Conclusie
2. Vleems Convenience Snacks B.V., verweersters in cassatie, advocaat: mr. E.J.H. Zandbergen.
FNVrespectievelijk
Vleems c.s.en individueel als
Vleems Bakery Internationalen
Vleems Convenience.
1.Inleiding
Smallsteps [1] en
Heiploeg, [2] is de overgang van de failliet verklaarde onderneming niet voorafgegaan door een pre-packprocedure. [3] Vanwege dit verschil in feitelijke situatie lijkt het niet noodzakelijk deze zaak aan te houden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
het Hof) uitspraak heeft gedaan in de lopende zaak
Heiploeg. [4]
Smallsteps-arrest ook gevolgen heeft voor een doorstart die niet in een pre-pack is voorbereid, maar volgens haar wel vooropgezet was. Kantonrechter en hof zijn daar niet in meegegaan; mijns inziens terecht.
2.Feiten en procesverloop
going concernte kunnen verkopen.
de faillissementsuitzondering) is niet voldaan.
Smallsteps-arrest in dit geval geen sprake is (rov. 5.2-5.6). Partijen zijn het er verder over eens dat de gefailleerde ondernemingen verwikkeld waren in een faillissementsprocedure en dat de procedure onder toezicht stond van een overheidsinstantie, zodat slechts moet worden beoordeeld of de procedure was ingezet met het oog op liquidatie van het vermogen van de gefailleerde ondernemingen (rov. 5.7-5.8).
het hof), het hoger beroep ongegrond geacht. Het hof heeft het oordeel van de kantonrechter dat de uitzondering genoemd in art. 7:666 BW Pro zich voordeed, onderschreven en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Op de in cassatie relevante rechtsoverwegingen ga ik in bij de bespreking van het middel.
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1betoogt, kort gezegd, dat het hof de faillissementsuitzondering verkeerd heeft toegepast.
Onderdeel 2richt klachten tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat de faillissementsprocedure is ingeleid om voortzetting van de onderneming mogelijk te maken.
Onderdeel 3ziet op het passeren van het bewijsaanbod van FNV.
Heiploeg. [11]
de Richtlijn) heeft betrekking op het behoud van rechten van werknemers bij overgang van een onderneming. [12]
Smallstepsdiende het Hof van Justitie te oordelen of een doorstart in faillissement die in een pre-packprocedure is voorbereid, onder de reikwijdte van de faillissementsuitzondering valt. In de onderhavige zaak gaat het weliswaar niet om een pre-pack, maar heeft FNV zich wel beroepen op het
Smallsteps-arrest om een (zeer) restrictieve uitleg van de faillissementsuitzondering te bepleiten.
Smallsteps-arrest stelt het Hof voorop dat de uitzondering als bedoeld in art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn “
noodzakelijkerwijs strikt moet worden uitgelegd”. [13] De uitzondering doet zich slechts voor indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
Smallstepsdat indien een onderneming door middel van een pre-pack wordt overgedragen na de faillietverklaring, weliswaar aan de eerste voorwaarde is voldaan, maar niet aan de tweede voorwaarde omdat het hoofddoel van de procedure het behoud en voortzetten van de failliete onderneming is. In een dergelijk geval kan geen beroep worden gedaan op de uitzondering als bedoeld in art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn. Dit had volgens het Hof te meer te gelden omdat ook aan de derde voorwaarde van overheidstoezicht niet is voldaan, nu de fase van de pre-pack voorafgaand aan het faillissement geen wettelijke grondslag heeft en de ‘beoogd curator’ en ‘beoogd rechter-commissaris’ geen formele bevoegdheden hebben.
pre-pack, in het kader waarvan een door een rechtbank aangestelde „beoogd curator” met name de mogelijkheden onderzoekt van een eventuele voortzetting van de activiteiten van die onderneming door een derde en zich voorbereidt op handelingen die onmiddellijk na de faillietverklaring moeten worden verricht teneinde die voortzetting te verwezenlijken. In dat verband is niet relevant dat de
pre-packtevens de maximalisatie van de opbrengst van de overdracht voor alle schuldeisers van die onderneming beoogt.”
tweede voorwaarde, het doel van de faillissementsprocedure, is onduidelijkheid blijven bestaan. Ook in deze zaak staat die voorwaarde centraal.
