Conclusie
1.Feiten
Performance of the agreement
totdat in rechte is beslist of op grond van artikel 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst deze betalingsverplichting is komen te vervallen”. [12] Wel is Omnicom veroordeeld tot betaling van de media-executiefee over de maand januari 2014, die door Omnicom nog niet was voldaan. Het vonnis is in hoger beroep bekrachtigd.
ingroeiregeling” zou moeten gelden. [16]
voor zover nog vereist” ontbonden, op de grond dat van Omnicom niet kon worden gevergd de samenwerking voort te zetten gelet op (i) de brieven van [betrokkene 1] aan het management van Omnicom in de VS en Europa, (ii) het benaderen van de voorzieningenrechter nadat al vonnis was bepaald, (iii) een door de zakenpartner van [betrokkene 1] gedane aangifte van smaad en (iv) (gestelde) mededelingen van [betrokkene 1] aan de pers over het geschil. [17]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
geheel ontbonden te verklaren per 7 februari 2014 respectievelijk 5 juni 2014 of een andere in goede justitie te bepalen datum, althans de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst geheel te ontbinden” en, subsidiair, de samenwerkingsovereenkomst “
gedeeltelijk ontbonden te verklaren per 7 februari 2014 respectievelijk 5 juni 2014 of een andere in goede justitie te bepalen datum, namelijk voor wat betreft de wederzijdse verplichtingen van partijen zoals opgenomen in de artikelen 2.2 en 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst, althans de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, namelijk voor wat betreft de wederzijdse verplichtingen van partijen zoals opgenomen in de artikelen 2.2 en 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst”. Op 21 september 2016 [19] en op 24 januari 2018 [20] zijn tussenvonnissen uitgesproken. Bij eindvonnis van 25 juli 2018 [21] heeft de rechtbank de vorderingen in conventie afgewezen en de vordering in reconventie in zoverre toegewezen dat zij de samenwerkingsovereenkomst geheel ontbonden heeft verklaard per 5 juni 2014.
IN CONVENTIE:
januari 2009, dus iets meer dan drie maanden na het sluiten van de overeenkomst, niet te voldoen aan de overeenkomst. De termijn van een week die in die brief werd gegeven, was gelet op de gegeven omstandigheden onredelijk kort, wat, tezamen met de kennelijke overdrijving –
sinds januari 2009- en de vaagheid in de omschrijving van wat Omnicom nu precies van Cosmos verlangde, het vermoeden rechtvaardigt dat de brief niet zozeer is bedoeld als een oproep tot behoorlijke nakoming als wel als een opmaat naar een beëindiging van de overeenkomst. Dit vermoeden vindt bevestiging in de ontbindingsbrief van 7 februari 2014, waar wordt vermeld dat [betrokkene 2] op 20 januari 2014 al van mening was dat de overeenkomst tussen partijen moest eindigen. Bovendien had Omnicom eind januari 2014, dus nog voor de ontbinding, de betaling van de media-executiefee reeds gestaakt. Gelet op deze houding van Omnicom ligt het niet voor de hand nu juist Cosmos te verwijten dat zij zich in de periode na het gesprek van 20 januari 2014 niet coöperatief zou hebben opgesteld.”
Cosmosdeed om het geschil van partijen uit de wereld te helpen. Op geen enkel moment heeft Omnicom zelf, zoals in artikel 2.3 is overeengekomen, Cosmos verzocht bepaalde concrete werkzaamheden te (laten) verrichten. Verder dan de vage aanduiding dat het zou gaan om backofficewerkzaamheden voor klanten van Omnicom, is Omnicom niet gekomen. Het is zelfs de vraag of ooit werkelijk “overige werkzaamheden” beschikbaar zijn geweest. De hiervoor (…) [in randnummer 1.19 (slot) en randnummer 1.22 (slot), A-G]) weergegeven mededelingen van Omnicom wijzen op het tegendeel. Met haar suggestie van een “ingroeiregeling” miskende Omnicom bovendien de wijze waarop in artikel 2.3 de risico’s waren verdeeld.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Belang bij het cassatieberoep
om een andere reden de plank mis[slaat]” (rov. 3.8). Volgens het hof is Cosmos niet door verloop van de in de brief van 23 januari 2014 opgenomen termijn van één week in verzuim gekomen. De ontbinding door Omnicom op 7 februari 2014 kan volgens de redenering van het hof reeds daarom geen effect hebben gehad. Nu Omnicom tegen deze oordelen geen klachten heeft gericht, kunnen de hierna te bespreken klachten die zij tegen rov. 3.9 en 3.10 heeft gericht bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden voor zover die klachten betrekking hebben op de vraag of Omnicom op 7 februari 2014 bevoegd was tot ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst.
