ECLI:NL:PHR:2021:1133

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
29 november 2021
Zaaknummer
20/01869
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt na verhuizing en oogstperiode

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 juni 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene vastgesteld op €123.781,77, gebaseerd op de opbrengst van vier hennepoogsten. Betrokkene was veroordeeld voor het telen en aanwezig hebben van hennep.

Betrokkene betwistte in cassatie de schatting van het hof, met name het uitgangspunt van vier oogsten vanaf 1 november 2011, omdat hij pas in het voorjaar van 2012 daadwerkelijk naar de nieuwe woning was verhuisd. Het hof had echter geoordeeld dat de hennepkwekerij pas na 31 juli 2011 was opgebouwd en dat betrokkene de oude woning aanhield met de bedoeling daar een kwekerij op te zetten.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de ontnemingsperiode vanaf 1 november 2011 begint, ondanks de feitelijke verhuizing in het voorjaar van 2012. De verklaring van betrokkene en verklaringen van buurtbewoners ondersteunen het oordeel dat hij de oude woning aanhield voor hennepteelt. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €123.781,77.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01869 P
Zitting12 oktober 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 juni 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 123.781,77 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene, verschillende andere aanhangige straf- en ontnemingszaken tegen de betrokkene alsmede met de aanhangige straf- en ontnemingszaak van de medeverdachte. [1] In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelklaagt over de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het bijzonder behelst het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat dient te worden uitgegaan van vier eerdere oogsten onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
5. Het hof heeft in het bestreden arrest, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 juni 2020 (parketnummer 21-001259-17) onder andere ter zake van het telen en aanwezig hebben van hennep veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 123.781,77 (honderddrieëntwintigduizend zevenhonderdeenentachtig euro en zevenenzeventig cent).
Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Tijdens de doorzoeking in de woning en daarbij behorende schuur gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], welke koopwoning op naam stond van betrokkene, is op 13 november 2012 een hennepkwekerij en een kleine hennepdrogerij aangetroffen. Volgens de informatiestaat SKDB-persoon heeft betrokkene zich op 31 juli 2011 ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats]. Uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nummer 2012150577, dat op 16 april 2013 in de wettelijke vorm is opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie, volgt uit informatie van het GBA dat de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] voor het laatste bewoond is geweest tot 31 juli 2011 door betrokkene en zijn gezin.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft betrokkene verklaard dat hij en zijn gezin op de [a-straat] niet konden wennen en dat zij in juni 2011 van de woningbouwvereniging een andere woning kregen die zij eerst zeven of acht maanden hebben verbouwd alvorens die te betrekken. Volgens betrokkene zijn ze in het voorjaar van 2012 overgegaan naar de woning aan het adres [b-straat 1]. Betrokkene heeft ook verklaard dat hij zijn woning aan de [a-straat] niet te koop heeft gezet. Ook overigens is het hof niet gebleken dat de woning op enig moment te koop is gezet of is verhuurd. Daarnaast hebben buurtbewoners van de [a-straat 1] verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat nadat betrokkene met zijn gezin is verhuisd hij nog wel bij de woning is gezien. Zo heeft getuige [betrokkene 1] op 18 november 2012 verklaard dat betrokkene nadat hij verhuisd was nog wel alle dagen bij of in het huis kwam. Het hof gaat er vanuit dat betrokkene de woning aan de [a-straat] heeft aangehouden enkel met als bedoeling om daar een hennepkwekerij en -drogerij op te zetten. Hoewel er een sterke mate van vervuiling was, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat betrokkene al voor de huur van de nieuwe woning een kwekerij in de woning aan de [a-straat] had. Het hof zal er derhalve vanuit gaan dat de kwekerij pas na 31 juli 2011 is opgebouwd. Het hof zal er verder in het voordeel van betrokkene van uitgaan dat hij enige tijd is kwijt geweest met de verbouwing van de nieuwe woning en dat hij niet eerder dan 1 november 2011 is begonnen met het telen van hennep in de [a-straat]. De periode tussen 1 november 2011 en 12 november 2012 bedraagt ruim een jaar. In een jaar kan er vijf keer worden geoogst. De laatste oogst is aangetroffen op 12 november 2012, zodat betrokkene vier oogsten heeft kunnen verkopen.”
6. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof met zijn vaststellingen dat (i) de betrokkene de woning aan de [a-straat] heeft aangehouden enkel met als bedoeling om daar een hennepkwekerij en -drogerij op te zetten, (ii) er onvoldoende aanwijzingen zijn dat betrokkene al vóór de huur van de woning een kwekerij aan de [a-straat] had en (iii) er in het voordeel van de betrokkene van uitgegaan wordt dat hij enige tijd kwijt is geweest met de verbouwing van de nieuwe woning, tot uitdrukking heeft gebracht dat het beginpunt van de ontnemingsperiode kan worden vastgesteld op het moment dat de betrokkene met zijn gezin van de [a-straat] naar de woning gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] is verhuisd. Gelet op die vaststelling is het niet begrijpelijk dat het hof 1 november 2011 als beginpunt van de ontnemingsperiode heeft aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat de betrokkene eerst in het voorjaar van 2012 naar de woning aan [b-straat 1] is verhuisd. Dit brengt met zich dat het hof bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient uit te gaan van een datum
“ergens in februari/maart 2012” als beginpunt en de ontnemingsperiode vijf maanden korter is geweest. Het hof heeft dan twee oogsten te veel vastgesteld, aldus de steller van het middel.
7. Het middel berust op een verkeerde lezing van het arrest. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet het moment dat de betrokkene (daadwerkelijk) met zijn gezin van de [a-straat 1] naar de woning aan [b-straat 1] is
verhuisdals beginpunt van de ontnemingsperiode aangemerkt. Het hof heeft immers overwogen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene al vóór de
huurvan de nieuwe woning een kwekerij in de woning aan de [a-straat] had en heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt genomen dat de hennepkwekerij na 31 juli 2011 is opgebouwd. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de betrokkene de nieuwe woning aan het adres [b-straat 1] (in ieder geval) vanaf 31 juli 2011 is gaan huren. Gelet op de vaststellingen van het hof dat de betrokkene in juni 2011 van de woningbouwvereniging een andere woning heeft gekregen, dat hij zich op 31 juli 2011 heeft ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] alsmede dat uit informatie van het GBA volgt dat de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] tot 31 juli 2011 bewoond is geweest door de betrokkene en zijn gezin, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk.
8. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de betrokkene enige tijd kwijt is geweest met de verbouwing van de nieuwe woning. Het hof heeft geoordeeld dat 1 november 2011 kan worden aangemerkt als beginpunt van de ontnemingsperiode. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat de betrokkene de woning aan de [a-straat] heeft aangehouden enkel met als bedoeling om daar een hennepkwekerij en -drogerij op te zetten. Daar komt bij dat de enkele omstandigheid dat de betrokkene eerst in het voorjaar 2012 zou zijn verhuisd en voor die tijd nog in de woning aan de [a-straat 1] verbleef, niet uitsluit uit dat de betrokkene reeds voor zijn verhuizing in de schuur behorende bij de woning aan [a-straat] een hennepkwekerij heeft opgezet en opzettelijk hennep heeft geteeld.
9. Het middel faalt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Met inbegrip van de voorliggende zaak betreft dit de zaken met de rolnummers: 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01873, 20/01871 P, 20/01876.