Heiploegheeft uw Raad de pre-pack een herkansing willen geven, door – op basis van een uitvoerige voorlichting over het Nederlandse faillissementsrecht en de kenmerken van de pre-pack – opnieuw aan het Hof de vraag voor te leggen of een overgang van onderneming die plaatsvindt na faillietverklaring van de vervreemder maar voorafgaand aan die faillietverklaring in een pre-pack is voorbereid, onder de uitzondering van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn valt.
going concernvan (een deel van) de onderneming die tot het vermogen van de schuldenaar behoort.”
going concernvan (een deel van) de onderneming die tot het vermogen van de schuldenaar behoort, beschikt over de informatie die nodig is om de beoordelen of die verkoop daadwerkelijk het beste middel is om de hoogst mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers te bewerkstelligen.
Smallstepshet doel en de inrichting van de pre-pack in het algemeen niet in volle omvang aan het Hof was voorgelegd, heeft de Hoge Raad door het stellen van prejudiciële vragen het Hof uitgenodigd om terug te komen op de restrictieve uitleg die het in
Smallsteps-arrest heeft gegeven van de uitzondering als bedoeld art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn. De Hoge Raad wijst daarbij ook op een feitelijk verschil met de zaak
Smallstepshierin bestaande dat de onderhandelingen over de overgang van Heiploeg-oud niet hebben plaatsgevonden met een aan Heiploeg-oud gelieerde onderneming. [25]
Heiploegwezenlijk afwijkt van de zaak
Smallsteps. In haar schriftelijke opmerkingen van 21 oktober 2020, waarvan ik ambtshalve heb kennis kunnen nemen omdat de griffie van het Hof de in prejudiciële procedure ingediende schriftelijke opmerkingen toestuurt aan de griffie van de verwijzende rechterlijke instantie, [26] acht de Commissie bepalend dat er sprake is van een voortzetting van (een deel van) de onderneming. Volgens haar is het daarbij niet van belang dat tevens het realiseren van de hoogste opbrengst voor de schuldeisers wordt beoogd. [27] Verder merkt de Commissie op dat zij niet inziet dat in de zaak
Heiploegsprake zou zijn van een andersoortige pre-pack dan in de zaak
Smallsteps. Ook wijst zij er nog op dat de overgang van de onderneming voor de voortgezette onderneming geen beletsel vormt voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen (vgl. art. 4 lid 1 Richtlijn Pro). Dat het faillissement van de vervreemder onafwendbaar is acht de Commissie “uiteindelijk niet relevant voor de beoordeling van het doel van de pre-pack”. De Commissie concludeert dat een pre-packprocedure niet voldoet aan de voorwaarde dat een faillissementsprocedure is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder in de zin van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn. [28] Het pleidooi voor de pre-pack dient dus ook in de zaak Heiploeg (reeds) op de tweede van de drie voorwaarden van de faillissementsuitzondering te stranden, aldus de Commissie.
nietwordt voortgezet. [29] Mijns inziens miskent deze stelling dat niet het enkele feit dat een failliete onderneming wordt verkocht en aldus een doorstart maakt in de weg staat aan de toepasselijkheid van de faillissementsuitzondering. Alleen waar een doorstart vóór de faillietverklaring nauwkeurig is voorbereid en direct daarna wordt doorgevoerd, [30] krijgt de faillissementsprocedure een voortzettingskarakter. Óf zich een voorbereide doorstart voordoet hangt af van alle omstandigheden van het geval.