in de periode vanaf februari 2014is tekortgeschoten en of Omnicom naar aanleiding daarvan
op 5 juni 2014bevoegd was de samenwerkingsovereenkomst te ontbinden. Voor zover de klachten van Omnicom daarop betrekking hebben, doet het onbestreden laten van rov. 3.4 tot en met 3.8 daaraan niet het belang ontvallen. In het midden kan blijven of de redenering van Cosmos in randnummer 2.14. van haar schriftelijke toelichting juist is. Cosmos redeneert daar dat Omnicom door de (volgens het hof) onterechte ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst en onterechte opschorting van de betaling van de media-executiefee zelf in verzuim raakte, waardoor Cosmos nadien niet meer in verzuim kon raken. Het hof heeft die redenering echter niet gevolgd. Het hof heeft daarentegen in rov. 3.9, 3.10, 3.12 en 3.13 onmiskenbaar tot uitgangspunt genomen dat Cosmos na die onterechte ontbinding en onterechte opschorting alsnog in verzuim kon komen. Daartegen zijn geen klachten gericht. [25]
steeds” ‘overige werkzaamheden’ aan Cosmos heeft aangeboden, [28] en preciezer dat zij dat vanaf eind 2013 heeft gedaan. [29] Dat rijmt niet goed met de vaststelling dat tussen partijen
niet in geschil isdat aan de brief van 23 januari 2014 geen aanbieding van ‘overige werkzaamheden’ (door Omnicom) is voorafgegaan. Deze duiding van het hof verbaast tegelijkertijd niet. Het hof is onmiskenbaar van oordeel geweest dat de stelling van Omnicom dat zij steeds, althans vanaf eind 2013, ‘overige werkzaamheden’ aan Cosmos heeft aangeboden volstrekt onvoldoende concreet heeft gemaakt, voor zover het gaat om de periode tot de brief van 23 januari 2014. Dit oordeel is – voor zover Omnicom beoogt hiertegen klachten te richten – geenszins onbegrijpelijk. Zo heeft Omnicom niet gespecificeerd wanneer (grofweg) zij in die periode ‘overige werkzaamheden’ heeft aangeboden, hoe dat heeft plaatsgevonden, wat die werkzaamheden behelsden en wat tussen partijen in dat verband is gewisseld.
werknemersvan Cosmos). Het hof heeft immers overwogen: “
Nog daargelaten dat, zoals hiervoor al werd overwogen, de door Omnicom gestelde eisen geen basis hadden in de overeenkomst van partijen(…).” Daarmee heeft het hof voortgebouwd op wat het in rov. 3.5 heeft overwogen met betrekking tot de uitleg van de samenwerkingsovereenkomst op dit punt, te weten dat Cosmos niet de verplichting had om – anders dan Omnicom in de periode na 23 januari 2014 verlangde – uitsluitend werknemers te gebruiken voor ‘overige werkzaamheden’. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het verschil van inzicht tussen partijen over de vraag of Omnicom deze eisen mocht stellen eraan in de weg heeft gestaan dat de ‘overige werkzaamheden’ werden verricht. Reeds daarom is, zo heeft het hof gemeend, Cosmos niet tekortgeschoten en in verzuim gekomen in verband met het niet verricht zijn van de ‘overige werkzaamheden’. Omnicom heeft geen klachten gericht tegen dit oordeel van het hof. Reeds daarop stuit subonderdeel 1.5 af.
vage aanduiding” – berusten op feitelijke appreciatie van het hof, die ook zonder nadere motivering begrijpelijk is.
