.65 eindarrest, te lezen in het licht ook van rov. 6.62-6.64 eindarrest), niet maakt dat ’s hofs oordeel in rov. 6.65 eindarrest onbegrijpelijk is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Zoals gezegd (zie onder 3.54 hiervoor), komt dat wat volgens het hof in rov. 6.62-6.66 eindarrest ter beoordeling voorligt in het kader van het desbetreffende onderdeel (“6. het gebruik van vertrouwelijke bedrijfsinformatie”), dus ook in rov. 6.65 eindarrest (daar toegespitst op de naar de privé-e-mailadressen gezonden bestanden (webclient, bedrijfsadministratie)), neer op de stelling van SmartDocuments c.s. “er is gebruik gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie” (rov. 6.66 eindarrest, mede te lezen in het licht van rov. 6.62 eindarrest), hetgeen in cassatie niet wordt bestreden. Dit ligt ook in lijn met rov. 6.17 eindarrest, [189] in cassatie eveneens onbestreden:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Zoals gezegd (zie onder 3.56 hiervoor), legt het hof het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis uit in rov. 6.17 eindarrest, in cassatie onbestreden. Daaruit blijkt, voor zover hier relevant:
Hierop stuit het subonderdeel af.
bestuurder[verweerder 4] doende was een eigen bedrijf op te zetten. Op 20 november 2009 werd [verweerder 4] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van de concurrentie die in het ondernemingsplan al was uitgewerkt. De in de onderhavige procedure door SmartDocuments c.s. aan hun vorderingen ten grondslag gelegde feitelijkheden zijn in wezen en/of grotendeels dezelfde als in februari 2009 en november 2009 al bekend waren. Het kan zijn dat de voorlopige getuigenverhoren een nadere onderbouwing boden van deze feitelijkheden, maar de bekendheid met die feitelijkheden was voor SmartDocuments c.s. zelf voldoende om al in 2009 een aansprakelijkstelling de deur uit te doen. Niets nieuws dus, althans onvoldoende is onderbouwd in welk opzicht precies van nieuwe feitelijkheden sprake was. Het verweer dat de kwijting geen betrekking had op de feiten die aan de huidige procedure ten grondslag zijn gelegd, is dan ook onvoldoende onderbouwd. (rov. 6.73 eindarrest)
Zoals volgt uit rov. 6.72-6.73 eindarrest, betreft het daarin vervatte oordeel van het hof zoals bestreden door het onderdeel een oordeel ten overvloede (“Bovendien”, etc.). Immers, het hof verwerpt grief 9 (“kwijting [verweerder 4] ”) reeds, en zelfstandig dragend, omdat daarbij geen belang bestaat nu - naar volgt uit het daaraan voorafgaande in het eindarrest - volgens het hof niet is komen vast te staan dat van onrechtmatige concurrentie sprake was, waarmee al gegeven is dat onder anderen [verweerder 4] niet aansprakelijk is jegens SmartDocuments c.s. (dus nog los van de discussie over die “kwijting [verweerder 4] ”, waaraan dan niet meer wordt toegekomen behoudens ten overvloede). Voor zover ’s hofs oordeel dat niet is komen vast te staan dat van onrechtmatige concurrentie sprake was in cassatie is bestreden, is dat, gelet op de behandeling van onderdelen 1 t/m 7 hiervoor en van onderdelen 9 en 10 hierna (die eveneens falen), zonder vrucht gebeurd. Hieruit volgt dat (ook) geen belang bestaat bij de onderhavige klacht, gericht tegen genoemd ten overvloede gegeven oordeel van het hof, waarop het onderdeel reeds vastloopt. [206] Ik wijs - ten overvloede - nog erop dat, anders dan het onderdeel aanvoert, uit het oordeel van het hof in rov. 6.72-6.73 eindarrest ook niet blijkt dat het hof miskent dat vereist is, kort gezegd, dat High Concept wist waarvan zij jegens [verweerder 4] in 2011 afstand deed, of ontoereikend motiveert waarom het van oordeel is dat het verweer ter zake van SmartDocuments c.s. niet opgaat.