Smallsteps-arrest dient uitgangspunt te zijn dat de overnemer de verplichtingen jegens de werknemers van de vervreemder overneemt. Op dit arbeidsrechtelijke uitgangspunt dient Unierechtelijk een uitzondering te worden gemaakt indien op het moment waarop een onderneming failliet wordt verklaard er nog geen koper is voor de onderneming (of delen ervan). De faillissementsuitzondering is in dat geval
welvan toepassing. Dat wordt niet anders indien, zoals in deze zaak het geval is, een activaverkoop relatief snel na de faillietverklaring plaatsvindt en de failliete onderneming in de tussentijd met hulp van een boedelkrediet draaiende is gehouden. Indien er daarentegen voorafgaande aan de faillietverklaring een overname is onderhandeld en ‘voorgekookt’, moet de voortzetting van de onderneming als het hoofddoel van de faillissementsprocedure worden aangemerkt, met als gevolg dat de faillissementsuitzondering
nietvan toepassing is. Dat was de situatie in de zaak
Smallstepsen is mogelijk ook de situatie in de zaak
Heiploeg. Daar werd het persbericht over de doorstart op de ochtend van de faillietverklaring verspreid.
WCO I)ingediend. [31] Dit wetsvoorstel voorziet in een wijziging van de Faillissementswet die het de rechtbank mogelijk maakt om voorafgaand aan een eventueel faillissement een beoogd curator en beoogd rechter-commissaris aan te wijzen. Hiermee is beoogd een wettelijke grondslag voor de sinds 2012 toegepaste pre-pack te geven. De behandeling van dit wetsvoorstel is in de Eerste Kamer evenwel aangehouden in verband met de wens om eerst een algemene wettelijke regeling inzake de rechten van werknemers bij een overgang van onderneming in faillissement te treffen. De directe aanleiding voor deze wens is het
Smallsteps-arrest.
Heiploegheb ik erop gewezen dat de wetgever aldus een oplossing lijkt te bieden voor de impasse waarin de pre-pack terecht is gekomen en dat dit een reden kan zijn om de ongereguleerde pre-packpraktijk niet tegen iedere prijs onder de faillissementsuitzondering te willen brengen. [34] Bovendien komt er dan een eind aan de onbevredigende situatie dat de rechten van werknemers op ontslagbescherming kunnen afhangen van de aanpak die is gevolgd om een doorstart te realiseren.
Heiploeg. [36]
onderdeel 1.2ten onrechte de stelplicht en bewijslast van de niet-toepasselijkheid van de faillissementsuitzondering (impliciet) bij FNV gelegd.
is ingeleid met als (hoofd)doel de voorzetting van de activiteit van de onderneming” (rov. 4.12) en of met die procedure “
een (goedkopere, gereorganiseerde) voorzetting van de onderneming werd beoogd” (rov. 4.15). Het hof heeft met deze beoordeling oog gehad voor het feit dat indien de procedure strekt tot voorzetting van de onderneming, de faillissementsuitzondering niet van toepassing is.
onderdeel 1.3wordt geklaagd over de ruimte die het hof in rov. 4.12 en rov. 4.14 laat voor de opvatting dat een procedure weliswaar de voortzetting van de onderneming beoogt, maar dit niet het ‘hoofddoel’ is en de procedure daarom toch moet worden aangemerkt als een op liquidatie gerichte procedure. Volgens FNV is dat oordeel rechtens onjuist.
Heiploegmoet worden afgewacht om te kunnen bepalen of die vaststelling ook maakt dat het
hoofddoelvan de procedure inderdaad voortzetting in plaats van liquidatie van de onderneming was. Met het verwijzingsarrest is door de Hoge Raad immers eveneens aan het Hof de vraag voorgelegd of met een pre-packprocedure voorafgaand aan een faillietverklaring gericht op verkoop
going concernvoor de hoogst mogelijke opbrengst, het liquidatiedoel van het Nederlandse faillissementsrecht wordt verdrongen. Het hof houdt bij zijn beoordeling rekening met deze verdringing van het liquidatiedoel van de faillissementsprocedure. In rov. 4.26 oordeelt het hof echter dat nu niet is komen vast te staan dat de faillissementsprocedure is ingeleid om voortzetting van de bedrijfsactiviteit mogelijk te maken, het niet nodig is om het oordeel van de Hoge Raad in de Heiploegzaak af te wachten. Mij lijkt dat juist.