[w]elke werkzaamheden[zij]
door medewerkers van Cosmosmedia laat doen(…)”. Dit is moeilijk te rijmen met de vaststelling van het hof in rov. 3.5 (slot) dat de ‘overige werkzaamheden’ onder de verantwoordelijkheid van Cosmos worden verricht, wat een grotere mate van concreetheid ten aanzien van de invulling van de ‘overige werkzaamheden’ verlangt.
subonderdeel 1.7klaagt Omnicom dat de overweging van het hof in rov. 3.9 dat het de vraag is of ooit bij Omnicom ‘overige werkzaamheden’ beschikbaar zijn geweest terwijl de mededelingen van Omnicom op het tegendeel wijzen, niet berust op een begrijpelijke uitleg van de gedingstukken.
subonderdelen 1.1 tot en met 1.4, die betrekking hebben op het passeren van een bewijsaanbod van Omnicom met betrekking tot haar stelling dat zij steeds ‘overige werkzaamheden’ aan Cosmos heeft aangeboden, kunnen gelet op het voorgaande niet tot cassatie leiden. Uit het voorgaande volgt dat het hof die stelling onvoldoende concreet en uitgewerkt heeft geacht en dat dat oordeel in cassatie stand kan houden. Aan het bewijsaanbod van Omnicom kwam het hof dus niet meer toe. De beoordeling of Omnicom aan haar stelplicht heeft voldaan, gaat immers vooraf aan eventuele bewijslevering met betrekking tot de bewuste stelling. [30]
subonderdeel 2.1wordt geklaagd over de overweging van het hof dat Omnicom de juistheid van het overzicht van Cosmos heeft betwist en die onjuistheid heeft aangevoerd als bewijs van de onwil van Cosmos om openheid te geven en de daaropvolgende overweging dat die conclusie (
onwil) echter, ook als het overzicht fouten zou bevatten, onvoldoende gefundeerd is. Volgens Omnicom is deze overweging onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit overzicht evidente fouten bevatte, valt immers niet in te zien waarom de omstandigheid dat Cosmos nooit heeft gereageerd op Omnicoms betwisting van de juistheid van dat overzicht en ook verder geen contact heeft opgenomen met Omnicom, niet zou duiden op de onwil van Cosmos om openheid van zaken te geven. Het hof heeft althans zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door op de daarop betrekking hebbende stellingen van Omnicom met geen woord in te gaan.
Onwil” heeft ook geen in steen gebeitelde betekenis. In de redenering van het hof moet deze term worden begrepen tegen de achtergrond van de vraag die het hof in rov. 3.10 heeft beantwoord, te weten of Cosmos zich bij de uitvoering van artikel 2.3. van de samenwerkingsovereenkomst in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gedragen. Het hof heeft in het midden gelaten of het overzicht fouten bevat. Ook als dat zo is, is dat volgens het hof van onvoldoende gewicht. Dat oordeel moet niet in isolatie worden gelezen, maar in samenhang met de overige delen van rov. 3.10. Het hof heeft ook de “
negatieve opstelling van Omnicom” en de omstandigheid dat Cosmos “
meermalen[heeft]
voorgesteld een deskundige de hoeveelheid werk te laten beoordelen” terwijl “
Omnicom[daarop]
nooit[heeft]
willen ingaan” meegewogen. De afweging van het hof is niet onbegrijpelijk, ook als een andere afweging evenzeer denkbaar en verdedigbaar zou zijn geweest. Het hof is daarmee ook niet – hoewel het niet alle stellingen van Omnicom op dit punt uitdrukkelijk heeft besproken – voorbijgegaan aan stellingen van Omnicom. [31]