bestuurder[verweerder 4] doende was een eigen bedrijf op te opzetten; [207]
Het hof overweegt in rov. 6.22, derde en vierde zin eindarrest dat het de verschillende, in rov. 6.21 eindarrest weergegeven door SmartDocuments c.s. aan hun vordering ten grondslag gelegde stellingen [218] (aspecten van de zaak) bij zijn beoordeling, afzonderlijk, onder de loep zal nemen, maar dat de beoordeling of sprake is geweest van onrechtmatige concurrentie (waarover ook rov. 6.17-6.18 eindarrest) uiteindelijk zal worden gebaseerd zowel op de bevindingen ten aanzien van de individuele stellingen (aspecten) als op het onderling verband tussen en gewicht van die bevindingen. [219] Na die beoordeling in rov. 6.23-6.69 eindarrest overweegt het hof bij wijze van tussenconclusie in rov. 6.70 eindarrest dat uit het voorgaande volgt dat “geen van de aspecten die door SmartDocuments c.s. aan het gemaakte verwijt van onrechtmatige concurrentie ten grondslag zijn gelegd”, voldoende onderbouwd is, en dat dit maakt dat die aspecten “noch individueel noch in onderling verband” de conclusie kunnen dragen dat, kort gezegd, het Boogaard/Vesta-criterium is geschonden, terwijl (dus) evenmin bijzondere omstandigheden zijn gesteld die zouden moeten meebrengen dat voornoemde gedragingen, hoewel zij niet kwalificeren als gedragingen als bedoeld in de Boogaard/Vesta-jurisprudentie, desalniettemin als onrechtmatig handelen kwalificeren. Hieruit volgt dat het onderdeel wat betreft de rechtsklacht uitgaat van een onjuiste lezing van het eindarrest, en daarmee feitelijke grondslag mist: hieruit blijkt dat het hof, wat het onderdeel noemt, “de verschillende aspecten (…) in onderling verband en samenhang heeft getoetst”.
Het onderdeel strandt ook wat betreft de motiveringsklacht. Het hof oordeelt in rov. 6.70 eindarrest dus dat de door het onderdeel genoemde “aspecten”, die door SmartDocuments c.s. “aan het gemaakte verwijt van onrechtmatige concurrentie ten grondslag zijn gelegd” (zie ook rov. 6.17-6.18 en 6.21-6.22 eindarrest), álle, dus stuk voor stuk, onvoldoende zijn onderbouwd. Waarom dat zo is, volgt uit rov. 6.23-6.69 eindarrest, in cassatie niet (met vrucht) bestreden, waarin het hof telkens concludeert dat het desbetreffende onderdeel van de zaak door SmartDocuments c.s. onvoldoende is onderbouwd. Op basis van rov. 6.21-6.22 eindarrest, [220] in cassatie onbestreden, kon het hof, zoals het doet, zich vervolgens in rov. 6.70 eindarrest, volgend op rov. 6.23-6.69 eindarrest, richten op de (in rov. 6.22 eindarrest aangekondigde) beoordeling of de in rov. 6.21 eindarrest bedoelde stellingen van SmartDocuments c.s. (aspecten van de zaak) onder 1 t/m 7 individueel of in onderling verband de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en zonder nadere motivering volstaan met de - logische, niet verrassende - vaststelling dat, nu dus “geen” van genoemde aspecten voldoende is onderbouwd, gegeven is (“Dat maakt”, etc) “dat die aspecten”, welke door SmartDocuments c.s. dus aan het gemaakte verwijt van onrechtmatige concurrentie ten grondslag zijn gelegd, “noch individueel noch in onderling verband” de conclusie kunnen dragen dat, kort gezegd, het Boogaard/Vesta-criterium is geschonden, en (dus) evenmin bijzondere omstandigheden zijn gesteld die zouden moeten meebrengen dat voornoemde gedragingen, hoewel zij niet kwalificeren als gedragingen als bedoeld in de Boogaard/Vesta-jurisprudentie, desalniettemin als onrechtmatig handelen kwalificeren. [221] Bezien tegen deze achtergrond brengt hetgeen het onderdeel aanvoert evenmin mee dat ’s hofs oordeel in rov. 6.70 eindarrest onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof geen motivering geeft in rov. 6.70 eindarrest, gaat het uit van een onjuiste lezing van het eindarrest en mist het feitelijke grondslag.
Hierop stuit het onderdeel af.