Heiploegstelt de Hoge Raad het liquidatiedoel van de Nederlandse faillissementsprocedure voorop (zie hiervoor, 3.18).
voor de toepassing van de Richtlijnook vaststaat dat iedere keer dat een faillissementsprocedure is ingeleid, die procedure geacht moet worden de liquidatie van het vermogen van de schuldenaar als hoofddoel te hebben (zie hiervoor, 3.24).
going concernvoort te zetten;
vereisteis om ‘een voorbereide doorstart’ te kunnen aannemen, en evenmin dat het hof zou hebben geoordeeld dat het ontbreken van een dergelijk plan inhoudt dat het oogmerk van de faillissementsprocedure
nietde voorzetting van de onderneming kan zijn. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
hoede doorstart precies zou worden uitgevoerd) maar of er bij betrokkenen voorafgaand aan het faillissement een concreet idee bestond over
dateen doorstart zou gaan plaatsvinden. Op deze manier kan de rechter aan de hand van de feitelijke omstandigheden toetsen of de doorstart was voorbereid vóór faillietverklaring. Daarvan zou sprake zijn indien de verkrijger van de toekomstig failliete onderneming bekend is en de curator op de keuze voor de verkrijger geen of nauwelijks invloed heeft gehad, of zelfs voor een voldongen feit is geplaatst.
onderdeel 2.2is gekant tegen rov. 4.15-4.23. Het onderdeel klaagt dat de afzonderlijke, geïsoleerde beoordeling van de door FNV aangevoerde feiten en omstandigheden onjuist is. Het hof overweegt weliswaar dat de beoordeling uiteindelijk moet worden gemaakt op basis van het onderling verband tussen alle behandelde feiten en omstandigheden (rov. 4.13), maar nergens blijkt uit dat het hof dit daadwerkelijk
heeft gedaan. Voor zover geen sprake is van een afzonderlijke beoordeling, is het oordeel volgens het onderdeel onbegrijpelijk omdat slechts per omstandigheid is uitgelegd waarom die niet tot de conclusie leidt dat de procedure ertoe strekte de onderneming voort te zetten. Het oordeel is eveneens onbegrijpelijk omdat, in onderling verband beschouwd, de door FNV aangevoerde omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat de faillissementsprocedure (tevens) is ingeleid om voortzetting van de bedrijfsactiviteit mogelijk te maken.
Dit alles is niet in geschil.
Die wijzen slechts in de richting van een door de curator zelfstandig ingezette en door de bank met een boedelkrediet ondersteunende wijze van afwikkeling van het faillissement, zonder enig voorafgaand aan het faillissement opgesteld doorstartplan.”
in onderling verbandbeschouwd.
onderdeel 2.6is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 4.18 dat uit de gang van zaken rondom het overnamebod van Vleems Bakery International, en in het bijzonder de correspondentie tussen FNV en de curator, niet kan worden afgeleid dat aan de curator een uitgewerkt plan voor een doorstart is gepresenteerd, laat staan dat daarvan voor de aanvraag van het faillissement al sprake was. Uit de briefwisseling tussen de curator en FNV op 11 en 12 september 2019 zou kunnen worden afgeleid dat de mededeling van FNV dat aan de curator de dag na de faillietverklaring een plan voor een doorstart is gepresenteerd, door deze als juist is erkend. Het middel acht het oordeel te meer onbegrijpelijk nu blijkens rov. 4.18 i) het overnamebod reeds één dag na de faillietverklaring is uitgebracht, terwijl de curator toen nog geen biedingsproces had opgestart; ii) dat bod werd uitgebracht door het zittend management van de gefailleerde ondernemingen en iii) door tussenkomst van het advocatenkantoor dat ook de faillissementsaanvraag heeft begeleid. Het feit dat het bod reeds één dag na het faillissement is uitgebracht duidt erop dat het plan voor het faillissement reeds bestond.